Theorie LKT – taal
Domein – Taalbeschouwing
Het taalsysteem
Taal is een systeem dat is opgebouwd uit allerlei elementen: klanken, woorden, zinnen en
teksten. We spreken wel van verschillende niveaus van de taal. Binnen de taalkunde
worden de niveaus bestudeerd bij volgende onderdelen:
Fonologie
Morfologie
Syntaxis
Semantiek
Pragmatiek
Orthografie
Op de verschillende niveaus van de taal kunnen fouten gemaakt worden. Bijvoorbeeld in
de volgende zinnen:
Jai blaift altaid main klaine maid (fonologisch niveau)
Er zat een wormje in mijn appel? (morfologisch niveau)
Waarom jij altijd lelijk doen? (syntactisch niveau)
Het geinige bierblikje maakte een onverwacht sprongetje (semantisch niveau)
Voorzitter, doe nu eindelijk eens normaal man (pragmatisch niveau)
Alle fouten zijn verbetert (orthografisch niveau)
Je kunt de taal op al de verschillende niveaus beschrijven en kijken naar de regels of op
zoek gaan bijzonderheden. Dat is in feite de inhoud van het onderwijs in
taalbeschouwing.
De fonologie is de klankleer. Als we de taal op het fonologisch niveau bekijken, dan
letten we op de uitspraak van woorden, de regels voor de volgorde van spraakklanken, de
intonatie of het woordaccent. Elke taal heeft zijn eigen bijzondere spraakklanken. Het
Nederlands kent andere spraakklanken dan het Engels, zoals de /ai/ uit het Engelse bike.
Als kinderen een taal leren kunnen ze elke willekeurige klank nabootsen, maar al vrij snel
passen ze zich aan aan de taal van hun omgeving.
De articulatie van spraakklanken verschilt van persoon tot persoon. Binnen de
taalkunde hanteert men daarom in plaats van de term spraakklank liever het
begrip foneem. Een foneem is een klank die betekenisverschil tussen woorden
veroorzaakt. Als je in het woord pak één foneem verwisselt en er bak van
maakt dan is er meteen sprake van een andere betekenis.
De manier waarop woorden en zinnen worden uitgesproken kan heel bepalend zijn voor
de betekenis, bijvoorbeeld bij kantelen of regent. We noemen dat klemtoon of
woordaccent. Iets dergelijks doet zich voor bij het zinsaccent. Als je in een zin de nadruk
legt op een woord, dan geeft dat een bepaalde betekenisnuancering. Verwant aan het
zinsaccent is de zinsmelodie. Dat is de intonatie waarmee een zin wordt uitgesproken.
Ook de intonatie is weer bepalend voor de betekenis van een zin. De zin Dat is echt
een origineel liedje kun je op zo’n manier uitspreken dat je juist het
tegenovergestelde bedoelt. Een ander klankverschijnsel dat ook een bepaalde
betekenis heeft, is rijm. In de zin Zijn zeven zonen zongen zachtjes zoete
zeemansliedjes krijg je een speels effect doordat alle woorden met dezelfde
klank beginnen (alliteratie).
,De morfologie is een onderdeel van de taalkunde waarin men onderzoekt hoe woorden
zijn opgebouwd uit betekeniselementen en op welke manier een taalgebruiker nieuwe
woorden vormt.
Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element van een taal. Er zijn twee
soorten morfemen. We kennen morfemen die als los woord kunnen voorkomen en die niet
verder zijn op te splitsen in betekenisdragende delen, zoals paard, huis. We noemen dat
vrij morfemen. Daarnaast zijn er morfemen die je niet als woord kunt gebruiken, maar die
altijd gekoppeld zijn aan een ander woord, zoals -ig of -heid. We noemen dat een
gebonden morfemen. Als het gebonden morfeem vooraan in een woord voorkomt
(bijvoorbeeld be- of ver-), dan spreken we van een voorvoegsel. Gebonden morfemen
kunnen ook achteraan in een woord voorkomen, in dat geval spreken we van een
achtervoegsel. Op het morfologisch niveau van een taal kunnen we dus nagaan hoe
woorden zijn opgebouwd uit morfemen. Er zijn de volgende principes voor de opbouw van
woorden:
samenstelling
afleiding
verbuiging
vervoeging
We spreken van samenstelling als twee losse woorden worden samengevoegd tot één
woord, bijvoorbeeld fietsbel. Het is dus een combinatie van twee vrije morfemen.
