Samenvatting sociologie 1.2
- De relatie leggen tussen bevolkingsgroei, huishoudingsverdunning, vergrijzing, immigratie
aan de ene kant en consumptie aan de andere kant:
BEVOLKINGSGROEI
Analyse
In Nederland leven steeds meer mensen. Het aantal ingezetenen groeide van ruim
14 miljoen in 1980 tot bijna 16 miljoen in 2000. Verwacht wordt dat de bevolkingsomvang
door geboorte- en immigratieoverschot tot 2010 met een half miljoen zal
toenemen.
HUISHOUDENSVERDUNNING
Analyse
Verdunning verwijst niet naar kenmerken van personen als wel naar kenmerken van
de huishoudens waarin die personen leven. Het doorsnee Nederlandse huishouden is
in de loop der jaren kleiner geworden.
In 1960 waren er gemiddeld 3,6 leden per huishouden, in 2000 waren dat er nog maar
2,3. Mensen trouwen later en krijgen op latere leeftijd kinderen, of zien daar helemaal
van af. Een eerstgeborene had in 1970 een moeder van rond de 24 jaar oud, in 2000
was die moeder 29. Het krijgen van kinderen werd met de komst van de pil steeds
meer een bewuste keuze. Voor steeds meer jongeren was het volgen van een studie
reden om het krijgen van kinderen uit te stellen.
VERGRIJZING
Analyse
De tweede verandering in de bevolkingssamenstelling is de vergrijzing. De Nederlandse
bevolking wordt gemiddeld steeds ouder.
Niet elk jaar kent evenveel geboortes. Met name in de naoorlogse periode werden
verhoudingsgewijs veel kinderen geboren. Deze ‘prop’ in de bevolkingssamenstelling
manifesteerde zich eerst als een relatief grote groep jongeren (die met name in de
jaren zestig en zeventig luid van zich liet horen). Die ‘baby-boomers’ komen op
leeftijd, hetgeen, gezien hun grote aantal, de leeftijdsopbouw van de bevolking sterk
beïnvloedt. De omvangrijke baby-boom-generatie bereikt in de komende 10 jaar de
seniorenleeftijd, zodat de Nederlandse bevolking verder zal vergrijzen.
Bovendien is de gemiddelde levensverwachting telkens naar boven bijgesteld. Voor
mannen steeg die verwachting bij de geboorte in de afgelopen 20 jaar van 73 naar
75 jaar, voor vrouwen van 79 naar 80 jaar. Ouderen van nu leven niet alleen langer
dan ouderen van enkele decennia generaties geleden, maar zijn ook langer gezond en
vitaal. Ook de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd is sinds 1980 met
een jaar gestegen. Op de 65ste verjaardag mogen mannen zich thans nog op 15 en
vrouwen op 19 levens jaren verheugen.
IMMIGRATIE
Analyse
De eerder gememoreerde groei van de bevolking is slechts gedeeltelijk het gevolg van
een geboorteoverschot (meer geboortes dan sterfgevallen). Een belangrijk deel van
de bevolkingsgroei is terug te voeren op een vestigingsoverschot (meer immigranten
dan emigranten).
,Sinds de jaren zeventig nam het aandeel etnische minderheden in onze bevolking
toe (van 1,5 tot bijna 10 procent). Vooral in de jaren tachtig steeg het aantal allochtonen
snel, deels door gezinshereniging en deels door grootschalige immigratie. Veel
gezins leden van arbeidsmigranten uit Marokko en Turkije voegden zich bij het gezinshoofd
in Nederland en veel personen vanuit Suriname verhuisden naar Nederland. De
huis houdens van allochtonen zijn over het algemeen groter dan die van autochtonen.
De toegenomen immigratie remde daarmee het proces van huishoudensverdunning.
De vier grootste minderheidsgroeperingen zijn afkomstig uit Suriname (29%),
Turkije (26%), Marokko (21%) en van de Antillen en Aruba (10%). Deze groepen
kennen andere tradities dan autochtonen. Vooral oudere allochtonen neigen ertoe vast
te houden aan eigen taal, gewoonten en geloofsovertuiging.
