Vraag 1
In hoofdstuk 3 van Todd Rose (De mythe van het gemiddelde) wordt het
werk van Peter Molenaar besproken over 'ergodiciteit'. Volgens Molenaar is
het een fundamentele fout in de psychologie om groepsgemiddelden toe
te passen op individuen. Aan welke twee voorwaarden moet een systeem
voldoen om groepsgemiddelden wél geldig te kunnen toepassen op een
individu?
a. Individuen moeten fundamenteel hetzelfde functioneren én individuen
mogen niet veranderen over de tijd.
b. Individuen moeten intra-individuele variatie vertonen én het
meetinstrument moet gestandaardiseerd zijn.
c. Het gedrag moet een normaalverdeling volgen én de omgevingscontext
moet constant worden gehouden.
d. De eigenschap moet biologisch gegrond zijn én de steekproefgrootte (N)
moet representatief zijn voor de populatie.
Vraag 2
Welke van de volgende uitspraken passen bij het medische ziektemodel
(latente variabele model) van psychopathologie, en welke bij de complexe
netwerkbenadering? Vink de juiste antwoorden aan.
a. In het medische model worden symptomen (zoals slapeloosheid en
somberheid) gezien als uitingen van een onderliggende, onzichtbare
oorzaak (depressie).
b. In een netwerkmodel vormen de symptomen zélf het probleem doordat
ze elkaar in een feedbackloop in stand houden.
c. Binnen het medische model is het doel van psychotherapie het
destabiliseren van een attractor.
d. Het netwerkmodel gaat ervan uit dat elke psychische aandoening
uiteindelijk te herleiden is tot één defect hersengebied.
Vraag 3
In het artikel van Sanne Te Meerman over ADHD wordt het begrip
'reïficatie' centraal gesteld. Wat is het belangrijkste gevolg van het
reïficeren van ADHD in de onderwijscontext, volgens dit artikel?
a. Het leidt tot een toename van effectieve, op maat gemaakte didactische
interventies in de klas.
,b. Het versterkt het 'stoornisme' doordat leerkrachten zich juist meer
verantwoordelijk voelen voor de pedagogische aanpak.
c. Problemen worden gelokaliseerd in het kind, waardoor leerkrachten zich
minder bevoegd en verantwoordelijk voelen voor de pedagogische
aanpak.
d. Het zorgt ervoor dat de diagnose sneller wordt gesteld bij oudere
kinderen in de klas in plaats van bij jongere kinderen.
Vraag 4
Volgens de dynamische systeemtheorie, toegepast op antisociaal gedrag
door Granic & Patterson (2006), wat is de rol van 'rigiditeit' binnen een
gezinssysteem?
a. Rigiditeit zorgt voor stabiliteit, wat essentieel is om kinderen uit het
early-onset trajectory te halen.
b. Rigide gezinnen kunnen moeilijk schakelen tussen verschillende emoties
en interactiestijlen, waardoor ze een beperkt gedragsrepertoire
ontwikkelen en vast komen te zitten in negatieve attractoren.
c. Rigiditeit is een kenmerk van de faseovergang in de adolescentie,
waarin jongeren via deviancy training vaste gedragspatronen aanleren.
d. Rigiditeit verwijst naar de biologische aanleg van het kind die
onveranderlijk (rigide) blijkt te zijn, ongeacht de opvoeding.
Vraag 5
Anna Bosman bekritiseert de stelling dat dyslexie een aantoonbare,
aangeboren stoornis is. Welke van de volgende argumenten gebruikt zij ter
ondersteuning van haar kritiek? Vink de juiste antwoorden aan.
a. Dyslexie wordt gediagnosticeerd door een kind te vergelijken met
anderen (de zwakste 10%), waardoor de norm meeschuift als het
algemene leesniveau stijgt.
b. Het is een cirkelredenering: een kind leest slecht omdat het dyslexie
heeft, en we weten dat het dyslexie heeft omdat het slecht leest.
c. Het feit dat er geen specifieke genen zijn gevonden, bewijst dat lezen
uitsluitend door de omgeving (opvoeding) wordt bepaald.
d. Intra-individuele variatie is normaal; het is niet vreemd dat een zeer
intelligent kind moeite kan hebben met een specifieke vaardigheid zoals
verklanken.
