Hoofdstuk 1: Inleiding
Personenrecht regelt de rechtspositie van een natuurlijke persoon: het begin en
einde van een persoon, zijn naam en geslacht, woonplaats,
handelingsbekwaamheid en de bescherming van meerderjarigen maken hiervan
deel uit.
Familierecht betrekking op de rechtsverhoudingen tussen natuurlijke personen
op het terrein van families en relaties.
Hoofdstuk 3: Procesrecht
Scheidingszaken:
Artikelen 815-828 Rv bevatten de specifieke bepalingen voor scheidingszaken na
huwelijk en geregistreerd partnerschap. Ook voor de praktische uitwerking van
de regels van scheidingsprocesrecht zijn procesreglementen van belang.
Hoofdstuk 4: Personenrecht
Elk persoon heeft rechten en plichten. Dit begint al voordat een persoon levend
ter wereld is gekomen (art. 1:2 BW). Een familierechtelijke betrekking ontstaat
pas wanneer een kind levend ter wereld komt.
Art. 1:3 BW valt uiteen in bloedverwantschap en aanverwantschap.
Bloedverwantschap personen die juridisch van elkaar afstammen of personen
die een gemeenschappelijke stamvader hebben (biologische band is niet vereist).
Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of geregistreerd partnerschap: tussen
de een echtgenoot of partner en de bloedverwanten van de andere echtgenoot of
partner is sprake tussen aanverwantschap.
Verwantschap loopt in graden en in een rechte lijn of in de zijlijn.
Als een kind 1 juridische ouder heeft, dan krijgt het kind de achternaam van die
ouder (art. 1:5 lid 1 BW). Als een kind door erkenning of door gerechtelijke
vaststelling van het ouderschap een 2e juridische ouder verkrijgt, hebben de
ouders samen het recht van naamkeuze. Als de ouders een achternaam hebben
gekozen voor het kind, dan geldt deze achternaam ook voor de rest van de
kinderen (art. 1:5 lid 8 BW).
Als het kind 16 jaar of ouder is op het moment van het ontstaan van de
familierechtelijke betrekking met beide ouders, is de naamkeuze aan de oudere
minderjarige, deze kan zelf verklaren welke van zijn ouders hij de achternaam zal
hebben (art. 1:5 lid 7 BW).
Zelfstandige woonplaats bevindt zich volgens art. 1:10 lid 1 BW op zijn vaste
woonadres. Het is niet noodzakelijk dat de persoon altijd te zijner woonstede
verblijft. Als er geen vast woonadres kan worden aangewezen, stelt art. 1:10 lid 2
BW dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt ter plaatse van
zijn werkelijk verblijf.
Een geboorteakte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand
van de gemeente waar het kind is geboren. Art. 1:19 e BW schrijft voor wie
,verplicht is aangifte te doen. Tot het doen van aangifte van overlijden is ieder
bevoegd die uit eigen wetenschap kennis draagt van overlijden (art. 1:19h BW).
Transseksualiteit iemand met normale in-en uitwendige geslachtskenmerken
van het ene geslacht, zijn ervan overtuigd dat ze tot het andere geslacht behoren
en een sterk verlangen hebben om zijn lichamelijke geslacht aan zijn
genderidentiteit aan te passen. Iedere Nederlander vanaf 16 jaar die overtuiging
heeft dat die behoort tot het andere geslacht kan van die overtuiging aangifte
doen bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Hierbij moet een verklaring van
een deskundige worden overlegd. Er kan hierbij ook een verzoek van
voornamenwissel worden gedaan (art. 1:28b lid 2 BW).
Hoofdstuk 5: Meerderjarigenbescherming
De 3 beschermingsmaatregelen (curatele, bewind en mentorschap) hebben 2
belangrijke kenmerken gemeen:
- Bij curatele, beschermingsbewind en mentorschap benoemt de rechter 1 of
2 personen die de bevoegdheid krijgen om de meerderjarige te
vertegenwoordigen binnen het toepassingsgebied van de maatregel.
- De meerderjarige verliest een deel van zijn juridische bewegingsvrijheid.
Wilsonbekwaamheid het gaat hier om een niet-kunnen (de gevolgen niet
overzien, niet begrijpen wat moet worden beslist en waarom, enz.).
Handelingsonbekwaamheid het gaat hier om het niet-mogen.