Een afleiding is een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen
voorkomen. Bij een afleiding wordt een gebonden morfeem toegevoegd aan een woord,
zodat er een nieuw woord ontstaat. Voeg je -ig toe aan nat, dan krijg je nattig.
Bij verbuiging is er ook sprake van het samenvoegen van een vrij morfeem en een
gebonden morfeem, maar er ontstaat niet een geheel nieuw woord. Naast groot kennen
we bijvoorbeeld de verbogen vorm grote. We kennen de volgende vormen van
verbuiging:
meervoud, bijvoorbeeld: beesten, anjers
verkleinwoord, bijvoorbeeld: huisje, boompje, beestje, woninkje, weggetje
vergelijking, bijvoorbeeld: kleiner, kleinst
buigings-s, bijvoorbeeld: (iets) leuks
buigings-e, bijvoorbeeld: mooie
Voor de verbuiging van werkwoorden hebben we een speciale naam: vervoeging.
Binnen één woord kun je zowel de principes van samenstelling als die van afleiding
tegenkomen, bijvoorbeeld in minderjarige.
De syntaxis of de zinsbouw beschrijft de relaties tussen woorden. De regels voor de
combinatiemogelijkheden van woorden in een zin, noemen we grammaticale of
syntactische regels. Je kunt op verschillende manieren het syntactische niveau van de
taal beschrijven. Je kunt letten op:
woorden
woordgroepen
zinsdelen
zinstypen
,Bij het woordbenoemen ga je van de afzonderlijke woorden in een zin na tot welke
woordsoort ze behoren. In de grammatica onderscheidt men traditioneel tien
woordsoorten:
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Telwoord (onbepaalde en bepaalde hoofd- en
rangtelwoorden)
Werkwoord (hulp- en koppelwerkwoord,
zelfstandig werkwoord)
Lidwoord
Voornaamwoord (persoonlijk, bezittelijk,
aanwijzend, onbepaald, betrekkelijk, vragend)
Bijwoord
Voorzetsel
Voegwoord (neven- en onderschikkend)
Tussenwerpsel
De indeling in woordsoorten is gebaseerd op drie verschillende criteria:
1. de vorm van een woord (Bijv: werkwoorden kunnen een voltooid deelwoord
krijgen)
2. de betekenis van een woord (Bijv: telwoorden geven een hoeveelheid aan)
3. de combinatiemogelijkheden met andere woorden (Bijv: een bijvoeglijknaamwoord
staat voor een zelfstandig naamwoord)
Kennis van woordsoorten is soms handig om kinderen bepaalde spellingproblemen uit te
leggen. Met behulp van de term bijvoeglijk naamwoord kun je snel duidelijk maken hoe je
het gestrande schip schrijft.
Bij het beschrijven van woordgroepen wordt er vooral gelet op wat de kern van een
langere woordgroep is. Voor het begrijpen van woordgroepen zoals dat kleine venijnige
keffertje van hiernaast is het handig als kinderen inzien dat het zelfstandig naamwoord
keffertje de kern van de woordgroep is.
Een derde manier om de taal op het syntactisch niveau te beschrijven, is te kijken naar
de relaties tussen de zinsdelen. Bij het zinsontleden geven we van elk zinsdeel de functie
in de zin aan. Methoden voor het basisonderwijs beperken zich meestal tot het
onderwerp, het gezegde, het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en de
bijwoordelijke bepaling. Een laatste manier om de taal op het syntactische niveau te
beschrijven, is door te letten op de zin als geheel. Wat dat betreft zijn er verschillende
onderscheidingen mogelijk. Een eerste onderscheid is dat in:
Mededelendezin. Bijv: Een vrachtwagen blokkeerde de oprit.