DEMOCRATISERING VAN CONSUMPTIE
Analyse
Vrijwel iedereen leeft in welvaart. Men heeft zodanig veel geld dat men zich meer
of beter kan veroorloven dan het strikt noodzakelijke. Dat is historisch gezien nooit
eerder vertoond. Voorheen waren surplus en luxe steevast slechts aan de elite voorbehouden.
Restricties uit geldgebrek zijn echter goeddeels weggevallen. De toegenomen
welvaart heeft ervoor gezorgd dat steeds meer luxeartikelen aangeschaft konden
worden. Zo zijn de uitgaven aan geluids- en beeldapparatuur tussen 1970 en 1994
ruim verdrievoudigd, waarbij de elektronische uitrusting zich over alle inkomensklassen
verbreidde.
Groeiende aantallen huishoudens konden zich zelfs meerdere televisies, radio’s, fototoestellen
en dergelijke veroorloven. Aldus verscheen binnen het elek tronisch toegeruste
individu ten tonele (Knulst 1995). Vanwege de algemene ver spreiding van
de centrale verwarming hoeven huisgenoten ook in het koude jaargetijde niet meer
met elkaar rond de kachel te zitten. In jongerenkamers verscheen steeds meer elektronische
appa ra tuur. Na de transistorradio en de eenvoudige pick-up deden daar de
hifi stereo-installatie en de televisie hun intrede. Hoewel nog slechts schoorvoetend,
heeft inmiddels ook de pc de weg naar de jongeren kamer gevonden (De Haan en
9 Van den Broek 2000). Door deze privatisering van de huiselijke ruimte kregen meer
mensen een eigen ruimte om met hun eigen elektronische apparatuur hun eigen consumptieve
voorkeuren te volgen.
Voor veel jongeren betekent dat bijvoorbeeld een keuze voor popmuziek, commerciële
zenders en computerspelletjes. De jongerenkamer werd een bastion waarin jongeren
zich aan het toeziend oog van hun ouders kunnen onttrekken. Met hun media genieten
zij er van de zegeningen van de jeugdcultuur, met hun communicatiemiddelen (gsm,
sms, e-mail) onderhouden ze er contact met leeftijdgenoten. Naast de verlengde leerweg,
waardoor jongeren langer dan vroeger gebruikelijk uitsluitend onder leeftijdgenoten
verkeren, werkt ook dit een verdere (her)bevestiging in de jeugdcultuur in
de hand.
Ondertussen kunnen de ouders in de huiskamer ongestoord hun eigen gang gaan.
Zo ontstonden er binnen huishoudens meer mogelijkheden om individueel de eigen
in teresses te volgen. Een volgende stap in de individualisering van consumptiepatronen
binnen het huishouden is de transformatie van de auto van een gezinsvervoermiddel
tot een individueel vervoermiddel. Hier doen zich in de regel echter nog wel
geldelijke (en leeftijds)restricties gelden. Het laatste voorbehoud laat onverlet dat de
welvaartsgroei, en de in Nederland-polderland verhoudingsgewijs tamelijk egalitaire
verdeling daarvan, meer producten en meer activiteiten binnen het fi nanciële bereik
van meer mensen heeft gebracht. Die toegenomen activiteit moest vaak in minder
uren vrije tijd worden ingepast. Dit leidde tot een zekere vervluchtiging van de
, vrijetijdsbesteding en droeg bij aan het ontstaan van een zapcultuur. De ene activiteit
werd steeds makkelijker voor de ander ingewisseld.
Op soortgelijke wijze droeg het gestegen opleidingsniveau ertoe bij dat restricties in
de vorm van gebrek aan kennis verminderden. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn
jonge ren massaal het voortgezet en hoger onderwijs ingestroomd. Jongeren betreden
beter opgeleid dan ooit het consumptieve domein. Met de verworven kennis zijn zij in
beginsel ook in staat tot consumptie die een beroep doet op kennis en vaardigheden.
Het meest sprekende voorbeeld in dit verband is de consumptie van kunst. Hoewel
verwacht had mogen worden dat het hogere opleidingsniveau meer mensen voor kunst
ont vanke lijk maakt, is deze alleszins reële culturele groei verwachting niet ingelost.