Er spelen belangen bij het toepassen van beschermingsmaatregelen:
- Belang van de meerderjarige om te worden beschermd tegen misbruik of
verwaarlozing van zijn belangen
- Het belang om te worden gevrijwaard van ongevraagde
overheidsbemoeienis.
Het belangrijkste rechtsgevolg van het instellen van een maatregel is dat de
meerderjarige wordt beperkt in zijn handelingsbekwaamheid of zijn bevoegdheid
om zelfstandig in het rechtsverkeer op te treden.
Curatele Werkt door in tal van andere rechtsgebieden, zoals erfrecht en
vermogensrecht.
BeschermingsbewindHeeft hoofdzakelijk gevolgen in het vermogensrecht.
Mentorschap De doorwerking vindt vooral plaats in het gezondheidsrecht.
MentorschapArt. 1:450 lid 1 BW regelt het instellen van een mentorschap ten
behoeve van een meerderjarige waarbij als grond geformuleerd is dat hij als
gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand zijn belangen van niet-
vermogensrechtelijke aard niet behoorlijk kan waarnemen.
CurateleEen meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden
gesteld wanneer diegene zijn eigen veiligheid of die van anderen in gevaar
brengt.
Beschermingsbewind Het niet behoorlijk kunnen waarnemen van zijn
vermogensrechtelijke belangen is het gevolg van de lichamelijke of geestelijke
toestand van de meerderjarige of van verkwisting, of het hebben van
problematische schulden (art. 1:431 lid 1 BW).
, De verzoekers zijn de betrokkene zelf, degene die gezag over hem uitoefent in
het geval van het verzoek tijdens de minderjarigheid wordt ingediend, de naaste
bloedverwanten, de partner en als een andere maatregel van kracht is, de
curator, bewindvoerder dan wel de mentor.
Een tijdelijke benoeming van een bewindvoerder of mentor is mogelijk (art. 1:435
lid 2, 1:448 lid 1 onder b, 1:452 lid 2 en 1:461 lid 1 onder b BW), maar niet van
een curator.
Voor beschermingsbewind en mentorschap geldt dat de aanvang ervan is
vastgesteld op de dag nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. Een
curatele geldt met ingang van de dag dat zij is uitgesproken.
Gevolgen van curateleCuratele heeft tot gevolg dat de meerderjarige met
ingang van de dag dat de curatele is uitgesproken, handelingsonbekwaam wordt.
De belangrijkste gevolgen daarvan zijn geregeld in art. 3:32 BW een door een
curandus verrichte rechtshandeling is nietig of vernietigbaar. Er bestaan wel
verschillende uitzonderingen op de handelingsonbekwaamheid (art. 1:381 BW):
- De curandus is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met
toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die
rechtshandelingen voor de curandus te verrichten.
- De curandus is bekwaam te beschikken over gelden die zijn curator hem
voor levensonderhoud ter beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze
bestemming (art. 1:381 lid 5 BW).
Gevolgen van beschermingsbewindGedurende een bewind komt het beheer
over de onder bewind gestelde goederen niet meer toe aan de rechthebbende,
maar aan de bewindvoerder. Beheer alle handelingen die verricht moeten
worden voor een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen
(art. 1:438 BW). Hieronder valt onder meer de betaling van de vaste lasten, maar
ook de ontvangst van de inkomsten.
Gevolgen van mentorschapDe betrokkene is tijdens mentorschap onbevoegd
rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verpleging,
verzorging, behandeling en begeleiding, tenzij uit de wet of verdrag anders
voortvloeit (art. 1:453 lid 1 BW).
Taken en bevoegdheden van curator, bewindvoerder en mentor:
Curator Taken en bevoegdheden vallen samen op gezondheidsrechtelijk gebied
met die van de mentor en dat zijn taken en bevoegdheden op
vermogensrechtelijk gebied en zijn afgeleid van die van de voogd.
Bewindvoerder De bewindvoerder heeft een 3tal verplichtingen (art. 1:441 BW):
1. Inventarisatie maken van de aan het onder bewind gestelde goederen en
hiervan een beschrijving opstellen.
2. Indien er registergoederen onder bewind zijn gesteld, draagt de
bewindvoerder er zorg voor dat een aantekening van bewindvoering in de
openbare registers wordt opgenomen.
3. De bewindvoerder dient z.s.m. na instelling van het bewind een
bankrekening te openen (beheerrekening).