Les 1 micro: inleiding economische terminologie
Economie: Economische wetenschap is de studie van het welvaartsleven van de mens.
Economie handelt over de menselijke inspanningen om zoveel mogelijk behoe;en te
bevredigen rekening houdend met schaarse, alterna=ef aanwendbare middelen.
Behoe*e: Is het aanvoelen van een tekort en het verlangen om dit tekort op te heffen, het is
universeel en oneindig
Schaarse middelen: Zijn in onvoldoende mate aanwezig om volledig in alle behoe;es van
alle mensen te kunnen voorzien.
Economische goederen: Economische goederen zijn alle schaarse, stoffelijke goederen of
menselijke presta=es die de eigenschap beziBen te kunnen dienen tot het bevredigen van
menselijke behoe;en.
Produc6e & produc6efactoren: Produc=e hee; betrekking op het combineren van
produc=efactoren. In de bedrijven met het oog op het creëren van nuEgheid of toevoegen
van waarde aan economische goederen. Investeringen zijn een toevoeging van extra reële
produc=emiddelen aan de bestaande hoeveelheid kapitaalgoederen. Produc=e zorgt voor
het aanbod op de markt.
Welvaart: Mate waarin men behoe;en met schaarse middelen kan bevredigen
Welzijn: Bevredigen van behoe;es die geen beslag leggen op schaarse middelen of hiervoor
niet geschikt zijn.
Schaarse= niet voldoende aanwezig als het gra=s zou zijn. Schaarste is de kern van de
economische wetenschap.
Keuzeprobleem: schaarse goederen hebben een prijs maar elke mens hee7 een beperkt
budget waardoor het soms las:g is om bepaalde goederen te kunnen kopen.
Les 2 micro: de marktvraag
2.1 de prijsvorming op de markt met volkomen/volmaakte mededinging
Consumenten: mensen die iets willen kopen voor het liefst voor een laag prijs
Producenten: mensen die iets willen verkopen, willen juist veel geld krijgen voor hun
producten
à bepalen samen het marktaanbod
Als deze twee groepen elkaar ontmoeten op de markt, ontstaat er volledige mededinging.
Dat betekent dat niemand de prijs zelf bepaalt. Hierdoor komt er een evenwichtsprijs: dat is
de prijs waarbij vraag en aanbod precies gelijk zijn. De evenwichtshoeveelheid is het aantal
producten dat bij die prijs verkocht wordt.
1
, 2.2 De marktvraag
De marktvraag is de totale hoeveelheid van een product die alle consumenten samen willen
kopen, bij verschillende prijzen, binnen een bepaalde periode. We nemen aan dat andere
dingen niet veranderen (zoals je inkomen of de prijs van andere producten). Dat noemen we
ceteris paribus. à De marktvraag is dus het totaal van wat alle consumenten willen kopen.
De vraagfunc=e van één individuele consument gee; het verband tussen de gevraagde
hoeveelheid van een goed 1 (q1) en de prijs van het goed 1 (p1), de prijs van andere
producten (p2, p3,...) en zijn inkomen (Y).
Q1 = f (p1, p2, p3,...,Y)
Bij een par=ële analyse wordt het inkomen en de prijzen van andere goederen als constant
beschouwd (ceteris paribus).
2.3 De vraagvergelijking of vraagfunc6e
De vraagfunc=e toont hoeveel van een goed consumenten willen kopen bij verschillende
prijzen. Een voorbeeld is:
QT-shirts = 16 - 0,2 PT-shirts
• 16: de hoeveelheid die mensen willen kopen als de prijs 0 is (autonome vraag).
• 0,2: de snelheid waarmee de vraag daalt als de prijs s=jgt.
De helling van de vraagcurve is al=jd nega=ef: de vraag daalt wanneer de prijs s=jgt.
