HOOFDSTUK 2
CONDITIONERING EN LEREN
1
, DEEL 1. KLASSIEKE CONDITIONERING ONDERZOEKSMETHODE
FILM 1: PEUTER SPEELT MET BALLON
• Peuter speelt voor de eerste keer met een ballon
→ Peuter leunt op ballon en het ontploft
• Welke reactie na eerste keer dat ballon knalt?
→ Kind zal bang zijn, maar heeft nog geen concrete angst ontwikkeld
• Welke reactie verwacht je de volgende keer dat de ballon op knallen staat?
→ angstreactie is gecreëerd: bang dat het ballon knalt voordat er iets gebeurt
→ Anticipatie: je verwacht dat iets gebeurt, voordat het werkelijk gebeurd
• Associatie tussen opbollen van ballon en knal
• Angst voor opbollen zonder knal
1. DE INZICHTEN VAN PAVLOV:
• De experimenten van de hond - Pavlov = zijn fundamenteel voor ons begrip van geconditioneerd
gedrag en hebben geleid tot de ontdekking van de geconditioneerde reflex.
1. Onderzoek naar spijsverteringsreacties:
→ Pavlov begon zijn experimenten door de spijsverteringsreacties van honden te onderzoeken.
Hij bevestigde tubetjes aan de honden om spijsverteringssappen en speeksel te verzamelen,
zodat hij nauwkeurig de hoeveelheden kon meten bij verschillende soorten prikkels.
2. Psychische versus fysiologische reflexen:
→ Terwijl Pavlov de spijsverteringsreacties onderzocht, viel hem op dat honden niet alleen
kwijlden bij voedsel, maar ook bij het zien van andere prikkels, zoals de verzorger. Dit type
kwijlen gebeurde zonder dat er direct voedsel aanwezig was. Pavlov noemde dit een
psychische reflex.
3. Geconditioneerde reflex (aangeleerde reactie):
→ Pavlov ontdekte dat honden een geconditioneerde reflex konden ontwikkelen. Wanneer de
verzorger het eten bracht, begon de hond dit te associëren met voedsel. Na verloop van tijd
begon de hond al te kwijlen bij het zien van de verzorger, zelfs zonder voedsel.
4. Conclusie en ontdekking van het geconditioneerde gedrag:
→ Dit kwijlen bij de verzorger was een aangeleerde reactie, ook wel een geconditioneerde reflex
genoemd. Pavlov concludeerde dat de hond een mentale link had gelegd tussen de komst van
de verzorger en het krijgen van voedsel. Dit leidde tot Pavlov’s bekendste bevinding: een dier
(of mens) kan leren om op een specifieke manier te reageren op een anders neutrale stimulus
door middel van associatie.
• Klassieke conditionering geld ook voor mensen
• Klassieke conditionering kan ook gebruikt worden binnen reclame
→ Gebruik van bekend persoon om product aantrekkelijker te maken
→ De bekende persoon wekt een positief gevoel op bij de consument.
2
, → Dit positieve gevoel wordt gekoppeld aan het product, dat normaal neutraal is.
→ Door deze associatie voelen we ons aangetrokken tot het product en zijn we eerder geneigd
het te kopen.
2. KENMERKEN VAN KLASSIEKE CONDITIONERING
1. VERWERVING/ AQUISITION
• Leren van associatie: Een associatie tussen de geconditioneerde stimulus (CS), zoals een bel, en de
ongeconditioneerde stimulus (OS), zoals voedsel, wordt geleerd.
• Herhaalde koppelingen: Meerdere herhalingen van CS-OS nodig om de associatie te versterken
→ behalve bij intense OS
▪ vb. hond gaat je bijten en ervaring blijft bij jou hangen
je hebt maar 1 beet nodig om associatie te maken
het was zo intenst dat je nu bang bent van hond
• Stimulusgeneralisatie: Geleerd gedrag generaliseren naar gelijksoortige stimuli
→ De hond die jouw gebeten heeft gaat een angst ontwikkelen die bij alle honden die je zal
ontmoeten gaat tevoorschijn komen
• Stimulusdiscriminatie: Aangeleerde reactie wordt beperkt tot specifiekere groep stimuli
→ een kind dat bang is voor de buurhond omdat het ooit door die specifieke hond is gebeten,
maar niet bang is voor andere honden. Het kind heeft geleerd om alleen op die ene hond met
angst te reageren (de specifieke prikkel), terwijl het rustig blijft bij andere honden die niet
geassocieerd zijn met de negatieve ervaring.
2. EXTINCTIE
• Uitdoving of verzwakking van CR (kwijlen) wanneer CS (bel) herhaaldelijk aangeboden wordt zonder
OS (voedsel)
• De geconditioneerde respons lijkt dan "uitgedoofd," maar dit betekent niet dat deze definitief is
afgeleerd.
→ De associatie blijft in het geheugen en kan later weer spontaan terugkomen of snel opnieuw
worden geleerd.
3. SPONTAAN HERSTEL
• houdt in dat een uitgedoofde geconditioneerde respons (CR), zoals kwijlen, spontaan terug kan komen
na een periode van extinctie. Dit herstel is vaak in een verzwakte vorm; het kwijlgedrag is minder
intens dan oorspronkelijk.
→ Niet definitief verdwenen: Hoewel de CR tijdelijk uitgedoofd leek, is het niet volledig gewist uit het
geheugen.
→ Makkelijk opnieuw te conditioneren: De eerdere associatie is nog aanwezig, zij het minder sterk,
waardoor de CR sneller kan terugkomen bij een nieuwe CS-OS-koppeling.
