• ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis
  • Escrito por estudiantes que aprobaron
  • Inmediatamente disponible después del pago
  • Leer en línea o como PDF
Vender
¿Dónde estudias?
Tu idioma
Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 72 páginas
Resumen

16/20 samenvatting sociologie- Amal Miri

Document preview thumbnail
Vista previa 4 fuera de 72 páginas

Voor sociaal-economische wetenschappen, communicatiewetenschappen, sociologie, geschiedenis en politieke wetenschappen. Powerpoint-slides aangevuld met de lesnota's. Voldoende voor het examen

Vista previa del contenido

1. SOCIOLOGISCHE VERBEELDING

Het sociologisch bewustzijn is tamelijk recent

1. De oudste wetenschap: Astronomie (werd al gebruikt zo’n 3000 jaargeleden).  Toenmalige
astronomie was niet zuiver wetenschappelijk, zij bestond uit een mengeling van astrologie en
astronomie.

Babylonische en Egyptische priesters konden zon- en maansverduisteringen voorspellen (iets wat je
niet voor elkaar krijgt zonder jarenlange systematische waarneming van de sterrenhemel).

2. De tweede oudste wetenschap: Natuurkunde (de wetenschap van dode dingen),
gegrondvest door presocratici (filosofen in de periode voor en rond Socrates, zo rond 350 -
300 v.c.).
3. De derde oudste wetenschap: Biologie (Aristoteles en Hippocrates).

Bij de heropbloei na de Middeleeuwen werden deze wetenschappen in dezelfde volgorde
herontdekt. De eerste moderne wetenschappers waren sterrenkundigen(Copernicus, Tsycho Brahe,
Kepler, Galileï), gevolgd door natuurkunde (van Galileï tot Newton) en biologen (Harvey en Linnaeus).

Vanaf de 17de eeuw duikt er een nieuwe wetenschap op: de psychologie, en sinds de 18de à 19de
eeuw bestaat ook de sociologie.

Logica in de ontwikkeling van de wetenschap

 Wat het verst van ons af staat, is het makkelijkste te objectiveren en dus te
bestuderen VB: sterrenkunde
 Alles wat we typisch menselijk noemen (geest, rede, technische vaardigheden, kunst, …),
heeft de mens te danken aan de sociale verbanden waarin hij leeft. Het bewust zijn van die
sociale verbanden is niet eenvoudig en daarom heeft het eeuwen geduurd voor men ‘de
mens in zijn sociale omgeving’ kon zien als onderwerp van de wetenschappelijke studie
Albion Small (Tijdperk van sociologie)
 Sociologie is minder exact dan andere wetenschappen omdat de samenleving in
permanente herschepping verkeert

,Sociologische verbeelding en het ontstaan van sociologie:

 Ontstond in tijden van crisis- mensen begonnen te beseffen dat hun lot niet louter henzelf
bepaald wordt, maar ook sterk afhangt van anderen en van bredere maatschappelijke
structuren ➜ Albion Small


Waarom duurde dit besef zo lang?

 Er bestaat geen ‘natuurlijke distantie’ tussen individu en maatschappij
 De maatschappij zit diep in ons Wijzelf maken de maatschappij, maar de
maatschappij maakt ons ook
 Vb: denk aan menselijke geest (we denken in taal), of het menselijk lichaam (zindelijkheid,
etiquette): alles is sociaal gevormd

 Sociologie ontluistert = laat zien hoe de samenleving echt in elkaar zit
 De sociologie ontmaskert de werkelijkheid: ze toont de werkelijke sociale verhoudingen die
vaak verborgen blijven. Daarom is ze subversief, want ze kan confronterend zijn
➜ Pierre Bourdieu zei hierover “Sociologische waarheid is zo krachtig dat ze kwetst”
= de socioloog bekijkt wat vanzelfsprekend lijkt, zoals ongelijkheid, racisme of sociale rollen,
met een frisse blik en stelt die zaken in vraag

