LEERSTOORNISSEN
LES 1: LEERSTOORNISSEN
1. Leerstoornissen
1.1. Leerproblemen vs. leerstoornissen
1.1.1. DSM-V criteria
1.1.1.1. Dyslexie
1.1.1.2. Dyscalculie
1.1.1.3. Ernst
1.1.1.4. Opmerkingen
• Ondanks inteventie
• Niet beter verklaard door
• Significant negatieve invloed
1.1.2. Dyslexie en dyscalculie
1.1.3. In de praktijk
1.1.3.1. Remedial teaching en (orthodidactische) behandeling
1.1.3.1.1. Remedial teaching
1.1.3.1.2. (Orthodidactische) Behandeling
1.1.3.2. Praktijk: redelijke aanpassingen
1.1.4. Psychologische impact
1.1.5. (Leer)stoornis, beperking en handicap
2. Onderwijspsychologie
2.1. Onderwijspsycholoog
2.1.1. Expert
2.1.2. Hulpverlener
2.1.3. Scientist-practioner
1
, 2.1.4. Professional
2.1.5. Communicator
2.1.6. Samenwerkingspartner
2.1.7. Systeemondersteuner
2.2. Onderwijspsychologie
2.2.1. Rolverwarring
2.2.2. Positie onderwijspsycholoog
2.3. Onderwijs in Vlaanderen
2.3.1. Issues
2.3.2. Zittenblijven
2.3.3. Educational tracking
2.3.4. Technologie in het onderwijs (zie verder les 9)
LES 2: LEES (ONWTIKKELINGS)THEORIEËN
1. Theoretische modellen van lezen
1.1. Standaardmodel
1.1.1. Soorten regels
1.1.2. Evidentie voor het standaardmodel
1.1.2.1. Argumenten voor een NIET-lexicale route
• Pseudowoorden
• Regelmatigheidse_ect
• Oppervlakte dyslexie
1.1.2.2. Argumenten voor lexicale route
• Uitzonderingswoorden
• Logografen & homogenen
• Woordsuperioriteitse_ect
• Woordfrequentie-e_ect
• Diepte-dyslexie
1.1.3. Beperkingen van het standaardmodel
1.1.3.1. Volledige bottop-up
1.1.3.2. Woordsuperioriteitse_ect moeilijk te verklaren
2
,1.2. Interactieve-activatiemodel (IAM) – McClelland & Rumelhart (1981)
1.2.1. 4 kenmerken
1.2.1.1. Meer in detail
1.2.1.2. BU + TD
1.2.1.3. Meer aandacht voor fonologisch niveau
1.2.1.4. Feedbackloops
1.2.2. Combinatie van bottom-up en top-down
1.2.2.1. Woordsuperioriteitse_ect
1.2.2.2. Woordfrequentie-e_ect
1.2.2.3. Woord met fout kan nog correct gelezen worden
1.2.2.4. Top-down + bottom-up
1.2.3. Fonologische verwerking
1.2.4. Experiment (Van Orden, 1987)
1.3. Dual route cascaded model (Coltheart et al, 1993)
1.3.1. Kenmerken
1.3.1.1. Verdere uitwerking lexicale route
1.3.1.2. Letter-in woord e_ect
1.3.1.3. Pseudowoordsuperioriteitse_ect
1.3.2. Kritieken
1.3.2.1. Ontwikkelingsperspectief
1.3.2.2. Includeren fonologie (parallel vs. serieel)
1.4. Het connectionistisch model (Van Orden & Goldinger, 1994)
1.4.1. Twee eigenschappen
1.4.1.1. Covariaat leren
1.4.1.2. Zelfconsistentie
1.4.2. Fonologsiche mediatietheorie
1.4.2.1. Fonologische codering domineert woordherkenning
3
, 1.4.3. Plasticiteits-stabiliteits dilemma
1.5. Leesontwikkelingstheorieën
1.5.1. Stage-based theorieën
1.5.1.1. Fasetheorie van Frith (1985)
1.5.1.1.1. Fasen
I. Logografische fase
II. Alfabetische fase
III. Orthografische fase
1.5.1.2. Leesstadia Ehri (1984)
1.5.1.2.1. Fasen
I. Pre-alfabetische fase
• Experiment: Masonheimer, Drum & Ehri
• Experiment: Bloodgrood & Treiman and Broderick
• Overgang van pre-naar partieel alfabetische fase
II. Partieel alfabetische fase
III. Volledig alfabetische fase
• Experiment: Mason
• Experiment: Ehri & Wilce
IV. Geconsolideerde alfabetische fase
V. Geautomatiseerde fase
1.5.2. Item-based theorieën
1.5.2.1. Leesontwikkeling Ehri
1.5.2.2. Item-based self-teaching hypothese (Share, 1995)
1.5.2.3. Praktijk
1.5.2.3.1. Digitaal
2. Leren lezen
2.1. Leesmethoden – phonics
2.2. Leesmethoden – whole language
2.3. Aanleren van teken-klank koppelingen
4