Hoofdstuk 1: Building Blocks
1. Why International Relations Theory?
- Theories make claims about the ontology of international politics = the reality = “how does international politics
actually work?” ‘the knowing itself’
≠ methodology, which deals with epistemology = how can we discover the reality = “how can we know
international politics?”
- Theories can contribute (bijdragen) in various ways: (some, not all, of our theories are active on the three
dimensions)
• Analytical: investigate wide complex matters broken up in various parts
Offering an analytical framework = kader (making the matter more understandable, manageable)
Offering definitions & concepts
• Explanatory (value) = verklaren!!: proberen het fenomeen te verklaren, de oorzaken (bv. “why do wars
occur”)
Offering explanations for the observed phenomena
(Try to) make predictions: the more we are capable to explain, the more we can predict
Many theories try to generalize across cases: theory has built up by combining knowledge on various
cases + the more knowledge we have about cases, the better we are to identify recurrent
(terugkerende) patterns & causal relationships and trying to generalize
• Normative:
Prescribing ‘wise’ policy: what is given everything we know abt how the world works, what is
advisable, recommendable wise policy
Ethical assessments/considerations (overwegingen): moral questions, “when is the use of military
force justified?”
Questions asked by IR theorists:
Can activists change the world?
Would more women in power positions make the world more peaceful? …
Additional remarks:
- Theories = self-confident: pretending they offer a (explanatory) framework how the world works but have
their biases -> focus on specific elements/factors/dimensions/dynamics as the main causes (they are like
different lenses)
• All the theories have their shortcomings bcs they operate as specific lenses (‘bril’) tendency to
underestimate, ignore important factors – other theories: will pick it up & say that those things are important
E.g. Marxism: explanation in the evolution + disfunction of the global capitalist system and how that
propels (voorstuwt) political decisions
- Relevance of theories can vary across time and space: some theories will help us to understand something abt
the 19th century > the complexities of 21st century for example
- Theories offer insight into the motives of actors empathy, “to understand” ≠ approving: nothing to do with
justifying
Toegepast: we understand why Putin is doing certain things + understand better how to deal with Putin, but
we don’t (morally) justify what he’s doing
E.g. “status, honor”: reoccur to war, why do states not intervene in all mass atrocities’ (massale
gruweldaden) across the world?: understanding the policy but do not justify, let alone the double standards
2. Levels of analysis (1st building block)
Verschillende analyseniveau’s = de locaties van de belangrijkste oorzaken voor internationale fenomenen, van het
individuele tot het systeemniveau (cf. infra)
1
,Definition not completely settled in literature yet.
= analyseniveaus in de internationale politiek zijn die gebieden/sferen in de sociale werkelijkheid - van het individu
tot de hele wereldgeschiedenis/wereldsysteem - waar oorzaken voor internationale politieke verschijnselen liggen
De analyseniveaus hebben een verklarende waarde
Kenneth Waltz – Man, the State and War (1959) – three levels of analyses or ‘three images’
1. First Image: nature of humankind & individuals
• Toegepast VS: Trump = ‘businessman’, ‘populist’, ‘irrational’, ‘irresponsible’…
2. Second image: the State bepaalde verklarende factoren op staatsniveau bepalen voor een deel het
buitenlands beleid gedurende een lange tijd, ongeacht welke president of partij aan de macht is + factoren
veranderen in uitzonderlijke omstandigheden (bv. grootmachten oorlog)
• Toegepast VS: ‘US exceptionalism’ door eco + militair overwicht = superieur om internationaal systeem +
multilaterale organisaties te leiden
3. Third image: the International System
• Toegepast VS: machtspositie van het land ten opzichte van andere grootmachten te behouden
Reality = more complicated ≠ niet geadviseerd om de analyseniveaus te reduceren tot de 3, er zijn meer
2.1. Nature of humankind
- Pessimistische kijk - CLASSICAL REALISM: oorlogen = vaak gereduceerd tot de aard van de mens: “many
humans/statespersons are bad by nature” (evil, egoistic, power-thirsty by nature)
- Optimistische kijk - LIBERALISM: mensen zijn niet slecht van nature maar worden ‘slecht’ door omstandigheden
(zoals onderwijs) + mensen met tekortkomingen leren en verbeteren dankzij de rede (reason)
- FEMINISM: Does the difference between men and women (biological) matter for explaining foreign policy/IR?