 De socioloog is dus als ‘ontdekkingsreiziger in eigen samenleving’: hij bekijkt zijn
eigen cultuur alsof hij er vreemd aan is, om zo patronen te ontdekken die anderen niet
opmerken
➜ vb. Montesquie (1698-1755): schreefLettres persanes (1721)
= zogezegde brieven van Perzische reizigers over het leven in Parijs. Door te doen alsof hij
een buitenstaander was, kon hij alledaagse gewoonten van zijn eigen samenleving in vraag
stellen
➜ vb. William Du Bois (1868-1963): beschreef hoe het voelt om te leven in een samenleving
waarvan je wel deel uitmaakt, maar waarin je nooit volledig geaccepteerd wordt. Hij
onderzocht de Amerikaanse samenleving ‘van binnenuit’, maar ervoer tegelijk de afstand van
iemand die er niet echt bij hoort- vooral in de context van racisme en discriminatie

 Sociologen onderzoeken waarom samenlevingen veranderen- vaak door revoliuties of
ingrijpende transformaties. Elke tijd kent haar eigen sleuteltijdperk
➜ vb. Onderzoek toont dat het onderwijssysteem een reproductie is van sociale
ongelijkheid

, THE GREAT TRANSFORMATION (K. PolanyIi)

 ‘Twee Revoluties’? (K. Polanyi) of waren er meer?
 Politieke revolutie en industriële revolutie
 Abrupt gebeurd waardoor er een bewustzijn schok was
 Grote transformatie

Historische drempeloverschrijdingen:

 Beheersing van HET VUUR (ca. 0,5 tot 1,5 miljoen jaar geleden): begin v.d. menselijke beschaving bij
Jagers-verzamelaars
 Belangrijke stap  kanteling in de machtsbalans (nu is mens de dominante soort
i.p.v. dieren)

NEOLITHISCHE REVOLUTIE

 Agrarisering- (12.000 jaar geleden begonnen): overgang naar Landbouwmaatschappij
 Mensen gingen de natuur aanpassen aan zichzelf ipv andersom (planten en dieren temmen)
 Belangrijke kenmerken:
➜ Sedentair leven (vaste woonplaats)
 Land en dieren als bezit
 Ontstaan van staten en georganiseerde macht
 Begin van sociale ongelijkheid
 Franse revolutie: (18e eeuw): zorgde voor politieke modernisering en democratisering

INDUSTRIËLE REVOLUTIE

 18e -19e eeuw: Massale overgang van landbouw naar industrie:

 Ontwikkeling van stoomkracht, transport, fabrieken

 Mensen gingen zich meer bewust worden van hun maatschappelijke positie

DIGITALE REVOLUTIE

 Opkomst van informatie- of netwerkmaatschappij
 Door AI & digitalisering veranderen werk, communicatie en macht
 Zoals Stefan Zweig zei: we leven in een turbulente tijden van verandering
(velen zullen hun job verliezen door AI)
 Sociale media beïnvloeden hoe we problemen zien (vb: Gaza, Oekraïne)

CLANMAATSCHAPPIJ LANDBOUWMAATSCHAPPIJ INDUSTRIËLE
MAATSCHAPPIJ
POLITIEK Stam Landbouwstaat Democratische staat
AUTORITEIT & Op basis van charisma Op basis van tradities Op basis van regels
GEZAG en procedures
TECHNIEK Aanpassen aan de Domesticatie van de natuur Beheersing van de
natuur natuur
WONEN Nomadisch Sedentair: vaste Megapolis
verblijfplaats
ECONOMIE Overlevingseconomie Geldeconomie: primaire en Kapitalisme: alle
zeldzame goederen soorten goederen
RECHT Gewoonterecht Gewoonte-, charter-, en Burgerlijk, formeel en
strafrecht grondwettelijk
recht
KENNIS Mythe, magie, Filosofisch/theologisch Wetenschappelijk en
mondelinge traditie Mondeling & schriftelijk multimediaal