Er worden weliswaar meer boeken verkocht dan tien jaar geleden, maar er wordt
minder gelezen. Ook amateurkunst wordt minder intensief beoefend en het bezoek
aan toneel en ballet stagneert. Het museum bezoek steeg wel min of meer conform
ver wachting, vooral doordat het museum aansluiting wist te vinden bij de toe genomen
recreatief-toeristische activiteit. Ook het aantal galeries is in de tweede helft van de
jaren negentig gestegen. Meer opleiding biedt consumenten in beginsel een breder
repertoire aan keuze mogelijk heden. De kunstconsumptie profi teerde hier niet volledig
van. Blijkbaar was de concur rentie van andere vormen van consumptie op de
(vrijetijds)markt te groot (Knulst 1992; Van den Broek en De Haan 2000).
Sociologie: Wetenschap die het samenleven van mensen binnen grotere en kleinere verbanden
bestudeert
• Sociologisch perspectief: het algemene in het bijzondere zien
• Empirisch daadwerkelijk de samenleving in gaan
• Sociologie van consumenten
- Beschrijven wat er wordt bedoeld met het begrip status en kan dit toepassen:
De sociale status is het aanzien, de eer, de prestige die iemand verwerft en met zich meedraagt in de
sociale groep of samenleving waarin die persoon zich begeeft. Status kan verkregen worden door
toewijzing (ascription) waarbij persoonlijke invloed geen rol speelt, of verwerving (achievement)
waar dit wel het geval is.
Basisbegrippen
- Basis
- Sociaal economische status
- Beroepsprestige
- Inkomen
- Opleidingsniveau
- Samenleving/groeperingen
Groepen
Sociale categorieën: kinderen, ouderen, allochtonen, gezinnen, alleenstaanden
culturen: Cultuur, Sociologische definitie, Normen, Waarden
Sociale categorieen:
Hoe zit de Nederlandse samenleving in elkaar?
Trends: onderzoek aan de hand van sociaaldemografische en economische ontwikkelingen
• Bevolkingsgroei
• Huishoudensverdunning
• Vergrijzing
• Immigratie
- De relatie leggen tussen bevolkingsgroei, huishoudingsverdunning, vergrijzing, immigratie
aan de ene kant en consumptie aan de andere kant:
BEVOLKINGSGROEI
Analyse
In Nederland leven steeds meer mensen. Het aantal ingezetenen groeide van ruim
14 miljoen in 1980 tot bijna 16 miljoen in 2000. Verwacht wordt dat de bevolkingsomvang
door geboorte- en immigratieoverschot tot 2010 met een half miljoen zal
toenemen.
HUISHOUDENSVERDUNNING
Analyse
Verdunning verwijst niet naar kenmerken van personen als wel naar kenmerken van
de huishoudens waarin die personen leven. Het doorsnee Nederlandse huishouden is
in de loop der jaren kleiner geworden.
In 1960 waren er gemiddeld 3,6 leden per huishouden, in 2000 waren dat er nog maar
2,3. Mensen trouwen later en krijgen op latere leeftijd kinderen, of zien daar helemaal
van af. Een eerstgeborene had in 1970 een moeder van rond de 24 jaar oud, in 2000
was die moeder 29. Het krijgen van kinderen werd met de komst van de pil steeds
meer een bewuste keuze. Voor steeds meer jongeren was het volgen van een studie
reden om het krijgen van kinderen uit te stellen.
VERGRIJZING
Analyse
De tweede verandering in de bevolkingssamenstelling is de vergrijzing. De Nederlandse
bevolking wordt gemiddeld steeds ouder.
Niet elk jaar kent evenveel geboortes. Met name in de naoorlogse periode werden
verhoudingsgewijs veel kinderen geboren. Deze ‘prop’ in de bevolkingssamenstelling
manifesteerde zich eerst als een relatief grote groep jongeren (die met name in de
jaren zestig en zeventig luid van zich liet horen). Die ‘baby-boomers’ komen op
leeftijd, hetgeen, gezien hun grote aantal, de leeftijdsopbouw van de bevolking sterk
beïnvloedt. De omvangrijke baby-boom-generatie bereikt in de komende 10 jaar de
seniorenleeftijd, zodat de Nederlandse bevolking verder zal vergrijzen.