Explanatory value limited: how to explain specific periods of peace and cooperation? = te algemeen
2.2. The individual
- Diversiteit onder individuele karakters/variety of personalities not the general caracteristics (we zijn
geïnteresseerd in de individualiteit)
- Institutional constraints of leaders (in many countries, a head of state/govt has little personal power based on
the constitution)
• Individuen doen er meer toe wanneer de institutionele omgeving (incl. GW) hen de ruimte geeft om het
verschil te maken individuen maken verschil maar worden beperkt door binnenlandse institutionele en
politieke omgeving en door internationale beperkingen.
E.g. a dictator had less institutional constraints – prime minister of BE has more constraints
• Hoe meer persoonlijke macht een leider heeft (constitutioneel of door het te grijpen cf. Adolf Hitler met
Machtigingswet), hoe nuttiger het is om hun persoonlijkheid te bestuderen als een causale factor voor
beleidingsbeslissingen in de IP
- Inzichten van psychologische studies, biografieën
2.3. The State
Alle staten willen overleven, zoeken veiligheid en economische welvaart, zijn machtsbelust of POWER-GREEDY =
aanzienlijke hoeveelheid (militaire) macht willen vergaren, niet alleen omdat staten willen overleven maar omdat ze
inherent power-greedy zijn geworteld in de karakters van mensen/staatspersonen (‘by nature’)
Cf. Klassiek Realisme/Classical Realism
Variety across states/diversiteit in karakters van staten:
- Democratische – autoritaire staten (cf. Democratic Peace Theory: democratische staten zijn meer vreedzaam >
autoritaire + door de eeuwen heen, voeren democratische staten bijna nooit onderling oorlog)
2
,- Kapitalistische – communistische staten: kap = inherent agressief, expansief >< comm = inherent agressief,
expansief want wil het kapitalisme vernietigen
- Staten verschillen ook naargelang: hun geschiedenis, sociologie, cultuur, cognitieve elementen (ideeën in een
msp), identiteit, collective emotions, strategic culture bepalen buitenlands beleid
Cognitief, immatrieel (mindset)
- Domestic institutions = binnenlandse instellingen (bepalen ook buitenlands beleid): is het een presidentieel
systeem of niet? heeft de regering/president de bevoegdheid om beslissingen te nemen over buitenlands beleid
en zelfs oorlog te voeren zonder de toestemming van het parlement? Wat is de rol van rechtbanken? ...
Factoren zijn relatief stabiel, verandering is mogelijk :
Verandering van buitenlands beleid BINNEN staten:
- Veranderende partijpolitiek (veranderingen in ideologieën) en machtsverschuivingen
- Exogene gebeurtenissen: bv. einde van KO heeft het buitenlands beleid veranderd
Deze gebeurtenissen zijn gefilterd door binnenlandse (domestic) actoren en instellingen, staten kunnen
verschillen in hoe ze die interpreteren
Bescheiden of fundamentele verschuivingen in het buitenlands beleid
2.4. The international system
- International Relations verklaringen moeten worden gezocht op het niveau van het internationale systeem
- Het geheel is meer dan de som der delen (kijken naar hoe de staten in relatie staan met elkaar en niet enkel
afzonderlijk)
2.4.1. Structural realism or neorealism
- Internationaal staatssyteem = anarchistisch ontbreekt een supranationale regering, wordt gekenmerkt door
een structuur die bestaat uit één, twee of meer grootmachten, met hun respectieve materiële capaciteiten,
naast een aantal kleinere staten
Door de anarchie kunnen staten elkaar nooit vertrouwen en zijn ze voor hun overleving aangewezen op
zelfhulp verstandig defensie- en alliantiebeleid ontwerpen en voeren
Er is geen globaal rechtssysteem, is eerder gebaseerd op good-will en landen vallen terug op zichzelf
- Primaat van systeemniveau: grootmachten als like-units ze willen allemaal overleven, soevereiniteit
behouden, economisch welvarend zijn
- Het systeem vormt/constitueert de toestanden + zendt signalen uit (bedreigingen & kansen) hierop reageren
de staten
• Structuur van het systeem bepaald hoe staten handelen
• Staten handelen in reactie wat andere staten doen en worden beïnvloed door hun externe omgeving hoe
de staten in relatie staan met elkaar en in interactie gaan = “geheel”
2.4.2. Geopolitics
= invloed van de geofysische situatie van landen op het buitenlands beleid en de internationale politiek onderzoekt