3
CONDITIONERING EN LEREN
1
, DEEL 1. KLASSIEKE CONDITIONERING ONDERZOEKSMETHODE
FILM 1: PEUTER SPEELT MET BALLON
• Peuter speelt voor de eerste keer met een ballon
→ Peuter leunt op ballon en het ontploft
• Welke reactie na eerste keer dat ballon knalt?
→ Kind zal bang zijn, maar heeft nog geen concrete angst ontwikkeld
• Welke reactie verwacht je de volgende keer dat de ballon op knallen staat?
→ angstreactie is gecreëerd: bang dat het ballon knalt voordat er iets gebeurt
→ Anticipatie: je verwacht dat iets gebeurt, voordat het werkelijk gebeurd
• Associatie tussen opbollen van ballon en knal
• Angst voor opbollen zonder knal
1. DE INZICHTEN VAN PAVLOV:
• De experimenten van de hond - Pavlov = zijn fundamenteel voor ons begrip van geconditioneerd
gedrag en hebben geleid tot de ontdekking van de geconditioneerde reflex.
1. Onderzoek naar spijsverteringsreacties:
→ Pavlov begon zijn experimenten door de spijsverteringsreacties van honden te onderzoeken.
Hij bevestigde tubetjes aan de honden om spijsverteringssappen en speeksel te verzamelen,
zodat hij nauwkeurig de hoeveelheden kon meten bij verschillende soorten prikkels.
2. Psychische versus fysiologische reflexen:
→ Terwijl Pavlov de spijsverteringsreacties onderzocht, viel hem op dat honden niet alleen
kwijlden bij voedsel, maar ook bij het zien van andere prikkels, zoals de verzorger. Dit type
kwijlen gebeurde zonder dat er direct voedsel aanwezig was. Pavlov noemde dit een
psychische reflex.
3. Geconditioneerde reflex (aangeleerde reactie):
→ Pavlov ontdekte dat honden een geconditioneerde reflex konden ontwikkelen. Wanneer de
verzorger het eten bracht, begon de hond dit te associëren met voedsel. Na verloop van tijd
begon de hond al te kwijlen bij het zien van de verzorger, zelfs zonder voedsel.
4. Conclusie en ontdekking van het geconditioneerde gedrag:
→ Dit kwijlen bij de verzorger was een aangeleerde reactie, ook wel een geconditioneerde reflex
genoemd. Pavlov concludeerde dat de hond een mentale link had gelegd tussen de komst van
de verzorger en het krijgen van voedsel. Dit leidde tot Pavlov’s bekendste bevinding: een dier
(of mens) kan leren om op een specifieke manier te reageren op een anders neutrale stimulus
door middel van associatie.
• Klassieke conditionering geld ook voor mensen
• Klassieke conditionering kan ook gebruikt worden binnen reclame
→ Gebruik van bekend persoon om product aantrekkelijker te maken
→ De bekende persoon wekt een positief gevoel op bij de consument.
2
, → Dit positieve gevoel wordt gekoppeld aan het product, dat normaal neutraal is.
→ Door deze associatie voelen we ons aangetrokken tot het product en zijn we eerder geneigd
het te kopen.
2. KENMERKEN VAN KLASSIEKE CONDITIONERING
1. VERWERVING/ AQUISITION
• Leren van associatie: Een associatie tussen de geconditioneerde stimulus (CS), zoals een bel, en de
ongeconditioneerde stimulus (OS), zoals voedsel, wordt geleerd.
• Herhaalde koppelingen: Meerdere herhalingen van CS-OS nodig om de associatie te versterken
→ behalve bij intense OS
▪ vb. hond gaat je bijten en ervaring blijft bij jou hangen
je hebt maar 1 beet nodig om associatie te maken
het was zo intenst dat je nu bang bent van hond
• Stimulusgeneralisatie: Geleerd gedrag generaliseren naar gelijksoortige stimuli
→ De hond die jouw gebeten heeft gaat een angst ontwikkelen die bij alle honden die je zal
ontmoeten gaat tevoorschijn komen
• Stimulusdiscriminatie: Aangeleerde reactie wordt beperkt tot specifiekere groep stimuli
→ een kind dat bang is voor de buurhond omdat het ooit door die specifieke hond is gebeten,
maar niet bang is voor andere honden. Het kind heeft geleerd om alleen op die ene hond met
angst te reageren (de specifieke prikkel), terwijl het rustig blijft bij andere honden die niet
geassocieerd zijn met de negatieve ervaring.
2. EXTINCTIE
• Uitdoving of verzwakking van CR (kwijlen) wanneer CS (bel) herhaaldelijk aangeboden wordt zonder
OS (voedsel)
• De geconditioneerde respons lijkt dan "uitgedoofd," maar dit betekent niet dat deze definitief is
afgeleerd.
→ De associatie blijft in het geheugen en kan later weer spontaan terugkomen of snel opnieuw
worden geleerd.
3. SPONTAAN HERSTEL
• houdt in dat een uitgedoofde geconditioneerde respons (CR), zoals kwijlen, spontaan terug kan komen
na een periode van extinctie. Dit herstel is vaak in een verzwakte vorm; het kwijlgedrag is minder
intens dan oorspronkelijk.
→ Niet definitief verdwenen: Hoewel de CR tijdelijk uitgedoofd leek, is het niet volledig gewist uit het
geheugen.
→ Makkelijk opnieuw te conditioneren: De eerdere associatie is nog aanwezig, zij het minder sterk,
waardoor de CR sneller kan terugkomen bij een nieuwe CS-OS-koppeling.
3