, Sociaal probleem als bron van sociologische verbeelding

Wat als sociaal probleem wordt gezien, hangt af van sociale definiëring: Het resultaat van hoe
individuen en groepen betekenis geven

 Vb: drugsgebruik versus autorijden ➜ wat als gevaarlijker wordt gezien, hangt af van
perceptie

 “Toxic masculinity” ➜ mannelijkheid wordt steeds vaker als sociaal probleel bekeken

 Klimaat ➜ pas recent erkend als cruciaal maatschappelijk vraagstuk

 Migratie ➜ soms als probleem, terwijl migranten vaak essentieel zijn voor knelpuntberoepen


Wat is een sociaal probleem? (Klimaat, migratie,…?)
= een situatie die objectief vaststelbaar is, subjectief als problematisch wordt ervaren, collectief erkend wordt
en oplosbaar lijkt

 objectief aspect: het probleem is meetbaar
➜ vb: loonkloof man-vrouw, ♀ als ondergeschikt (♂ verdienen structureel meer dan ♀)
 subjectief aspect: het wordt als problematisch ervaren
 Je stelt een sociaal probleem objectief vast en ervaart het subjectief
➜feit is nog geen probleem (belangrijk dat we aantonen als sociaal probleem)
 collectief aspect: erkend door groepen in de samenleving
 Niet alleen de overheid moet het als een probleem zien
➜ WIJ maken het probleem (feminisme,..)
 oplosbaarheid: er moet een idee van mogelijke oplossingen bestaan
➜ Er kan iets aan gedaan worden
 positionaliteit: de socioloog is zelf ook deel van het probleem (autorijden vs. drugsgebruik)
➜socioloog als medespeler

= Een sociaal probleem is dus iets wat in de samenleving opborrelt & meningsverschillen uitlokt



C.W. Mills over sociologische verbeelding

Persoonlijke klachten versus sociale problemen

 Persoonlijke klachten: “troubles”
 Hebben betrekking op persoonlijkheid van het individu en directe omgeving
 Privéaangelegenheid: zijn privé en spelen zich af binnen persoonlijke sfeer
 Iets wat iemand belangrijk vindt, wordt bedreigd (vb. tandpijn lijkt een persoonlijk probleem)

 Sociale problemen: “issues”
 Gaat over grotere maatschappelijke structuren en groepen
 Ze zijn collectief van aard en worden door velen gedeeld
 Algemene aangelegenheid
 Iets wat een groep belangrijk vindt, wordt bedreigd
(vb. als we kijken naar tandzorg in armere regio’s zoals Marokko, wordt tandpijn een sociaal
probleem- het gaat dan om ongelijkheid in gezondheidszorg)

Mills leert ons dus het individuele te verbinden met het collectieve: wat persoonlijk lijkt, kan sociaal bepaald
zijn.



 Het individuele in verband brengen met het collectieve (en omgekeerd)