Kruispunt tussen internationale betrekkingen en geografie
Bv. Rusland: obsessie van Rusland met bufferzones en toegang tot de wereldzeeën via ijsvrije havens of VS:
veiligheidsvisie van de VS, omdat het land tussen twee oceanen ligt, het is geïsoleerd
2.4.3. World-systems analysis – Wallerstein (Marxistische traditie)
- Context van kapitalistische wereldsysteem: kern, perifere en semi-perifere productie hoe in deze context
hegemoniale machten opkomen en ondergaan en bestudeert het pol en eco lot van landen
2.4.4. The second image reversed
3
,Peter Gourevitch: combinatie systeem + staat niveau
- Manier waarop ontwikkelingen in internationaal systeem de aard van staten vormgeven:
• Hoe de samenleving, politieke economie en het staatsbestel van staten zich aanpassen aan externe druk om
te overleven
Bv. JP – Meiji Restauratie omwille van de imperialistische druk van de EU mogendheden, VS en RL
2.4.5. Two-level games
Putnam: combinatie internationaal systeem + staat niveau
- Level I: multilaterale fora waar staten onderhandelen (bv. VN, WTO, G20)
- Level II: binnenlandse arena waar overheids- en andere actoren en instellingen strijden om 'de nationale positie'
die op niveau I moet worden verdedigd
• Op dit niveau bedenken staten hun win-set: mogelijke overeenkomsten op niveau I die in eigen land
goedkeuring kunnen krijgen (‘winnen’), d.w.z. niveau II
• Internationale overeenkomst is alleen mogelijk als er een overlap is tussen de win-sets van landen
- Interacties tussen twee niveau’s:
• Regeringen die veel binnenlandse macht hebben, hebben paradoxaal een zwakkere positie aan de
internationale onderhandelingstafel omdat andere landen weten deze leider een brede win-set heeft
• Regering met minder macht in eigen land (beperkte wettelijke bevoegdheden + feitelijke macht van
parlement), heeft meestal een kleinere win-set en is een hardere onderhandelaar op niveau I
Position of state in the system:
- Great powers (grootmachten)
- Middle powers
- Small states
Class discussion: explain the 24 February 2022 Russian invasion into Ukraine based on levels of analysis.
- International system/structure: RL voelde zich bedreigd door de expansie van de NAVO in de voormalige SU,
wanneer grootmachten in een hoekje worden geduwd, ook al erodeert de de invloedssfeer en RL wilde de macht
niet verliezen en zullen zich altijd verdedigen
- Individual level: vooral focus op Putin + agressieve dictator, ook kijken naar Gorbatsjov bracht einde aan KO maar
vezette zich ook tegen de NAVO expansie maar wilt niet zeggen of hij geweld zou gebruiken tegen Oost-EU
landen die willen toetreden tot het Westen
- State: relatief stabiel, langdurige gevoelens van de elite, de eer, prestige en het idee dat de westerse uitbreiding
in voormalige SU een ernstige schending is en leidt tot bepaalde reacties
2.5. The world society
- Spinnenweb (cobweb) van onderlinge verbindingen tussen actoren (gouvernementele en niet-gouvernementele
over staten heen) => transnationalisme:
• Transnationale interactie en organisatie van niet-statelijke actoren
• Transnationale vorming en verspreiding van identiteit, waarden en andere ideeën
• Complexe onderlinge afhankelijkheid, interdependentie om naoorlogse wereldSL te analyseren: handel,
investeringen, migratie, reizen, milieuproblemen.... overstijgen nationale grenzen = transnationale
realiteiten niet langer begrijpe staatscentrisch model
Technologische evoluties op vlak van transport + ICT werken het in de hand (globalisering)
- ‘Polycentrism’: hoe macht is gespreid over regeringen, maar ook over machtige niet-statelijke actoren, zoals
multinationale bedrijven, banken, financiële centra, supranationale instellingen zoals IMF, EU etc.
4
, Pluralism (‘multiple actors’), New Medievalism (synonym, niet meer zoals in middeleeuwen waarbij staten
enige dominante actoren zijn), transnationalism
2.6. Diplomatic and institutional processes
- Aard van diplomatieke en institutionele processen beschouwen als een op zichzelf staand analyseniveau
- Vraag: Aard en kwaliteit van internationale diplomatie en institutionele processen (bv. multilaterale
onderhandelingen): zijn ze van belang voor de besluitvorming?
Concreet: stel dat de klimaatonderhandelingen plaatsvonden in informele en kleinere G20 dan tijdens de
jaarlijkse COP van de VN, zouden de uitkomsten anders zijn?
