samenvatting
FA-MA101 Chronische aandoeningen · zelfstudie
Casus: dhr. Van Zijl, 64 jaar. Bekend met een hartritmestoornis (atriumfibrilleren) en met DM2
sinds zijn 50e (inmiddels insuline-afhankelijk). Zijn ritmestoornis was lang goed gecontroleerd,
maar kreeg recent een extra tablet. Medicatie: amlodipine, atorvastatine, candesartan/HCT,
flecaïnide retard 200 mg 1 dd + flecaïnide 50 mg z.n. bij palpitaties, insuline glargine +
aspart (basaal-bolus), metformine, metoprolol retard 100 mg, rivaroxaban 20 mg. Lab: Na⁺
139, K⁺ 3,9 mmol/l, eGFR > 90.
Bronnen die hieronder leidend zijn: NHG-Standaard Atriumfibrilleren (herzien 2024), Brundel et
al. (Nat Rev Dis Primers 2022) en Nattel & Dobrev (Nat Rev Cardiol 2016) voor de
pathogenese, en Mega & Simon (Lancet 2015) en Bortman et al. (J Clin Pharmacol 2023) voor
de antistolling.
Deel 1 — Uitwerking van de algemene leerdoelen
1. Prevalentie, symptomen en definitie
Atriumfibrilleren (AF) is een supraventriculaire tachyaritmie met chaotische,
ongecoördineerde elektrische activiteit van de atria, waardoor de atria niet meer effectief
samentrekken en de ventrikelvolgfrequentie onregelmatig (irregularly irregular) en vaak
versneld is. De diagnose wordt gesteld op een ECG (12-kanaals of een 1-kanaals-ecg van
≥ 30 s). Symptomen: zie vraag a. Oorzaken/risicofactoren: leeftijd, hypertensie,
hartfalen, kleplijden, coronairlijden, diabetes mellitus, obesitas, OSAS, hyperthyreoïdie,
alcohol. AF is vaak een uiting van onderliggende (cardiovasculaire) problematiek, geen
geïsoleerde aandoening.
2. Beleid (NHG-Standaard Atriumfibrilleren 2024)
Het beleid kent twee onafhankelijke pijlers: (a) tromboseprofylaxe (op geleide van CHA₂DS₂-
VASc) en (b) symptoom-/frequentie-/ritmebehandeling.
- Frequentiecontrole (rate control): eerste keus bètablokker (metoprolol, bisoprolol);
digoxine als aanvulling of bij intolerantie. Streef naar een rustfrequentie < 110/min
(lenient, conform RACE II). De huisarts kan dit zelf starten.
- Ritmecontrole (rhythm control): herstel/behoud van sinusritme via de cardioloog —
(elektrische/medicamenteuze) cardioversie, antiaritmica (klasse I of III) en/of
katheterablatie.
, - Antistolling: bereken bij élke nieuwe AF-diagnose de CHA₂DS₂-VASc-score; start een
DOAC bij score ≥ 2 (man) of ≥ 3 (vrouw) en bespreek het ook bij score 1 (man)/2
(vrouw). Nieuw in 2024: een DOAC heeft de voorkeur boven een VKA; een VKA alleen
nog bij mechanische klepprothese of matige mitralisklepstenose. De harde leeftijdsgrens
voor verwijzing is vervallen.
3. Complicaties
- Verhoogde kamerfrequentie: vast te stellen via polspalpatie en ECG; bij ≥
110/min en/of inspanningsklachten is er een indicatie voor
frequentiecontrole. Langdurige tachycardie kan een tachycardiomyopathie
(hartfalen) veroorzaken.
- Verhoogd tromboserisico (herseninfarct): door stase in het niet-contraherende
(linker) atrium/hartoor ontstaan trombi die emboliseren. Het risico wordt bepaald met de
CHA₂DS₂-VASc-score (zie vraag onder beleid). Ongeveer 1 op de 5 herseninfarcten
wordt door AF veroorzaakt.
4. Geneesmiddelen — Vaughan-Williams-klassen en antistolling
Klasse Voorbeelden Aangrijpingspunt Effect
Ia / Ic disopyramide / Na⁺-kanaalblokkade ↓ snelheid
flecaïnide, (fase 0) depolarisatie/gelei