Vragende zin. Bijv: Kom je morgen ook op mijn feestje?
Gebiedende zin. Bijv: Geef dat mes hier!
Wat de vorm van de zin betreft kunnen we wel een onderscheid maken in:
Actieve of bedrijvende zinnen
Passieve of lijdende zinnen
In een actieve zin valt de handelende persoon, degene die de actie onderneemt, altijd
samen met het onderwerp: De supporters bezochten de wedstijd. In een passieve zin
wordt de handelende persoon niet genoemd in het onderwerp, maar in een bepaling die
met ‘door’ begint: De wedstrijd werd bezocht door twintigduizend uitzinnige supporters.
, Een ander onderscheid dat ook te maken heeft met de vorm van zinnen, is dat tussen de
directe rede en de indirecte rede. De directe rede geeft de gesproken tekst weer, de
indirecte rede is een beschrijving van iets.
Soms komt het voor dat je een zin op verschillende manieren kunt ontleden en dat gaat
altijd samen met een dubbele interpretatie van een zin. Bijvoorbeeld bij: Officier van
Justitie wil dat man met hamer behandeld wordt.
De semantiek is het onderdeel van de taalkunde dat zich bezighoudt met de betekenis.
De betekenis van woorden is ook afhankelijk van het fonologisch, morfologisch en
syntactisch niveau. In het woord kantelen is de klemtoon bepalend voor de betekenis, als
je de morfemen schilder en kunst samenvoegt, is de volgorde bepalend. Dat is ook het
geval bij de volgorde van woorden, zoals bij Ajax wint van Feyenoord.
We kennen de volgende betekenisrelaties tussen woorden
antoniemen
synoniemen
hyponiemen
context
Antoniemen zijn woorden met een tegengestelde betekenis (ziek – gezond).
Synoniemen zijn twee woorden met dezelfde betekenis (fiets – rijwiel). Bij hyponiemen
wordt de betekenis van een woord ook door een (algemener) woord uitgedrukt (plant –
viooltje). Van de betekenisrelatie context is sprake als woorden horen tot het zelfde
betekenisveld (tuin – schoffel). Als er geen relatie is tussen de verschillende betekenissen
van een en dezelfde woordvorm spreken we van homonymie (bijv. horde)
Het onderdeel van de taalkunde dat zich bezighoudt met het gebruik van taal in een
concrete situatie is de pragmatiek. Het gaat dan niet zozeer om taalregels, maar meer
met omgangsregels en sociale normen. De zinnen
Donder op!
Ga weg!
Zou je weg willen gaan?
Het lijkt mij verstandiger maar te vertrekken.
bevatten allemaal een aansporing om te vertrekken, maar toch zul je niet elke zin in elke
situatie gebruiken.
De orthografie is de manier waarop de gesproken taal wordt weergegeven in
lettertekens, de spelling van woorden dus. Onze spelling wordt voor een belangrijk deel
bepaald door het fonologisch niveau, maar ook het morfologisch niveau is soms
belangrijk (bijv. bij handdoek)., evenals het semantisch niveau (bijv. bij wei en wij). Het
syntactisch niveau speelt een belangrijke rol bij de werkwoordspelling: de spelling van
/vint/ is afhankelijk van het onderwerp.
Bij de relatie tussen spelling en uitspraak doet zich een aantal bijzonderheden voor. In
boot en bood hebben we te maken met woorden met dezelfde uitspraak, maar
verschillende spelling. We noemen dat homofonen. De woorden kantelen en regent kun
je op verschillende manieren uitspreken. We noemen dat homografen.
Taalvariatie
In Nederland worden naast het standaardtaal nog verschillende andere talen gesproken.