Potentiële punten van overeenkomst tussen partijen kan beter worden benut in ene vorm (informeek en
flexibel?) > andere (formeel en omslachtig?)
2.7. The discursive structure
- Politiek debat gekenmerkt door concurrerende discoursen: narratieven en framings over een bepaald thema
= discursieve structuur
- Discursieve structuur hiërarchie in onderscheiden: meer of minder krachtige discoursen
• Krachtige discoursen: winnen meer terrein onder elites + publieke opinie en worden meestal gedeeld en
uitgedragen door machtige actoren, zoals regeringen en media
• Discours kan hegemoniaal (Gramsci) worden: concurrerende (alternatieve) discoursen gemarginaliseerd
worden (een alternatieve discours aanhangen kan je carrière bemoeilijken)
- Discoursen maken bepaalde actoren en ideeën machtig (empower) en machteloos (disempower)
Belangen van actor die overeenkomen met meest invloedrijke/machtige discoursen = sterker dan anderen +
heeft meer macht (elke actor is gelinked op een manier aan specifieke discoursen, of ze dit willen of niet)
Bv. Hegemonische discours in de wereld van Russische invasie: schuld ligt bij Putin en Rus. elite (‘Russisch
ultra-imperialisistisch, homofobisch, patriarchisch, sexistisch, fascistisch regime van Putin’) empowers
UKR en disempowers Putin °meer macht voor Ukraïne, kunnen bijgestaan worden en hebben macht
om af te schrikken
- Discursieve structuur = analyseniveau + onderdeel van ontologische realiteit (= immatrieel, moeilijk te
bestuderen)
- Ook publieke opinie kan beïnvloed geraken door de discoursen: de mensen, massa hebben potentieel veel
macht over de internationale politiek en over hun overheid in de eerste plek
Bv. Stel dat de Russische mensen een hegemonische discours hadden tegen de oorlog dan zou Putin er
rekening mee moeten houden en zou een revolutie kunnen veroorzaken, als hij de wil van de mensen te ver
doorduwt het feit dat hij dit kan: veel mensen vinden dit misschien niet leuk maar zullen niet overgaan tot
een revolutie
2.8. The totality and history of the (social) reality
Global History, World System History and World-System Analysis beschouwen de sociale werkelijkheid op
wereldschaal als 1 ontologische werkelijkheid = HOLISTISCHE benaderingen
- Global history (verleden):
• Enerzijds vergelijkende benadering: gebeurtenissen ene plaats begrijpen door hun overeenkomsten met en
verschillen van hoe dingen ergens anders gebeurden te onderzoeken
• Anderzijds verbindende benadering: hoe geschiedenis tot stand komt door interacties van geografisch (of in
de tijd) gescheiden historische gemeenschappen
Beide zijn oud maar geschiedenissen eind 20 ste E elkaar ontmoeten °radicale betekenissen
- Veel geschiedschrijving + theorievorming over IR in 19 e + 20ste E parallel met EU imperialistische expansie,
eurocentrisme, marginalisatie van eigen rol en geschiedenis van volkeren in het Zuiden
- Evoluties na 1950 mondiale geschiedenistraditie vormgegeven
5
, • Dekolonisatie en ‘the history from below’ (van de gewone mens) geschiedenis gelijkwaardiger +
inclusiever en de handelingsbekwaamheid van de niet-westerse volkeren en in het Westen (vrouwen, armen
etc) zichtbaarder te maken
- Internationale politiek gevormd door de geschiedenis van een steeds meer onderling verbonden wereld:
verbondenheid en globalisering (History of interconnectivity and globalization)
- Historische analyse niet uitgevoerd vanuit het gezichtspunt van de nationale staten maar vanuit de
wereldgemeenschap
Global history wil niet zeggen dat regionale, nationale en lokale geschiedenissen minder relevant zijn
geworden studies op deze schalen moeten verrijkt worden door verbindingen met het mondiale niveau te
betrekken en omgekeerd
- Postkoloniale traditie hanteren ook holistische visie, gecombineerd met waardering voor andere
analysemethoden -> besef dat imperialisme en kolonialisme de wereldorde hebben gevormd en tot op de dag
van vandaag een blijvende erfenis nalaten
Conclusie:
De meeste stromingen binnen de theorievorming geven prioriteit aan één of meerdere analyseringsniveaus boven
andere. Deze niveaus zijn:
- Ontologische fenomenen (eenheden die de realiteit van de IP vormen, staten, org, W&N etc): met hun relatieve
belang en onderlinge relaties behoren ze tot de realiteit van de internationale politiek
De analyseniveau’s zullen altijd ontologisch zijn, verschillende niveau’s zijn belangrijk want factoren zijn in
verschillende levels terug te vinden want issues zijn complex
- Epistemologische hulpmiddelen: worden gebruikt om een complex vraagstuk op te splitsen in onderling
verbonden delen of dimensies. Hierdoor kunnen studies verschillende analyseniveaus combineren, in lijn met de
ontologische realiteit van deze niveaus.