Índice general

  1. 01 Het sociologisch bewustzijn is tamelijk recent 1
  2. 02 Logica in de ontwikkeling van de wetenschap 1
  3. 03 Sociologische verbeelding en het ontstaan van sociologie: 2
  4. 04 THE GREAT TRANSFORMATION (K. PolanyIi) 3
  5. 05 NEOLITHISCHE REVOLUTIE 3
  6. 06 INDUSTRIËLE REVOLUTIE 3
  7. 07 DIGITALE REVOLUTIE 3
  8. 08 Sociaal probleem als bron van sociologische verbeelding 4
  9. 09 C.W. Mills over sociologische verbeelding Persoonlijke klachten versus sociale problemen 4
  10. 10 Twee Grondleggers: Comte & Spencer COMTE 5
  11. 11 VERGELIJKING COMTE VS. SPENCER 7
  12. 12 Het begrip cultuur 8
  13. 13 Cultuur & biologie- de menselijke soort 9
  14. 14 Natuurlijke selectie 9
  15. 15 Co-evolutie en menswording 9
  16. 16 Sociobiologie: Edward Wilson 10
  17. 17 Sociale instituties 10
  18. 18 Culturele diversiteit 11
  19. 19 Ethisch versus sociologisch normaal Wat in de ene samenleving normaal is, kan elders als abnormaal worden gezien 11
  20. 20 Culturele identiteit en etnocentrisme 11
  21. 21 Cultuurrelativisme 11
  22. 22 Etnocentrisme 12
  23. 23 Kenmerken die in alle culturen voorkomen 12
  24. 24 Taal 12
  25. 25 Contact tussen culturen 12
  26. 26 Mens als sociaal wezen Vormingsproces van een kind 13
  27. 27 Het socialisatieproces 13
  28. 28 Stel je socialiseert niet? Casus: “Het geval van Genie" 13
  29. 29 Opvoedingspatronen 14
  30. 30 Repressieve vs. tolerante socialisatie (participatief) 14
  31. 31 Ontwikkeling van sociale responsen 15
  32. 32 De vroege ontwikkeling van het kind Perceptievaardigheden 16
  33. 33 Lachen en wenen 16
  34. 34 Zuigelingen en verzorgers 16
  35. 35 Leerperiode voor de mama 16
  36. 36 Ontwikkeling van sociale reacties 16
  37. 37 Gehechtheid en verlies 18
  38. 38 Theorieën over de ontwikkeling van het kind 18
  39. 39 Zelfbewustzijn onderscheid tussen ‘I’ en ‘Me’ 20
  40. 40 Mead onderscheidde 2 delen van de persoonlijkheid 20
  41. 41 Play and game ➜ play: het kind ziet spelen als vrije imitatie, vb: voetballen (achter een bal lopen) ➜ game: het kind kent de regels van het spel en past ze toe, vb. voetbal met regels, georganiseerd sociaal spel 21
  42. 42 Rond 8 à 9 jaar leert het kind ook de spelregels van het sociale leven kennen: ➜ Het houdt meer rekening met anderen en leert zich inleven in verschillende rollen ➜ Dit proces vormt een basis van het symbolisch interactionisme: het zelf wordt gevormd in interactie met anderen ➜Zelfbewustzijn ontstaat doordat het kind zichzelf leert zien hoe anderen hem zien (vanaf 5j) ➜ Vb: lachen op een fout moment, en dan de hand voor de mond doen. Door deelname aan georganiseerde spelen (game) leert het kind de waarden en normen begrijpen die de samenleving structureren (generalized other) 21
  43. 43 Freud vs. Mead 21
  44. 44 Socialiserende instituties 21
  45. 45 Het gezin 21
  46. 46 De peer group 22
  47. 47 Scholen 22
  48. 48 Werk en lokale gemeenschap 22
  49. 49 Secundaire socialisatie 22
  50. 50 Erving Goffman: totale instellingen 23
  51. 51 Gedrag in concentratiekampen (Bettelheim) 23
  52. 52 Foucault over gedisciplineerde, panoptische samenleving 23
  53. 53 De levensloop 23
  54. 54 De kindertijd 23
  55. 55 Ondertussen/ In de postmoderne samenleving vervaagt het onderscheid tussen kind en volwassene: 24
  56. 56 Adolescentie 24