Bovendien is de gemiddelde levensverwachting telkens naar boven bijgesteld. Voor
mannen steeg die verwachting bij de geboorte in de afgelopen 20 jaar van 73 naar
75 jaar, voor vrouwen van 79 naar 80 jaar. Ouderen van nu leven niet alleen langer
dan ouderen van enkele decennia generaties geleden, maar zijn ook langer gezond en
vitaal. Ook de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd is sinds 1980 met
een jaar gestegen. Op de 65ste verjaardag mogen mannen zich thans nog op 15 en
vrouwen op 19 levens jaren verheugen.
IMMIGRATIE
Analyse
De eerder gememoreerde groei van de bevolking is slechts gedeeltelijk het gevolg van
een geboorteoverschot (meer geboortes dan sterfgevallen). Een belangrijk deel van
de bevolkingsgroei is terug te voeren op een vestigingsoverschot (meer immigranten
dan emigranten).
,Sinds de jaren zeventig nam het aandeel etnische minderheden in onze bevolking
toe (van 1,5 tot bijna 10 procent). Vooral in de jaren tachtig steeg het aantal allochtonen
snel, deels door gezinshereniging en deels door grootschalige immigratie. Veel
gezins leden van arbeidsmigranten uit Marokko en Turkije voegden zich bij het gezinshoofd
in Nederland en veel personen vanuit Suriname verhuisden naar Nederland. De
huis houdens van allochtonen zijn over het algemeen groter dan die van autochtonen.
De toegenomen immigratie remde daarmee het proces van huishoudensverdunning.
De vier grootste minderheidsgroeperingen zijn afkomstig uit Suriname (29%),
Turkije (26%), Marokko (21%) en van de Antillen en Aruba (10%). Deze groepen
kennen andere tradities dan autochtonen. Vooral oudere allochtonen neigen ertoe vast
te houden aan eigen taal, gewoonten en geloofsovertuiging.
DEMOCRATISERING VAN CONSUMPTIE
Analyse
Vrijwel iedereen leeft in welvaart. Men heeft zodanig veel geld dat men zich meer
of beter kan veroorloven dan het strikt noodzakelijke. Dat is historisch gezien nooit
eerder vertoond. Voorheen waren surplus en luxe steevast slechts aan de elite voorbehouden.
Restricties uit geldgebrek zijn echter goeddeels weggevallen. De toegenomen
welvaart heeft ervoor gezorgd dat steeds meer luxeartikelen aangeschaft konden
worden. Zo zijn de uitgaven aan geluids- en beeldapparatuur tussen 1970 en 1994
ruim verdrievoudigd, waarbij de elektronische uitrusting zich over alle inkomensklassen
verbreidde.
Groeiende aantallen huishoudens konden zich zelfs meerdere televisies, radio’s, fototoestellen
en dergelijke veroorloven. Aldus verscheen binnen het elek tronisch toegeruste
individu ten tonele (Knulst 1995). Vanwege de algemene ver spreiding van
de centrale verwarming hoeven huisgenoten ook in het koude jaargetijde niet meer
met elkaar rond de kachel te zitten. In jongerenkamers verscheen steeds meer elektronische
appa ra tuur. Na de transistorradio en de eenvoudige pick-up deden daar de
hifi stereo-installatie en de televisie hun intrede. Hoewel nog slechts schoorvoetend,
heeft inmiddels ook de pc de weg naar de jongeren kamer gevonden (De Haan en
9 Van den Broek 2000). Door deze privatisering van de huiselijke ruimte kregen meer
mensen een eigen ruimte om met hun eigen elektronische apparatuur hun eigen consumptieve
voorkeuren te volgen.
Voor veel jongeren betekent dat bijvoorbeeld een keuze voor popmuziek, commerciële
zenders en computerspelletjes. De jongerenkamer werd een bastion waarin jongeren
zich aan het toeziend oog van hun ouders kunnen onttrekken. Met hun media genieten
zij er van de zegeningen van de jeugdcultuur, met hun communicatiemiddelen (gsm,
sms, e-mail) onderhouden ze er contact met leeftijdgenoten. Naast de verlengde leerweg,
waardoor jongeren langer dan vroeger gebruikelijk uitsluitend onder leeftijdgenoten
verkeren, werkt ook dit een verdere (her)bevestiging in de jeugdcultuur in
de hand.