3. Actors
- Actoren = etniteiten, zijn duidelijk omschreven en ‘agency’ beschikken, wat wil zeggen dat ze zelfstandig
beslissingen kunnen nemen (indien ze dit niet hebben dan zijn het geen actoren)
Aangeduidde actoren zijn minder geneigd als een actor gezien te worden
3.1. The state
- Staat = een aggregraat: samenstelling van nationale organen die het buitenlands beleid bepalen en over
verschillende capaciteiten beschikt
• = een ‘unitairy actor’ (=eenheid als actor), waarbij interne overwegingen en de strijd tussen binnenlandse
actoren (individuen, instellingen, partijen, belangengroepen etc) voor formulering + uitvoering van
buitenlands beleid genegeerd worden
Stromingen: structureel realisme, neoliberaal institutionalisme, constructivisme benaderen staten als
‘unitairy actors’ en houden geen rekening met interne politieke processen
3.2. Transnational government networks
- = transnationale netwerken van functionele takken van nationale overheden, vaak georganiseerd binnen
multilaterale instellingen
Bv. technocratische fora waarin vergaderingen plaatsvinden tussen functionarissen van ministeries van
Volksgezondheid, Milieu, inlichtingendiensten
= transgovernmentalism
- Binnen netwerken vaak consensus bereikt over oorzaken, gevolgen, oplossingen van belangrijke msp problemen
(zoals terrorisme, klimaat etc)
- Netwerken = actoren op zich: wanneer ze gezamenlijke beslissingen nemen (zoals adviezen aan overheden) en
er invloed mee kunnen uitoefenen
6
,- Groeiende betekenis + verspreiding van overheidsnetwerken = gevolg van voortdurende modernisering en
specialisatie van de mondiale samenleving
Draagt bij aan: erosie van ideaaltypische Westfaalse statensysteem = internationale contacten principieel
uitsluitend via diplomaten en ambassades van het ministerie van Buitenlandse Zaken verlopen functionele
ministeries opereren meer zelfstandig omdat de ministerie de feitelijke controle over de dynamiek binnen de
netwerken heeft verloren
- Kritische kanttekening: groeiende invloed van overheidsnetwerken op dagelijks leven – associatie: ‘democratisch
tekort’
Waarom? Parlementaire controle is zwak, netwerken werken met technische kennis, niet altijd transparant of
toegangelijk voor msp middenveld (dus monopolie van de kennis waardoor ze best sterk & machtig kunnen
worden)
3.3. International governmental organizations (IGO’s)
- Formeel: gebaseerd op multilaterale verdragen, bv. VN, WTO, IMF
- Informeel: zonder een verdrag en soms zonder een secretariaat, bv. G20, G7 of BRICS
- IGOs als actoren: eigen beslissingen kunnen nemen en verschil maken in wereldpolitiek IGOs zijn zelfstandige
entiteiten die ook impoact kunnen hebben los van de directe invloed van staten, desondanks de beslissingen
vaak voortkomen uit onderhandelingen + machtsdynamiek tussen lidstaten
- Secretariaats van IGOs = ook actoren en kunnen wereldpol beïnvloeden los van acties van staten, bv. Secretaris-
Generaal van de VN zekere mate van morele autoriteit, expertise en autonomie om output te produceren (zoals
oproep humanitaire actie, studies etc)
3.4. Individuals and foreign policy elites
Individuele besluitvormers of netwerken van individuen beschikken over grotere of kleinere mate van autonomie
om hun beslissingen te bepalen en daarmee een verschil te maken in de internationale politiek
3.5. Non-governmental organizations (NGOs)
Morele macht, expertise, mobilisatiecapaciteit en andere middelen knn verschil maken in IP (bv. Greenpeace)
3.6. Multi-stakeholder partnerships or global public policy networks/advocacy networks
- = informele netwerken van overheidsactoren, multinationale bedrijven en NGO's, vaak aangevuld met
multilaterale agentschappen of filantropische stichtingen, die samenwerken aan een globaal gouvernance-
doel/specifieke doelen, zoals vaccins, water of hernieuwbare energie, gezondheid
- Bijeengehouden door relatief lichte overeenkomst (‘understanding’), maar niet aan internationaal verdrag
