Inleiding: historisch perspectief
- Enorme evolutie -> nu slechts voor batje een volledige genoomanalyse
- Vele zeldzame aandoeningen
Preformatie: Homunuclus in spermacel (animalculism) of in eicel (ovisme)
2 strekkingen binnen de preformatieleer (homunuclus enkel groeien)
1. Animalisme
2. Ovulisme
Darwin’s hypothese van Pangenesis: de theorie van ‘blending gemulles’
Blending van gemmulus: minuscule erfelijke deeltjes die informatie over de toestand van die specifieke cel
bevatten -> combinatie zaadcel + eicel gemulles
,Francis Galton - Hereditaire Genius
- Darwin’s neefje = nepo-baby
- Grondlegger nature-nurture principe + eugenetica (genetische intelligentie)
- Experimentje gemulleshypothese met konijntjes: bloed wit konijntje in zwart konijntje -> zwart
keuntje moet wit worden? -> Nope, keuntjes blijven wit!
Van Mendel naar Telomeer-2-Tel
- Serendipity!! Even grote onderzoekers die wat minder geluk hadden door verkeerede organismes te
onderzoeken
- Humane fenotypische kenmerken niet volledig monogenetisch bepaald, ziektes wel
- ABO-gen = monogenetisch kenmerk!!!
Dominant vs recessief
- Dominant = steeds tot expressie
- Recessief = Een allel dat alleen tot expressie komt in het fenotype wanneer er geen dominant
allel aanwezig is (dus enkel in homozygote toestand, bv. aa)
Homozygoot vs heterozygoot vs hemizygoot
- Homozygoot = 2x zelfde allel
- Heterozygoot = 2 verschillende allelen
- Hemizygoot = slechts 1 allel aanwezig (bij mannen voor genen op het X-chromosoom)
Compound heterozygoot (recessieve aandoeningen!)
- Compound heterozygoot = 2 verschillende mutaties in hetzelfde gen
- typisch voor recessieve ziekten
- functioneel gelijk aan homozygoot mutant (→ beide allelen defect)
,Codominantie en onvolledige dominantie
- Onvolledige dominantie (vb. roze bloemen) -> Intermediair fenotype
- Codominantie (vb ABO-bloedgroep: zowel A als B antigeen tot uiting) -> Beide fenotypes apart
+ tegelijk
OMIM
Database voor fenotypisch/ziektebeelden geassocieerde genen (5.000 genen -> 8.000 ziektes)
Stambomen: conventies
Obligaatdragers = Obv stamboom dragerschap vaststellen van
een recessief allel (bijvoorbeeld de gezonde ouders van een kind
met een recessieve ziekte)
“Mutaties” <<< “Varianten”!!
- Beninge vs maligne varianten
- Mutaties: inducties door externe factoren
Autosomaal dominante overerving
1 afwijkend allel op autosoom voldoende om de ziekte te veroorzaken
- in elke generatie (verticaal)
- elk aangedaan kind, min. 1 aangetaste ouder
- zowel M, V
- Kans overdracht bij aangedane ouder (heterozygoot): 50%
Autosomaal recessieve overerving
Bij AR overerving komt de ziekte alleen tot uiting als beide allelen
(homozygoot) afwijkend
- Horizontaal patroon
- Aangedane persoon gezonde ouders (beiden dragers)
, Consanguinity – “bloedverwantschap)”
Consanguiniteit verhoogt de kans op Autosomaal Recessieve aandoeningen
De chromosomale basis van erfelijkheid
“rediscovery of Mendel" by Hugo de Vries, Carl Correns and Erich von Tschermak
Flemming – grondlegger van de cytogenetica (mitosis)
Chromosomen tijdens celdeling -> studie van mitose
Boveri–Sutton chromosome theory: study of meiosis
- Meiotische celdeling bij parasieten, sprinkhanen-> 46 chromosomen verdeeld in 2x23
gameten, verssmelting!
- Hypothese: chromosomen = erfelijk materiaal
Nettie Stevens: De chromosomale basis van geslacht
Y-chromosoom = mannelijk fenotype -> SRY-gen