Vraag 6
,Het 'cusp catastrophe model' wordt door Hufford et al. (2003) gebruikt om
terugval in alcoholverslaving te modelleren. Waarom is een lineair model
hier volgens de auteurs ongeschikt voor?
a. Omdat terugval alleen voorkomt bij patiënten met een specifieke
genetische kwetsbaarheid.
b. Omdat een toename in risicofactoren niet altijd leidt tot een geleidelijke
toename in alcoholgebruik; terugval gebeurt vaak via een abrupte,
plotselinge faseovergang.
c. Omdat lineaire modellen geen rekening houden met de 'early warning
signals' zoals de leeftijd waarop iemand begon met drinken.
d. Omdat een lineair model er ten onrechte van uitgaat dat distale
factoren (zoals familiegeschiedenis) onbelangrijk zijn.
Vraag 7
Binnen het enactivisme (Sanneke de Haan) is 'sense-making' een cruciaal
begrip om de existentiële dimensie van de psychiatrie te begrijpen. Wat
wordt hiermee bedoeld in de context van psychiatrische stoornissen?
a. Het biologische proces waarbij neurotransmitters betekenis geven aan
zintuiglijke prikkels.
b. De objectieve manier waarop de maatschappij (het systeem)
betekenissen oplegt aan de patiënt via diagnoses.
c. Het proces waarbij een persoon (reflexief) betekenis geeft aan zijn
omgeving en zijn eigen ervaringen, wat een fundamentele rol speelt in het
ontstaan en in stand houden van psychisch lijden.
d. De methode die psychiaters gebruiken om tijdens een intakegesprek
een symptoomnetwerk te vertalen naar een werkbare diagnose.
Vraag 8
Wat is de belangrijkste conclusie uit het onderzoek van Zakzanis en Jeffay
(2011) naar cognitieve variabiliteit bij hoogfunctionerende individuen
(PhD-medewerkers)?
a. Hoogfunctionerende individuen vertonen een zeer stabiel (flat) cognitief
profiel over alle testdomeinen.
b. Bijna alle deelnemers vertoonden aanzienlijke variatie tussen
testscores, waarbij sommigen op bepaalde onderdelen zelfs op het niveau
van een verstandelijke beperking scoorden.
c. Intra-individuele variabiliteit in testscores is een sterke voorspeller van
milde traumatische hersenschade (mTBI).
, d. Het CHC-model van intelligentie is niet van toepassing op volwassenen
met een hoog opleidingsniveau.
Vraag 9
In de casus van Rens en Emma (Graafstal & Heijligers) wordt de methode
'Beweging-als-houvast' beschreven. Welk principe uit de complexe
systeemtheorie wordt hier in de praktijk gebracht wanneer Emma besluit
om mee te tikken en te wiegen met Rens?
a. Deviancy training
b. Entrainment (synchronisatie)
c. Critical slowing down
d. Hysterese
Vraag 10
Wijnants et al. (2012) onderzochten dyslexie vanuit een 'interaction-
dominant perspective'. Zij vonden dat dyslectische lezers minder 1/f-noise
(pink noise) lieten zien in hun reactietijden dan niet-dyslectische lezers.
Wat betekent dit volgens de theorie? Vink de juiste antwoorden aan.
a. Bij kinderen met dyslexie is één specifiek cognitief onderdeel (zoals het
werkgeheugen) defect.
b. Het leessysteem van kinderen met dyslexie is minder goed
georganiseerd en gecoördineerd; de samenwerking tussen processen
verloopt minder stabiel.
c. Gezonde systemen vertonen een balans tussen stabiliteit en flexibiliteit,
wat zich uit in 1/f-noise.
d. Dyslectische lezers tonen een volledig lineair patroon zonder enige
variatie.
Vraag 11
In het artikel over 'stoornisme' (De Ridder & Van Hulst) wordt betoogd dat
stoornisme paradoxaal genoeg zowel te weinig als te veel individualiseert.
Hoe moet deze paradox begrepen worden?
a. Het verklaart problemen uitsluitend vanuit het individu (te veel
individualisering van de oorzaak), maar negeert de unieke persoonlijke
betekenis en bredere context door de patiënt te reduceren tot een
algemeen stoornismodel (te weinig oog voor het ware individu).
b. Het geeft de patiënt te veel persoonlijke verantwoordelijkheid, terwijl de
behandelaar te weinig gepersonaliseerde medicatie voorschrijft.