Die verscheidenheid aan talen en taalgebruik noemen we taalvariatie. De variatie vind
je tussen verschillende personen, groepen (bijv. jongerentaal) en regio’s (dialecten). Het
Domein – Taalbeschouwing
Het taalsysteem
Taal is een systeem dat is opgebouwd uit allerlei elementen: klanken, woorden, zinnen en
teksten. We spreken wel van verschillende niveaus van de taal. Binnen de taalkunde
worden de niveaus bestudeerd bij volgende onderdelen:
Fonologie
Morfologie
Syntaxis
Semantiek
Pragmatiek
Orthografie
Op de verschillende niveaus van de taal kunnen fouten gemaakt worden. Bijvoorbeeld in
de volgende zinnen:
Jai blaift altaid main klaine maid (fonologisch niveau)
Er zat een wormje in mijn appel? (morfologisch niveau)
Waarom jij altijd lelijk doen? (syntactisch niveau)
Het geinige bierblikje maakte een onverwacht sprongetje (semantisch niveau)
Voorzitter, doe nu eindelijk eens normaal man (pragmatisch niveau)
Alle fouten zijn verbetert (orthografisch niveau)
Je kunt de taal op al de verschillende niveaus beschrijven en kijken naar de regels of op
zoek gaan bijzonderheden. Dat is in feite de inhoud van het onderwijs in
taalbeschouwing.
De fonologie is de klankleer. Als we de taal op het fonologisch niveau bekijken, dan
letten we op de uitspraak van woorden, de regels voor de volgorde van spraakklanken, de
intonatie of het woordaccent. Elke taal heeft zijn eigen bijzondere spraakklanken. Het
Nederlands kent andere spraakklanken dan het Engels, zoals de /ai/ uit het Engelse bike.
Als kinderen een taal leren kunnen ze elke willekeurige klank nabootsen, maar al vrij snel
passen ze zich aan aan de taal van hun omgeving.
De articulatie van spraakklanken verschilt van persoon tot persoon. Binnen de
taalkunde hanteert men daarom in plaats van de term spraakklank liever het
begrip foneem. Een foneem is een klank die betekenisverschil tussen woorden
veroorzaakt. Als je in het woord pak één foneem verwisselt en er bak van
maakt dan is er meteen sprake van een andere betekenis.
De manier waarop woorden en zinnen worden uitgesproken kan heel bepalend zijn voor
de betekenis, bijvoorbeeld bij kantelen of regent. We noemen dat klemtoon of
woordaccent. Iets dergelijks doet zich voor bij het zinsaccent. Als je in een zin de nadruk
legt op een woord, dan geeft dat een bepaalde betekenisnuancering. Verwant aan het
zinsaccent is de zinsmelodie. Dat is de intonatie waarmee een zin wordt uitgesproken.
Ook de intonatie is weer bepalend voor de betekenis van een zin. De zin Dat is echt
een origineel liedje kun je op zo’n manier uitspreken dat je juist het
tegenovergestelde bedoelt. Een ander klankverschijnsel dat ook een bepaalde
betekenis heeft, is rijm. In de zin Zijn zeven zonen zongen zachtjes zoete
zeemansliedjes krijg je een speels effect doordat alle woorden met dezelfde
klank beginnen (alliteratie).
,De morfologie is een onderdeel van de taalkunde waarin men onderzoekt hoe woorden
zijn opgebouwd uit betekeniselementen en op welke manier een taalgebruiker nieuwe
woorden vormt.
Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element van een taal. Er zijn twee
soorten morfemen. We kennen morfemen die als los woord kunnen voorkomen en die niet
verder zijn op te splitsen in betekenisdragende delen, zoals paard, huis. We noemen dat
vrij morfemen. Daarnaast zijn er morfemen die je niet als woord kunt gebruiken, maar die
altijd gekoppeld zijn aan een ander woord, zoals -ig of -heid. We noemen dat een
gebonden morfemen. Als het gebonden morfeem vooraan in een woord voorkomt
(bijvoorbeeld be- of ver-), dan spreken we van een voorvoegsel. Gebonden morfemen
kunnen ook achteraan in een woord voorkomen, in dat geval spreken we van een
achtervoegsel. Op het morfologisch niveau van een taal kunnen we dus nagaan hoe
woorden zijn opgebouwd uit morfemen. Er zijn de volgende principes voor de opbouw van
woorden:
samenstelling
afleiding
verbuiging
vervoeging
We spreken van samenstelling als twee losse woorden worden samengevoegd tot één
woord, bijvoorbeeld fietsbel. Het is dus een combinatie van twee vrije morfemen.