  57. 57 Jongvolwassenheid 25
  58. 58 Volwassenheid 25
  59. 59 Bejaardheid / ouderdom 25
  60. 60 De dood 25
  61. 61 Overgangsrituelen 26
  62. 62 Volgens Arnold Van Gennep bestaat het leven van mensen uit verschillende fasen, zoals: ➜ kind ➜ tiener ➜ volwassene ➜ ongehuwd ➜getrouwd ➜ levend ➜dood 26
  63. 63 Bij elke overgang hoort vaak een ritueel of viering Dat ritueel helpt zowel de persoon als de samenleving om de verandering te begrijpen en te accepteren. Dit verschilt van cultuur tot cultuur en van tijd tot tijd (vb: dood die tegenwoordig geprivatiseerd is). Ook de sociale omgeving moet vaak op de hoogte zijn van de verandering (publiek karakter van het ritueel) 26
  64. 64 Drie fasen van overgangsrituelen (Van Gennep) 26
  65. 65 1. Scheiding (seperation) 26
  66. 66 Je neemt afscheid van je oude rol of groep 26
  67. 67 Vb: bij een huwelijk neem je afscheid van het leven als vrijgezel 26
  68. 68 2. Overgang/ liminale fase (transition/ liminaliteit) 26
  69. 69 Je zit “tussen de twee werelden”: niet meer wie je was, maar ook nog niet helemaal wie je zult zijn 26
  70. 70 Vb: tijdens je doop, kamp, of opleiding leer je je nieuwe rol beter kennen 26
  71. 71 Je bevindt je in een tussentoestand- tijdelijk zonder vaste status 26
  72. 72 3. Opname / integratie (incorporation) 26
  73. 73 Je wordt officieel opgenomen in je nieuwe groep of rol 26
  74. 74 Vb: na je diploma-uitreiking ben je officieel afgestudeerd of op een huwelijksfeest wordt je opgenomen als nieuw gezin 26
  75. 75 Breidde het werk van Van Gennep uit en legde nadruk op het belang van liminaliteit en communitas 26
  76. 76 In de overgangsfase (liminale fase) ontstaan sterke gevoelens van verbondenheid (communitas) tussen mensen die dezelfde overgang meemaken 26
  77. 77 De samenleving bestaat uit een structuur (societas)- vaste rollen en regels- en een tijdelijke anti-structuur tijdens het ritueel, waarin iedereen gelijk is en verbondenheid centraal staat 26
  78. 78 Vb: trouwdag, babyshower, doopfeest- gebeuren niet alleen, maar met een gemeenschap rond de persoon die de overgang doormaakt 26
  79. 79 4 belangrijke elementen van het mensenleven 27
  80. 80 Structuur van overgangsrituelen 27
  81. 81 Interactie en de paradox van de sociale orde 28
  82. 82 Breaching experiment 28
  83. 83 Conversatieanalyse 28
  84. 84 Dramaturgie Erving Goffman “De vergelijking van de samenleving als een theater waarin iedereen tegelijk toeschouwer en speler 28
  85. 85 Tact 29
  86. 86 Impression management 29
  87. 87 Civil inattention 29
  88. 88 Stel dat je op bus/tram/… zit, je heel dichtbij medemensen bent, en als je het gaat bestuderen, besef je dat je je gedrag gaat aanpassen 29
  89. 89 VB: beleefd negeren van iemand, tas onder schuiven om zo weinig mogelijk plek in te nemen, .. 29
  90. 90 Dramaturgie 29
  91. 91 Gelaatsuitdrukkingen en emoties 30
  92. 92 Proxemics E. Hall Gebruik van ruimte 30
  93. 93 Sociale rol en dubbele contingentie van sociale interacties 30
  94. 94 Prisoners’ dilemma Bekend concept uit de speltheorie, dat een situatie beschrijft waarin 2 individuen, die verdacht worden van een misdaad, moeten kiezen tussen zwijgen (samenwerken) of verraden (niet samenwerken). 30
  95. 95 Situatie Twee verdachten worden afzonderlijk ondervraagd. Ze kunnen: 31