2.4 wet van de vraag
• Wanneer de prijs s=jgt, daalt de gevraagde hoeveelheid
• Wanneer de prijs daalt, s=jgt de gevraagde hoeveelheid
2.5 prijselas6citeit
De prijsgevoeligheid van de vraag gee; weer hoe sterk het effect is van een prijswijziging op
de gevraagde hoeveelheid. à Hoe sterk reageren mensen op een prijsverandering
De prijsgevoeligheid (of prijselas=citeit) wordt weergegeven door de
prijselas=citeitcoëfficiënt. De prijselas=citeitcoëfficiënt gee; de verhouding weer van de
rela=eve wijziging in de gevraagde hoeveelheid tot de rela=eve prijswijziging.
De prijselas=citeit van de vraag wordt gemeten door de verhouding van de procentuele
verandering van de gevraagde hoeveelheid t.o.v. de procentuele verandering van de prijs.
= 0 à pefect prijsinela6sch Een prijsverandering hee* GEEN effect op
de gevraagde hoeveelheid
vb. levensnoodzakelijke medicijnen, alle
noodgoederen
0< en <1 à prijsinela6sch het effect op gevraagde hoeveelheid is
kleiner dan de prijsverandering vb. brood
= 1 à unitair elas6sch het effect op de gevraagde hoeveelheid is
even groot als de prijswijziging
2
, >1 à prijselas6sche het effect op de gevraagde hoeveelheid is
groter dan de prijswijziging vb. bij
luxegoederen
= oneinding à perfect elas6sch het effect op de vraag van een kleine
prijswijziging is oneindig groot
= bij de start van de vraag, of consump=e
2.6 wat bepaalt de prijsgevoeligheid van de vraag?
De vraag is gevoeliger voor prijsveranderingen als er veel vervangproducten zijn
(bijvoorbeeld cola vs. fanta), het product niet essen=eel is (zoals luxeproducten), het een
groot deel van je budget uitmaakt of als je meer =jd hebt om na te denken of te vergelijken.
De omzet wordt beïnvloed door zowel de prijs als de hoeveelheid en kan worden berekend
door prijs × hoeveelheid.
2.7 andere factoren met invloed op de vraag
Naast de prijs kunnen ook andere factoren de vraag beïnvloeden, zoals het inkomen (Y), de
prijs van andere goederen (subs=tuten en complementaire goederen) en autonome
veranderingen zoals mode en trends. Als het inkomen s=jgt of daalt, verandert meestal ook
de vraag. Verder kunnen veranderingen in de prijzen van subs=tuten (vervangbare goederen)
of complementaire goederen (die samen gebruikt worden) de vraag beïnvloeden.
2.8 invloed van inkomen op de vraag
Als je inkomen s=jgt, s=jgt meestal ook de hoeveelheid die je wilt kopen, en omgekeerd.
Volgens de Wet van Engel, ontdekte Engel in de 19e eeuw dat mensen bij een s=jging van
hun inkomen procentueel minder uitgeven aan basisgoederen zoals voeding en rela=ef meer
aan luxegoederen.
2.9 soorten goederen
Er zijn verschillende typen goederen aaankelijk van de invloed van het inkomen op de vraag.
Superieure goederen (ook wel normale goederen genoemd) zijn goederen waarvan de vraag
s=jgt wanneer het inkomen s=jgt, en omvaBen zowel primaire als luxe goederen. Inferieure
goederen zijn goederen waarvan de vraag daalt wanneer het inkomen s=jgt.
2. 10 inkomenselas6c6teit van de vraag
De inkomenselas=citeit meet hoe de vraag naar een product verandert wanneer het
inkomen verandert. Dit wordt gemeten door de verhouding van de procentuele verandering
in de gevraagde hoeveelheid ten opzichte van de procentuele verandering in het inkomen. Er
zijn verschillende types inkomenselas=citeit:
=0 Superieure goederen
0< en <1 Inkomensinela=sche goederen= primaire of noodzakelijke
goederen
=1à Inkomenselas=sche goederen = luxe goederen
>1 à Inferieure goederen
3