Ondertussen kunnen de ouders in de huiskamer ongestoord hun eigen gang gaan.
Zo ontstonden er binnen huishoudens meer mogelijkheden om individueel de eigen
in teresses te volgen. Een volgende stap in de individualisering van consumptiepatronen
binnen het huishouden is de transformatie van de auto van een gezinsvervoermiddel
tot een individueel vervoermiddel. Hier doen zich in de regel echter nog wel
geldelijke (en leeftijds)restricties gelden. Het laatste voorbehoud laat onverlet dat de
welvaartsgroei, en de in Nederland-polderland verhoudingsgewijs tamelijk egalitaire
verdeling daarvan, meer producten en meer activiteiten binnen het fi nanciële bereik
van meer mensen heeft gebracht. Die toegenomen activiteit moest vaak in minder
uren vrije tijd worden ingepast. Dit leidde tot een zekere vervluchtiging van de
, vrijetijdsbesteding en droeg bij aan het ontstaan van een zapcultuur. De ene activiteit
werd steeds makkelijker voor de ander ingewisseld.
Op soortgelijke wijze droeg het gestegen opleidingsniveau ertoe bij dat restricties in
de vorm van gebrek aan kennis verminderden. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn
jonge ren massaal het voortgezet en hoger onderwijs ingestroomd. Jongeren betreden
beter opgeleid dan ooit het consumptieve domein. Met de verworven kennis zijn zij in
beginsel ook in staat tot consumptie die een beroep doet op kennis en vaardigheden.
Het meest sprekende voorbeeld in dit verband is de consumptie van kunst. Hoewel
verwacht had mogen worden dat het hogere opleidingsniveau meer mensen voor kunst
ont vanke lijk maakt, is deze alleszins reële culturele groei verwachting niet ingelost.
Er worden weliswaar meer boeken verkocht dan tien jaar geleden, maar er wordt
minder gelezen. Ook amateurkunst wordt minder intensief beoefend en het bezoek
aan toneel en ballet stagneert. Het museum bezoek steeg wel min of meer conform
ver wachting, vooral doordat het museum aansluiting wist te vinden bij de toe genomen
recreatief-toeristische activiteit. Ook het aantal galeries is in de tweede helft van de
jaren negentig gestegen. Meer opleiding biedt consumenten in beginsel een breder
repertoire aan keuze mogelijk heden. De kunstconsumptie profi teerde hier niet volledig
van. Blijkbaar was de concur rentie van andere vormen van consumptie op de
(vrijetijds)markt te groot (Knulst 1992; Van den Broek en De Haan 2000).
Sociologie: Wetenschap die het samenleven van mensen binnen grotere en kleinere verbanden
bestudeert
• Sociologisch perspectief: het algemene in het bijzondere zien
• Empirisch daadwerkelijk de samenleving in gaan
• Sociologie van consumenten
- Beschrijven wat er wordt bedoeld met het begrip status en kan dit toepassen:
De sociale status is het aanzien, de eer, de prestige die iemand verwerft en met zich meedraagt in de
sociale groep of samenleving waarin die persoon zich begeeft. Status kan verkregen worden door
toewijzing (ascription) waarbij persoonlijke invloed geen rol speelt, of verwerving (achievement)
waar dit wel het geval is.
Basisbegrippen
- Basis
- Sociaal economische status
- Beroepsprestige
- Inkomen
- Opleidingsniveau
- Samenleving/groeperingen
Groepen
Sociale categorieën: kinderen, ouderen, allochtonen, gezinnen, alleenstaanden
culturen: Cultuur, Sociologische definitie, Normen, Waarden
Sociale categorieen:
Hoe zit de Nederlandse samenleving in elkaar?
Trends: onderzoek aan de hand van sociaaldemografische en economische ontwikkelingen
• Bevolkingsgroei
• Huishoudensverdunning
• Vergrijzing
• Immigratie