- Voordelen: flexibiliteit, middelen en expertise die ze toegevoegen aan (inter)gouvernementele actoren
- Nadelen:
• Regeringen kunnen publieke-private partnerschappen aanmoedigen om finale verantw te ontlopen +
investeringen in multilaterale organisaties gebaseerd op regels te verminderen
• Samenstelling van multi-stakeholderpartnerschappen zelfgekozen, wat leidt tot voor de hand liggende
vooroordelen in termen van agenda en prioriteiten deels beïnvloedt door bel financiers
• Gebrek aan toezicht, duplicaties, aanhoudende lacunes en discontinuïteit in vergelijking met het ideaaltype
van VN-gericht wereldbestuur, het is ook informeel
3.7. Epistemic communities
= transnationale netwerken van experts op een bepaald gebied, zoals the International Panel on Climate Change
• Overlappen soms met transnationale overheidsnetwerken, aangezien gespecialiseerde ambtenaren ook een
epistemene gemeenschap (netwerk van professionals) kunnen vormen
7
, • Problemen: gebrek aan interdisciplinariteit binnen sommige epistemene gemeenschappen
Bv. het perspectief van arbeid of klimaat ontbreekt in netwerken die zich bezighouden met financiële en
monetaire stabiliteit
3.8. Classes
- Marxistische literatuur: klassen, met hun belangen en (gebrek aan) invloed op overheidsbeleid = sleutelactoren
- Studies in de marxistische internationale politieke economie gaan verder dan verdeling kapitaal – arbeid, er
bestaat onderscheid binnen kapitaal bijv:
• Protectionistische (nationale markt verdedigen van buitenland) en internationalistische (competitiever)
segmenten
• Productief kapitaal en financieel kapitaal
- Verbanden actoren en analyseniveaus:
• Aanvaarden van bepaald analyseniveau als ontologisch meest relevante veronderstellingen over
relevantie en mate van autonomie van bepaalde actoren
Bv. neorealisme benadrukt anarchistische systeem als belangrijkste bron van verklaringen en beschouwt
(grote) staten als enige relevante actoren, maar beperkte autonomie dus minder verklarende kracht
4. Interests
4.1. Material and immaterial interests
Belangen gaan over wat actoren WILLEN
- Materieel: actoren, zoals staten, streven naar veiligheid tegen fysieke bedreigingen en economische welvaart
- Immaterieel: actoren bereid om ethische waarden te bevorderen, ook psychologische voldoening te verkrijgen
met betrekking tot sociale status, eer of prestige
Deze elementen kunnen actor versterken wanneer anderen zijn symbolische status respecteren
Wraak of het rechtzetten van vernederingen kunnen ook als belangen op zichzelf worden beschouwd
• Actoren combineren ze vaak
• Bv. vraag naar humanitaire hulp in buitenland bij massale wreedheden zal de drempel voor interventie lager
liggen als het belangrijke veiligheids- of economische voordelen oplevert en in gevallen van weinig voordelen
en hoge risico’s zullen de kansen voor interventie beperkt zijn
4.1.1. Red lines
- Rode lijn = een scenario dat een bepaalde actor – meestal staten of leiders – niet zal accepteren en op elke
mogelijke manier zal proberen tegen te gaan. Zijn door mensen gemaakt en zijn mentale constructies die zelden
absoluut zijn en kunnen verschuiven en zijn onderhevig aan interpretatie wanneer kritieke gebeurtenissen zich
daadwerkelijk voordoen
Bv. gebruik van chemische wapens door de Syrische regering verklaarde Obama als een ‘rode lijn’, dwz dat de
VS zou reageren met een militaire actie indien chemische wapens gebruikt worden maar gebeurde
uiteindelijk niet
4.2. Theorizing the formation of interests
Neorealisme (Waltz): systemische theorie, staten als ‘gelijke eenheden’, waarvan de belangrijkste
veiligheidsbelangen voortkomen uit de competitieve structuur van het anarchische internationale systeem
(ongeacht het soort overheid)
Klassiek realisme: niet enkel kijken naar systeem, beweert ook dat het in de inherente natuur van staten en hun
leiders ligt om macht op te bouwen in plaats van deze op te geven.
8