  96. 96 Zwijgen (samenwerken): beide krijgen een lichte straf (vb: 1 j gevangenis) 31
  97. 97 Elkaar verraden (niet samenwerken): beide krijgen een zwaardere straf (vb.5jaar) 31
  98. 98 Eén verraadt, de ander zwijgt: de verrader gaat vrijuit, de ander krijgt een zware straf (vb. 10 jaar) 31
  99. 99 Hoewel samenwerking het beste gezamenlijke resultaat oplevert, kiezen mensen vaak voor eigenbelang uit onzekerheid over de ander ➜ toont belang van vertrouwen, samenwerking en interpretatie in sociale interacties en verklaart waarom sociale orde kwetsbaar is 31
  100. 100 Talcott Parson: de rol van de zieke Volgens Parsons is ziek zijn niet enkel een lichamelijke toestand, maar ook een sociale rol met rechten en plichten 31
  101. 101 Soorten verenigingen 33
  102. 102 Charles Horton Hooley: primaire groepen 33
  103. 103 Ferdinand Toennies: gemeinschaft und gesellschaft 34
  104. 104 Formele organisaties 34
  105. 105 De bureaucratie 35
  106. 106 Max Weber en de bureaucratie Kenmerken: 35
  107. 107 Geen persoonlijke controle over productiemiddelen 35
  108. 108 De effectiviteit van bureaucratie 35
  109. 109 Formele en informele groepen in de bureaucratie PETER BLAU: 35
  110. 110 De ijzeren wet van oligarchie Robert Michels 35
  111. 111 Japanse organisaties 36
  112. 112 Professionals in organisaties Profession: beroep als roeping, uitgevoerd op hoog niveau (arts, advocaat: vrije beroepen, je draagt zelf alle verantwoordelijkheden) 36
  113. 113 De flexibele organisatie 36
  114. 114 Systemen van sociale stratificatie Slavernij 37
  115. 115 Kasten 37
  116. 116 Standen 37
  117. 117 Sociale klassen 37
  118. 118 Theorieën over sociale stratificatie 39
  119. 119 Max Weber over klasse, status en macht 40
  120. 120 De klassentheorie van Erik Olin Wright 41
  121. 121 Frank Parkin over sociale sluiting 41
  122. 122 Functionalistische benadering van Davis en Moore 42
  123. 123 Klassen in de westerse maatschappij Hogere klasse 42
  124. 124 Middenklasse Deze groep is zeer divers en speelt een grote rol in de moderne samenleving: 42
  125. 125 Lagere klasse 43
  126. 126 Beleving van sociale klassen Hardnekkigheid van klassenverschillen 43
  127. 127 Gender en stratificatie 43
  128. 128 Veranderende klassensystemen 44
  129. 129 Sociale mobiliteit 44
  130. 130 Wat is deviant gedrag? 45
  131. 131 Normen en sancties 45
  132. 132 Wet, misdaad en straf 45
  133. 133 Sociogenese van misdaad en straf 45
  134. 134 Veranderingen in wijze van bestraffen 46
  135. 135 Sociogenese van de gevangenis 46
  136. 136 Biologische en psychologische theorieën van crimineel gedrag Cesar Lombroso 46
  137. 137 Recent onderzoek 47
  138. 138 Maatschappij en misdaad: sociologische theorieën 47
  139. 139 Delinquente subculturen 48
  140. 140 Figuur 1 Cloward and Ohlin 48
  141. 141 Primaire afwijking 48
  142. 142 Secundaire afwijking 48
  143. 143 Gevangenissen en straffen Verscheidenheid in misdaad 49
  144. 144 Alternatieve straffen 49
  145. 145 Het begrip geesteszieke 49
  146. 146 Vrijlating 50
  147. 147 Deviantie en sociale orde 50
  148. 148 Seks gender en biologie 51
  149. 149 De oorsprong van sekseverschillen 51
  150. 150 Empirisch materiaal bij mensen 51
  151. 151 Het aanleren van de geslachtsrol 52
  152. 152 Freud over de ontwikkeling van gender 52
  153. 153 Kritiek op Freud 52
  154. 154 Theorie van Nancy Chodorow 52