Een afleiding is een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen
voorkomen. Bij een afleiding wordt een gebonden morfeem toegevoegd aan een woord,
zodat er een nieuw woord ontstaat. Voeg je -ig toe aan nat, dan krijg je nattig.
Bij verbuiging is er ook sprake van het samenvoegen van een vrij morfeem en een
gebonden morfeem, maar er ontstaat niet een geheel nieuw woord. Naast groot kennen
we bijvoorbeeld de verbogen vorm grote. We kennen de volgende vormen van
verbuiging:
meervoud, bijvoorbeeld: beesten, anjers
verkleinwoord, bijvoorbeeld: huisje, boompje, beestje, woninkje, weggetje
vergelijking, bijvoorbeeld: kleiner, kleinst
buigings-s, bijvoorbeeld: (iets) leuks
buigings-e, bijvoorbeeld: mooie
Voor de verbuiging van werkwoorden hebben we een speciale naam: vervoeging.
Binnen één woord kun je zowel de principes van samenstelling als die van afleiding
tegenkomen, bijvoorbeeld in minderjarige.
De syntaxis of de zinsbouw beschrijft de relaties tussen woorden. De regels voor de
combinatiemogelijkheden van woorden in een zin, noemen we grammaticale of
syntactische regels. Je kunt op verschillende manieren het syntactische niveau van de
taal beschrijven. Je kunt letten op:
woorden
woordgroepen
zinsdelen
zinstypen
,Bij het woordbenoemen ga je van de afzonderlijke woorden in een zin na tot welke
woordsoort ze behoren. In de grammatica onderscheidt men traditioneel tien
woordsoorten:
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Telwoord (onbepaalde en bepaalde hoofd- en
rangtelwoorden)
Werkwoord (hulp- en koppelwerkwoord,
zelfstandig werkwoord)
Lidwoord
Voornaamwoord (persoonlijk, bezittelijk,
aanwijzend, onbepaald, betrekkelijk, vragend)
Bijwoord
Voorzetsel
Voegwoord (neven- en onderschikkend)
Tussenwerpsel
De indeling in woordsoorten is gebaseerd op drie verschillende criteria:
1. de vorm van een woord (Bijv: werkwoorden kunnen een voltooid deelwoord
krijgen)
2. de betekenis van een woord (Bijv: telwoorden geven een hoeveelheid aan)
3. de combinatiemogelijkheden met andere woorden (Bijv: een bijvoeglijknaamwoord
staat voor een zelfstandig naamwoord)
Kennis van woordsoorten is soms handig om kinderen bepaalde spellingproblemen uit te
leggen. Met behulp van de term bijvoeglijk naamwoord kun je snel duidelijk maken hoe je
het gestrande schip schrijft.
Bij het beschrijven van woordgroepen wordt er vooral gelet op wat de kern van een
langere woordgroep is. Voor het begrijpen van woordgroepen zoals dat kleine venijnige
keffertje van hiernaast is het handig als kinderen inzien dat het zelfstandig naamwoord
keffertje de kern van de woordgroep is.
Een derde manier om de taal op het syntactisch niveau te beschrijven, is te kijken naar
de relaties tussen de zinsdelen. Bij het zinsontleden geven we van elk zinsdeel de functie
in de zin aan. Methoden voor het basisonderwijs beperken zich meestal tot het
onderwerp, het gezegde, het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en de
bijwoordelijke bepaling. Een laatste manier om de taal op het syntactische niveau te
beschrijven, is door te letten op de zin als geheel. Wat dat betreft zijn er verschillende
onderscheidingen mogelijk. Een eerste onderscheid is dat in:
Mededelendezin. Bijv: Een vrachtwagen blokkeerde de oprit.
