Verbintenis
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer
personen krachtens welke de een tot een prestatie is gerechtigd (schuldeiser) waart
toe de ander verplicht is (schuldenaar).
Wanneer iemand aansprakelijk wordt gesteld wegens het niet nakomen van een
verbintenis uit een overeenkomst (wanprestatie, art. 6:74 BW), spreken we over
aansprakelijkheid uit contact.
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen twee of meer
personen krachtens welke de een tot een prestatie verplicht is (schuldenaar), terwijl
de ander (schuldeiser) tot die prestatie is gerechtigd.
Corrigerende rechtvaardigheid stelt dat de normschending leidt tot verstoring van
het evenwicht tussen het slachtoffer en de normschender. Die eist herstel van het
geschonden evenwicht. Deze wordt veel teruggezien in veel aansprakelijkheidsrecht.
Distributieve rechtvaardigheid gaat het om rechtvaardige verdeling van de last in een
gemeenschap. Komt vaak tot uitdrukking in het feit dat er
aansprakelijkheidsverzekeringen bestaan.
Plaats van verbintenissen uit de wet
Art. 6:74 e.v. en art. 6:162 e.v.
Wanneer het gaat over verbintenissen, zijn daarop telkens ook de algemene
bepalingen van het verbintenissenrecht van toepassing (art. 6:1 t/m 6:161 BW).
Dit is van belang omdat zij strekken tot schadevergoeding. De regels over
schadevergoeding zijn neergelegd in art. 6:95 e.v..
Verbintenissen kunnen ook een andere bron hebben als het BW, met name
verbintenissen die lijden tot schadevergoeding. Voorbeeld: art. 185
Wegenverkeerswet, dat aansprakelijkheid van gemotoriseerde verkeersdeelnemers
jegens ongemotoriseerde regelt.
Onderscheid contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid
Bij contractuele aansprakelijkheid is er altijd sprake van een overeenkomst tussen
partijen. Als een afspraak, zoals vastgesteld in de overeenkomst, niet wordt
nageleefd door de andere partij kunt u de schade die u daardoor lijdt verhalen bij de
andere partij op grond van wanprestatie wegens niet-nakoming. Art. 6:74 e.v. BW
Bij buitencontractuele aansprakelijkheid is er geen sprake van een overeenkomst of
een contract tussen partijen. Als de ene partij schade lijdt door een handeling van de
andere partij kan er een beroep worden gedaan op de onrechtmatige daad. Art.
6:162 e.v. BW.
, Wanneer er meerdere rechtsregels tegelijkertijd toepasbaar zijn op dezelfde
gebeurtenis, dan spreekt men van samenloop. Uitgangspunt bij samenloop van op
zichzelf toepasselijke rechtsgronden, is dat zij cumulatief van toepassing zijn en dat
de eiser daaruit naar eigen inzicht een keuze mag maken. Dit is vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad. HR 15 juni 2007, Fernhout / Essent
Functies van aansprakelijkheidsrecht
Compensatie is de primaire functie van het aansprakelijkheidsrecht.
Met preventie wordt bedoeld dat bedreiging van aansprakelijkheidsrecht wordt
bedoeld dat mensen worden gewaarschuwd en voorzichtiger worden.
Genoegdoening ziet op erkenningen van belangen en behoeften van benadeelden.
Kan financiële schadevergoeding maar ook door het vaststellen van
aansprakelijkheid.
Het aansprakelijkheidsrecht heeft geen vergelding als functie. Het heeft geen
straffende functie, dat ligt bij het strafrecht.
Kernbegrippen van het aansprakelijkheidsrecht
De aansprakelijkheid voor eigen handelen is geregeld in art. 6:162 BW. Het gaat daar
om aansprakelijkheid voor verwijtbaar handelen, dit noemen we
schuldaansprakelijkheid.
Aansprakelijkheid voor andermans schade kan ook zijn gebaseerd op een
omstandigheid die voor risico van de aansprakelijke behoort te komen. We spreken
dan van risicoaansprakelijkheid.
Iemand kan ook kwalitatief aansprakelijk worden gesteld, dat is wanneer iemand
verantwoordelijk wordt gehouden voor onrechtmatige handelen van bijvoorbeeld
een kind, dier of zaak.
,Wettelijke grondslag aansprakelijkheid voor eigen gedrag
De vereisten voor aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van onrechtmatige daad zijn
neergelegd in art. 6:162 BW en art. 6:163 BW. De tekst van deze wetsbepalingen, die de kern
vormen van het aansprakelijkheidsrecht, luidt als volgt:
Uit deze wetsbepalingen zijn de volgende de criteria voor aansprakelijkheid voor eigen
gedrag af te leiden:
Onrechtmatigheid (art. 6:162 lid 2 BW): er moet sprake zijn van een onrechtmatige
daad.
