in de bovenbouw
TAAL &
DIDACTIEK SPELLING
HOOFDSTUK 5 INSTRUCTIE
ALGEMENE INSTRUCTIEPRINCIPES
Kan bij elk leerproces.
1. Bij spelling- leren controleren van het geschrevene. ‘’Kijk je werk nog eens goed
na’’, werkt meestal niet. Laat ze bijv. specifiek zoeken per categorie.
2. Modellen.
SPECIFIEKE INSTRUCTIEPRINCIPES
Afhankelijk van een bepaalde leertaak. Bij spelling- Schrijven van woorden, toepassen
van spellingstrategieën.
o Inprenting
Schrijfwijze van een woord in het geheugen vast proberen te leggen. Aandacht besteden
aan de betekenis en opbouw van een woord. Visueel dictee.
Bruikbaar bij leenwoorden, z-s woorden, v-f woorden, woorden met au en ei. Nadeel=
kinderen krijgen weinig mee van de regels.
o Aanleren van analogieredeneringen
Vergelijkingen maken met woorden die de kinderen al kennen. Als je het woord gevaarlijk
kent, ken je ook heerlijk. Grondwoord, kapstokwoord, voorbeeldwoord.
Bruikbaar bij- Woorden met voorvoegsels en achtervoegsels, clusters.
Nadeel- het is impliciet, wanneer hoort het bij een grondwoord. Te beperkt, niet efficiënt,
veel grondwoorden nodig. Kinderen weten de achterliggende spellingsregel niet.
o Aanleren van spellingsregels.
Deductieve manier- eerst wordt de regel geleerd en daarna moeten de kinderen het
toepassen.
Inductieve manier- kind gaat aan de hand van voorbeelden zelf de regel ontdekken, zelf
ontdekkend leren.
Algoritme is een schema wat de leerlingen kunnen volgen bij een regel.
1. Woord verdelen in klankgroepen.
2. Wat is de laatste lettergreep van de klankgroep.
3. Regel eraan koppelen.
,Voordat regels geleerd kunnen worden:
- Onderscheid maken tussen betekenisvol en betekenisloos.
- Kop en staart herkennen. Achter en voorvoegsels.
- Klankgroepen (auditieve la-ten) en lettergrepen (visuele lat-ten) herkennen.
Bruikbaar- verlengingsregel (t woord bij meervoud een d), verdubbelingsregel en de
verenkelingsregel.
Oppassen voor beperktheid van regels en abstractievermogen.
ACTIVERENDE DIRECTE INSTRUCTIEMODEL
- Terugblik
- Oriënteren
- Uitleg
- Begeleide inoefening
- Zelfstandig werken
- Evaluatie
- Terug en vooruitblik
HOOFDSTUK 4 DOELSTELLINGEN EN LEERSTOFORDENINGEN
INHOUD VAN SPELLINGSONDERWIJS
1. Frequentie van woorden
Woorden die kinderen weinig gebruiken niet gebruiken in het spellingsonderwijs.
Taalmethoden leren rond de 4.000 woorden. Taal zwakke kinderen 2.000.
Voordeel- individuele fouten kan je behandelen, kost minder tijd, makkelijker om
een regel te gebruiken bij een paar voorbeelden.
2. Moeilijkheid van woorden
Aanvulling op frequentie. Woorden die weinig voorkomen maar wel belangrijk zijn
om te weten.
Spellingscategorie= een groep woorden met dezelfde spellingsmoeilijkheid.
ORDENING VAN DE LEERSTOF IN SPELLINGSCATEGORIEËN.
1. Eerst klankzuivere woorden, daarna niet-klankzuivere.
2. Eerst eenlettergrepige woorden daarna meer lettergrepen.
3. Woorden met één spellingsregel, woorden met meer regels.
4. Frequente woorden, daarna minder frequente woorden.
NUT VAN SPELLINGSCATEGORIEËN.
, 1. Kind gericht laten oefenen.
2. Beter analyseren (wat gaat fout).
3. Structureren de lesstof.
KERNDOELEN TAALBESCHOUWING.
- Kinderen spellen werkwoorden.
- Kinderen spellen andere woorden dan werkwoorden.
- Regels voor leestekens.
1F= fundamenteel niveau (2F bij taal).
1S= Sterkere leerlingen, streefniveau. Havo/ VWO.
REFERENTIENIVEAUS SPELLINGSPROBLEMEN:
- Alfabetisch= klankzuivere woorden.
- Orthografisch= woorden met regels over de lettergreepgrens. Zonder
fouten schrijven.
- Morfologisch= woorden met achter-voorvoegsel.
- Morfologisch met syntactische kennis= de spelling van werkwoorden.
- Logo grafisch= woorden met vaste lettercombinaties die niet klankzuiver
zijn. Chinese schrift. Tekens.
DOEL SPELLINGSLES OPZETTEN.
- Spellingscategorie
- Spellingsstrategie
- Voorwaardelijke vaardigheden
Functionele taalactiviteit= taal als communicatiemiddel, voor later (verslag
schrijven)
Ondersteunende taalactiviteit= taalvaardigheden oefenen (leren over de opbouw).
Spellinggeweten= de houding dat je niet alleen bij spelling foutloos hoeft te
schrijven.
SPELLINGSONDERWIJS FUNCTIONELER MAKEN.
- Zinvolle context.
- Woorden laten verwerken in schrijfopdrachten.
- Integratie met technisch lezen.
- Functionele schrijfopdracht. Kinderen voelen dat er geen fouten kunnen
worden gemaakt bijv. Officiële brief.