Vragende zin. Bijv: Kom je morgen ook op mijn feestje?
Gebiedende zin. Bijv: Geef dat mes hier!
Wat de vorm van de zin betreft kunnen we wel een onderscheid maken in:
Actieve of bedrijvende zinnen
Passieve of lijdende zinnen
In een actieve zin valt de handelende persoon, degene die de actie onderneemt, altijd
samen met het onderwerp: De supporters bezochten de wedstijd. In een passieve zin
wordt de handelende persoon niet genoemd in het onderwerp, maar in een bepaling die
met ‘door’ begint: De wedstrijd werd bezocht door twintigduizend uitzinnige supporters.
, Een ander onderscheid dat ook te maken heeft met de vorm van zinnen, is dat tussen de
directe rede en de indirecte rede. De directe rede geeft de gesproken tekst weer, de
indirecte rede is een beschrijving van iets.
Soms komt het voor dat je een zin op verschillende manieren kunt ontleden en dat gaat
altijd samen met een dubbele interpretatie van een zin. Bijvoorbeeld bij: Officier van
Justitie wil dat man met hamer behandeld wordt.
De semantiek is het onderdeel van de taalkunde dat zich bezighoudt met de betekenis.
De betekenis van woorden is ook afhankelijk van het fonologisch, morfologisch en
syntactisch niveau. In het woord kantelen is de klemtoon bepalend voor de betekenis, als
je de morfemen schilder en kunst samenvoegt, is de volgorde bepalend. Dat is ook het
geval bij de volgorde van woorden, zoals bij Ajax wint van Feyenoord.
We kennen de volgende betekenisrelaties tussen woorden
antoniemen
synoniemen
hyponiemen
context
Antoniemen zijn woorden met een tegengestelde betekenis (ziek – gezond).
Synoniemen zijn twee woorden met dezelfde betekenis (fiets – rijwiel). Bij hyponiemen
wordt de betekenis van een woord ook door een (algemener) woord uitgedrukt (plant –
viooltje). Van de betekenisrelatie context is sprake als woorden horen tot het zelfde
betekenisveld (tuin – schoffel). Als er geen relatie is tussen de verschillende betekenissen
van een en dezelfde woordvorm spreken we van homonymie (bijv. horde)
Het onderdeel van de taalkunde dat zich bezighoudt met het gebruik van taal in een
concrete situatie is de pragmatiek. Het gaat dan niet zozeer om taalregels, maar meer
met omgangsregels en sociale normen. De zinnen
Donder op!
Ga weg!
Zou je weg willen gaan?
Het lijkt mij verstandiger maar te vertrekken.
bevatten allemaal een aansporing om te vertrekken, maar toch zul je niet elke zin in elke
situatie gebruiken.
De orthografie is de manier waarop de gesproken taal wordt weergegeven in
lettertekens, de spelling van woorden dus. Onze spelling wordt voor een belangrijk deel
bepaald door het fonologisch niveau, maar ook het morfologisch niveau is soms
belangrijk (bijv. bij handdoek)., evenals het semantisch niveau (bijv. bij wei en wij). Het
syntactisch niveau speelt een belangrijke rol bij de werkwoordspelling: de spelling van
/vint/ is afhankelijk van het onderwerp.
Bij de relatie tussen spelling en uitspraak doet zich een aantal bijzonderheden voor. In
boot en bood hebben we te maken met woorden met dezelfde uitspraak, maar
verschillende spelling. We noemen dat homofonen. De woorden kantelen en regent kun
je op verschillende manieren uitspreken. We noemen dat homografen.
Taalvariatie
In Nederland worden naast het standaardtaal nog verschillende andere talen gesproken.
Die verscheidenheid aan talen en taalgebruik noemen we taalvariatie. De variatie vind
je tussen verschillende personen, groepen (bijv. jongerentaal) en regio’s (dialecten). Het