Toerekenbaarheid (art. 6:162 BW lid 3): deze gedraging kan aan de dader worden
toegerekend.
Schade (art. 6:162 lid 1 BW): de benadeelde lijdt schade.
Causaal verband (art. 6:162 BW lid 1); vloeit voort uit het woord ‘dientengevolge’): er
bestaat causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade.
Relativiteit (art. 6:163 BW): de schade zoals deze door de benadeelde wordt geleden,
valt onder het beschermingsbereik van de norm.
Vereiste 1: Onrechtmatigheid algemeen
Niet iedere gedraging van een persoon waardoor een ander schade ondervindt, doet
ook een verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad
ontstaan. De gedraging dient onrechtmatig te zijn. Onder een onrechtmatige daad
valt (anders dan het woord ‘daad’ doet vermoeden) niet alleen actief handelen
(doen) maar ook het passief blijven (nalaten).
Art. 6:162 lid 2 BW bepaalt wanneer een daad als ‘onrechtmatig’ kan worden
gekwalificeerd. Er zijn drie onrechtmatigheidsgronden:
1. een inbreuk op een recht; A maakt zonder toestemming een lamp volgens een
ontwerp waarop B een octrooi heeft.
2. een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht; rijdt in strijd met het
reglement verkeersregels en verkeerstekens met zijn scooter over de stoep en rijdt D
aan.
3. een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt. E, die een café bevoorraadt, laat in een donker
hoekje een kelderluik openstaan, waar cafébezoeker F in valt.
Is aan de voorwaarden van een van deze gronden voldaan, dan staat daarmee in
beginsel de onrechtmatigheid van de gedraging vast.
De laatste grond voor onrechtmatig handelen – handelen in strijd met het
ongeschreven recht – is met opzet zo ruim geformuleerd. Daardoor kan de rechter in
vrijwel alle gevallen waarin iemand naar algemeen gedeeld inzicht onbehoorlijk
jegens een ander heeft gehandeld die persoon tot schadevergoeding veroordelen.
Rechtvaardigingsgrond
Art. 6:162 lid 2 BW wordt afgesloten met een belangrijk voorbehoud, namelijk de
mogelijke aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. De aanwezigheid van een
rechtvaardigingsgrond heeft tot gevolg dat een handeling die op zichzelf beschouwd
, onrechtmatig zou zijn, dat onrechtmatige karakter verliest. De
rechtvaardigingsgronden die gelden in het strafrecht, spelen hier ook een rol. Deze
zijn genoemd in art. 40 t/m 43 Sr, overmacht, noodweer, uitvoering van een wettelijk
voorschrift en het bevoegd gegeven ambtelijk bevel.
Onrechtmatigheidsgrond 1: inbreuk op een recht
Bij de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’ gaat het om schending van een
subjectief recht van een ander. Er wordt hier onderscheid gemaakt tussen absolute
vermogensrechten (zoals eigendom en auteursrecht) en persoonlijkheidsrecht (zoals
recht op lichamelijke integriteit en recht op een leefbaar milieu).
In de rechtspraak wordt deze onrechtmatigheidsgrond slechts sporadisch toegepast.
Dat heeft ermee te maken dat er in de literatuur discussie bestaat over de
zelfstandige betekenis van de rechtsinbreuk. Niet de enkele aantasting van ieder
belang dat door een subjectief recht wordt beschermd is als onrechtmatige daad aan
te merken, hetgeen impliceert dat hier een extra toets moet worden ingebouwd. In
de literatuur bestaan verschillende opvattingen over hoe die toets er precies uit moet
zien. De belangrijkste hiervan is dat alleen een directe, rechtstreekse of opzettelijke
inbreuk op een subjectief recht onrechtmatig is.
Bij een opzettelijke inbreuk op een anders recht zal het enkele feit van de inbreuk
over het algemeen voldoende zijn om van onrechtmatigheid te kunnen spreken. Tav
culpose rechtsinbreuk wordt gesteld dat een oordeel de onrechtmatigheid
afhankelijk is van een nadere toetsing aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
Een en ander betekent dat we voorzichtig moeten zijn met de toepassing van dit
criterium. Niet de enkele aantasting van ieder beland dat door een subjectief recht
wordt beschermd is als onrechtmatige daad aan te merken. Anders zou het
veroorzaken van schade vrijwel steeds onrechtmatig zijn. Dat gaat te ver.
HR 9 december 1994, Zwiepende tak arrest: de HR oordeelt dat niet reeds de enkele
mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag
inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaar
scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van
een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven
van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.
Voor andere situaties zou dan een nadere toetsing aan ongeschreven
zorgvuldigheidsnormen noodzakelijk zijn. In feite wordt dan getoetst aan de derde
onrechtmatigheidsgrond ‘doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens
ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’.