  155. 155 Kritiek op Chodorow 53
  156. 156 Patriarchaat 53
  157. 157 Vrouwen en werk 53
  158. 158 Feminisme 53
  159. 159 Geweld in het gezin 54
  160. 160 Ongewenst seksueel gedrag 54
  161. 161 Gezin en huwelijk 55
  162. 162 De oorsprong van het gezin –een sociobiologische benadering 55
  163. 163 Monogamie en polygamie 55
  164. 164 Sociobiologische visie 56
  165. 165 Het gezin en het huwelijk in de Europese geschiedenis 56
  166. 166 Twee basisfuncties van het gezin 56
  167. 167 Parsons over het verband tussen nucleair gezin en industrialisatie 56
  168. 168 Ontwikkeling gezinsleven – Stone 57
  169. 169 Theorie van Talcott Parsons 57
  170. 170 Echtscheiding in het westen 58
  171. 171 De Burakumin 59
  172. 172 Etniciteit 59
  173. 173 Etnische groepen, minderheden en rassen in plurale maatschappijen 59
  174. 174 Sociologische minderheid 59
  175. 175 Getto’isering 59
  176. 176 Ras en biologie 59
  177. 177 Racisme: een moderne uiting van xenofobie 60
  178. 178 Vooroordelen 60
  179. 179 Discriminatie 60
  180. 180 Etnische tegenstellingen, vooroordelen en discriminatie STEREOTYPEN 61
  181. 181 Zondebok-mechanisme 61
  182. 182 Theodor Adorno de autoritaire persoonlijkheid 61
  183. 183 Kolonisering, etnocentrisme en ontmenselijking 62
  184. 184 Etniciteit en kindertijd 62
  185. 185 De houding van meerderheidsgroepen 62
  186. 186 Sociologische interpretaties 63
  187. 187 Algemene factoren 63
  188. 188 Historisch perspectief 63
  189. 189 Adorno - ‘The Authoritarian Personality’ 63
  190. 190 Kenmerken autoritaire persoonlijkheid: 63
  191. 191 De ‘F-schaal’ 63
  192. 192 De vereconomiseerde samenleving 64
  193. 193 Economisch leven was sterk verweven met andere dimensies in het leven 64
  194. 194 Religie: 64
  195. 195 Politiek: 64
  196. 196 Sociaal: 64
  197. 197 The Great Transformation (concept van Karl Polanyi) 64
  198. 198 Totaalkapitalisme We leven in een fase waarin bijna alles onderdeel wordt van het marktsysteem 65
  199. 199 Kolonisering van de leefwereld door het economisch systeem (Jürgen Habermans) 66
  200. 200 De fabriek 66
  201. 201 Kenmerken fabriek 66
  202. 202 Arbeidsdiscipline 66
  203. 203 Vroege rekrutering van fabrieksarbeiders 66
  204. 204 Taylorisme Frederick Taylor 66
  205. 205 Fordisme 67
  206. 206 Gevolgen van isoleren economische productie 67
  207. 207 Moderne arbeidsethos 67
  208. 208 Kenmerken 67
  209. 209 Webers protestantismethese 67
  210. 210 Weber over calvinisme, arbeidsethos en de ‘geest van het kapitalisme’ 67
  211. 211 Arbeid en tijd 68
  212. 212 De industriële tijdsorde 68
  213. 213 Flexibilisering 68
  214. 214 Arbeidsparticipatie van de vrouw 69
  215. 215 Religie is ruimer dan godsdienst 70
  216. 216 Minimale kenmerken van religie 70
  217. 217 Onderscheid magie / religie 70
  218. 218 Animisme 70
  219. 219 Soorten religie Hindoeïsme 70
  220. 220 Boeddhisme 70
  221. 221 Judaïsme 71
  222. 222 Christendom 71
  223. 223 Islam 71
  224. 224 Soorten religieuze organisaties 72

Información del documento

Estudio
Subido en
16 de enero de 2026
Número de páginas
72
Escrito en
2025/2026
Tipo
Resumen
$11.64

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Vendido
8
Seguidores
0
Artículos
4
Última venta
2 semanas hace



Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes