Samenvatting agogiek
Inhoud
Samenvatting agogiek ............................................................................................................................ 1
1. Verandering en agogie ....................................................................................................... 3
1.1. Veranderen en helpen veranderen ..................................................................................... 3
1.2. Kenmerken van agogie........................................................................................................ 5
1.3. Cliënt .................................................................................................................................. 7
1.4. Agogische beroepen en velden ........................................................................................... 8
1.5. Niveaus van psychosociaal functioneren ............................................................................ 9
1.6. Verandering nader bekeken; verschillende uitgangspunten, uiteenlopende gevolgen ..... 11
1.7. Incidentele en structurele verandering ............................................................................. 11
1.8. Veranderbaarheid, verantwoordelijkheid en vrijheid ....................................................... 12
1.9. Procesgericht helpen veranderen ..................................................................................... 14
1.10. Wat de agogiek je biedt .................................................................................................... 15
2. Wat verandering stimuleert ............................................................................................. 16
2.1. Bronnen van verandering ................................................................................................. 16
2.2. Motivatie .......................................................................................................................... 17
2.3. Feedback .......................................................................................................................... 18
2.4. Afstand nemen en bewust worden ................................................................................... 19
2.5. Betrokkenheid en binding ................................................................................................. 20
3. Wat verandering in de weg kan zitten .............................................................................. 21
3.1. De belaagde persoon: weerstand en veiligheid ................................................................ 21
3.2. De belaagde persoon: afweermechanismen .................................................................... 22
3.3. Lijnen uit het verleden ...................................................................................................... 25
3.4. Neerwaartse en opwaartse spiralen ................................................................................. 27
3.5. De voordelen van een probleem ...................................................................................... 28
3.6. Verouderde internalisaties (doorwerkende normen) ....................................................... 29
4. Bruikbare theorieën over verandering.............................................................................. 31
4.1. Veldtheorie: krachtenspel ................................................................................................. 31
4.2. Consistentietheorie: streven naar evenwicht ................................................................... 32
4.3. De innovatietheorie: vernieuwingen laten slagen ............................................................ 35
4.4. Theorie van gepland gedrag ............................................................................................. 37
5. Het procesmatige karakter van verandering ..................................................................... 39
5.1. Het (individueel) veranderingsproces ............................................................................... 39
1
, 5.2. Veranderingsvoorwaarden en -effecten ........................................................................... 39
5.3. Veranderen in context: sociale omgeving en praktische omstandigheden ....................... 42
5.4. Het belang van probleemomschrijving ............................................................................. 42
6. Methodisch en professioneel werken ............................................................................... 44
6.1. Het agogisch proces .......................................................................................................... 44
6.2. Communicatiemedium kiezen .......................................................................................... 49
6.3. Stijlen van hulpverlening en begeleiding .......................................................................... 50
6.4. Deskundige ondeskundige ................................................................................................ 50
6.5. Visie en persoonlijkheid van de agoog .............................................................................. 51
6.6. Betrokkenheid of professionele afstand ........................................................................... 51
7. Het agogisch gesprek ....................................................................................................... 52
7.1. Doelen van het agogisch gesprek ..................................................................................... 52
7.2. Het belang van openheid .................................................................................................. 52
7.3. Omgaan met bedenkingen en bezwaren .......................................................................... 53
7.4. Non-directieve gesprekshouding ...................................................................................... 53
8. De agoog voor de groep ................................................................................................... 54
8.1. Soorten groepen voor de agoog ....................................................................................... 54
8.2. Groepen ............................................................................................................................ 54
8.3. Overwegingen voor groepswerk ....................................................................................... 55
8.4. Waar vind je groepswerk? ................................................................................................ 55
9. Met organisaties werken ................................................................................................. 56
9.1. Agogen en organisaties ..................................................................................................... 56
9.2. Organisatieverschijnselen ................................................................................................. 57
9.3. Organisaties in verandering .............................................................................................. 60
9.4. Weerstand tegen verandering .......................................................................................... 60
9.5. Gezond vs ongezond functionerende organisaties ........................................................... 60
9.6. Visies op de mens in de organisatie .................................................................................. 61
9.7. Het agogisch proces .......................................................................................................... 61
9.8. Doelen van organisatieverandering .................................................................................. 62
9.9. Strategisch werken als organisatieagoog .......................................................................... 63
9.10. Invalshoeken voor organisatieverandering .................................................................. 64
2
, 1. Verandering en agogie
De wereld en wij zelf veranderen constant. Je ontwikkelt je naarmate je ouder wordt en je past je aan
aan de gewijzigde omstandigheden. Ook werk verandert; de inhoud, instellingen verdwijnen en
andere komen erbij, en er vinden reorganisaties plaats.
Problemen? Dan moet er iets veranderen om er weer uit te komen of moet je leren om er
mee om te gaan.
Wat de reden ook is voor verandering: soms nodig of handig dat iemand hierbij helpt, meedenkt en
steunt. = VAKGEBIED VAN DE AGOGIEK
Agogiek = de kern van sociaal werk
1.1. Veranderen en helpen veranderen
Veranderingen stellen eisen aan de betrokkenen:
• Nieuwe gedachten, gewoontes, normen, technieken, manieren, … eigen maken.
• Ander gedrag aanleren, omgaan met vreemde mensen, nieuwe ervaringen opdoen, het
vertrouwde verlaten en nieuw gedrag uitproberen.
➔ Gaat niet zomaar, geeft onzekerheid.
Veranderen heeft verschillende betekenissen: op het ene heb je vat, op het andere niet.
Voorbeeld:
- “het weer verandert”
- “ik verander de inrichting van mijn kamer” → hier is er sprake van DOEN veranderen
Het gaat over de wijze waarop je mensen kunt helen, begeleiden of beïnvloeden.
➔ Geen: alledaagse beïnvloeding (zoals bv reclameboodschappen)
➔ Wel: professionele beïnvloeding van mensen met als doel dat deze mensen het op één
of andere manier beter krijgen (dat hun welzijn dus versterkt wordt). = AGOGIE
Voorbeeld: begeleiding van verandering door maatschappelijk werkers,
verpleegkundigen, re-integratie consulenten, psychotherapeuten, opbouwwerkers,
coaches, organisatieadviseurs, … = agogische werkvelden en beroepen
Agogie = de verzamelnaam voor alle professionele beïnvloeding met als doel dat
deze mensen het beter krijgen (afgeleid van agein; voeren/leiden)
Agogische werkvelden = de verschillende werksoorten
Agogische beroepen = de betreffende beroepen
Agogen = degenen die agogie bedrijven
Agogiek = de leer van het doen veranderen van mensen, van de algemene
principes in deze werkvelden (= dus het vakgebied van agogen)
3
, 1.1.1. Opkomst van de agogie
1. Enkele eeuwen • Onze voorouders leefden meestal op het platteland: in kleine
geleden: kleine overzichtelijke gemeenschappen. Alles speelde zich daar af.
overzichtelijke • Meisjes volgen hun moeder, jongens volgen hun vader.
gemeenschappen • Doen en laten is op elkaar afgestemd en alles is geweten van
elkaar → weinig keuzevrijheid → alles wat er met je ging
gebeuren werd van jongs af aan al bepaald.
2. Ontwikkeling van • Gestart met de stoommachine
moderne techniek • Alle mensen op platteland gingen op zoek naar beter leven →
en wetenschap: trek naar de steden → onderlinge afhankelijk daalt want
industrialisatie steden betekent meer anonimiteit, dus meer keuzevrijheid en
niet constant meer in de gaten gehouden worden.
• Als je niet meer kon functioneren, volgde de dood van de
kinderen door armoede → vanuit die dood kwam er van alles
op gang en begon liefdadigheid (vooral door de echtgenoten
van mannen in adel)
• Arbeiders begonnen zich te verenigen; maakten een geldpot
zodat mensen geholpen konden worden indien ze bv ziek
werden. Dat is eigenlijk de start van de huidige mutualiteiten
(betekent letterlijk wederkerigheid). Kerk merkte socialisme
op dus startte ook met liefdadigheid uit angst voor
verbreding van het socialisme.
3. Organisatie hulp • Vanuit werknemers zelf én vanuit de kerk groeit dus
en begeleiding op organisatie van hulp en begeleiding op maatschappelijk
maatschappelijk niveau. →
niveau • Hierbij bleven werkgevers niet achter, zij gingen bv maaltijden
aanbieden aan werknemers → beter zorgen voor personeel
want gezonde werknemers geeft sterkere werkkrachten, en
dat geeft goed opgevoede kinderen dus weer nieuwe
werkkrachten.
4. Arbeidsdeling • Scholen, ziekenhuizen, maatschappelijk werkers, centra voor
kraamzorg etc. ontstaan.
5. Groei instellingen • Uiteindelijk grote groei van instellingen om allerlei taken te
gaan uitvoeren die eerst werden verricht door paar mensen in
het dorp (= dorpshoofden). Beroepskrachten die mensen met
specifiek probleem (bv psychiatrie) of specifieke doelgroep (bv
kinderen) gaan helpen.
• Nu steeds verdere arbeidsdeling door specialisering → steeds
verdere professionalisering van mensen die steeds meer gaan
beïnvloeden
4
Inhoud
Samenvatting agogiek ............................................................................................................................ 1
1. Verandering en agogie ....................................................................................................... 3
1.1. Veranderen en helpen veranderen ..................................................................................... 3
1.2. Kenmerken van agogie........................................................................................................ 5
1.3. Cliënt .................................................................................................................................. 7
1.4. Agogische beroepen en velden ........................................................................................... 8
1.5. Niveaus van psychosociaal functioneren ............................................................................ 9
1.6. Verandering nader bekeken; verschillende uitgangspunten, uiteenlopende gevolgen ..... 11
1.7. Incidentele en structurele verandering ............................................................................. 11
1.8. Veranderbaarheid, verantwoordelijkheid en vrijheid ....................................................... 12
1.9. Procesgericht helpen veranderen ..................................................................................... 14
1.10. Wat de agogiek je biedt .................................................................................................... 15
2. Wat verandering stimuleert ............................................................................................. 16
2.1. Bronnen van verandering ................................................................................................. 16
2.2. Motivatie .......................................................................................................................... 17
2.3. Feedback .......................................................................................................................... 18
2.4. Afstand nemen en bewust worden ................................................................................... 19
2.5. Betrokkenheid en binding ................................................................................................. 20
3. Wat verandering in de weg kan zitten .............................................................................. 21
3.1. De belaagde persoon: weerstand en veiligheid ................................................................ 21
3.2. De belaagde persoon: afweermechanismen .................................................................... 22
3.3. Lijnen uit het verleden ...................................................................................................... 25
3.4. Neerwaartse en opwaartse spiralen ................................................................................. 27
3.5. De voordelen van een probleem ...................................................................................... 28
3.6. Verouderde internalisaties (doorwerkende normen) ....................................................... 29
4. Bruikbare theorieën over verandering.............................................................................. 31
4.1. Veldtheorie: krachtenspel ................................................................................................. 31
4.2. Consistentietheorie: streven naar evenwicht ................................................................... 32
4.3. De innovatietheorie: vernieuwingen laten slagen ............................................................ 35
4.4. Theorie van gepland gedrag ............................................................................................. 37
5. Het procesmatige karakter van verandering ..................................................................... 39
5.1. Het (individueel) veranderingsproces ............................................................................... 39
1
, 5.2. Veranderingsvoorwaarden en -effecten ........................................................................... 39
5.3. Veranderen in context: sociale omgeving en praktische omstandigheden ....................... 42
5.4. Het belang van probleemomschrijving ............................................................................. 42
6. Methodisch en professioneel werken ............................................................................... 44
6.1. Het agogisch proces .......................................................................................................... 44
6.2. Communicatiemedium kiezen .......................................................................................... 49
6.3. Stijlen van hulpverlening en begeleiding .......................................................................... 50
6.4. Deskundige ondeskundige ................................................................................................ 50
6.5. Visie en persoonlijkheid van de agoog .............................................................................. 51
6.6. Betrokkenheid of professionele afstand ........................................................................... 51
7. Het agogisch gesprek ....................................................................................................... 52
7.1. Doelen van het agogisch gesprek ..................................................................................... 52
7.2. Het belang van openheid .................................................................................................. 52
7.3. Omgaan met bedenkingen en bezwaren .......................................................................... 53
7.4. Non-directieve gesprekshouding ...................................................................................... 53
8. De agoog voor de groep ................................................................................................... 54
8.1. Soorten groepen voor de agoog ....................................................................................... 54
8.2. Groepen ............................................................................................................................ 54
8.3. Overwegingen voor groepswerk ....................................................................................... 55
8.4. Waar vind je groepswerk? ................................................................................................ 55
9. Met organisaties werken ................................................................................................. 56
9.1. Agogen en organisaties ..................................................................................................... 56
9.2. Organisatieverschijnselen ................................................................................................. 57
9.3. Organisaties in verandering .............................................................................................. 60
9.4. Weerstand tegen verandering .......................................................................................... 60
9.5. Gezond vs ongezond functionerende organisaties ........................................................... 60
9.6. Visies op de mens in de organisatie .................................................................................. 61
9.7. Het agogisch proces .......................................................................................................... 61
9.8. Doelen van organisatieverandering .................................................................................. 62
9.9. Strategisch werken als organisatieagoog .......................................................................... 63
9.10. Invalshoeken voor organisatieverandering .................................................................. 64
2
, 1. Verandering en agogie
De wereld en wij zelf veranderen constant. Je ontwikkelt je naarmate je ouder wordt en je past je aan
aan de gewijzigde omstandigheden. Ook werk verandert; de inhoud, instellingen verdwijnen en
andere komen erbij, en er vinden reorganisaties plaats.
Problemen? Dan moet er iets veranderen om er weer uit te komen of moet je leren om er
mee om te gaan.
Wat de reden ook is voor verandering: soms nodig of handig dat iemand hierbij helpt, meedenkt en
steunt. = VAKGEBIED VAN DE AGOGIEK
Agogiek = de kern van sociaal werk
1.1. Veranderen en helpen veranderen
Veranderingen stellen eisen aan de betrokkenen:
• Nieuwe gedachten, gewoontes, normen, technieken, manieren, … eigen maken.
• Ander gedrag aanleren, omgaan met vreemde mensen, nieuwe ervaringen opdoen, het
vertrouwde verlaten en nieuw gedrag uitproberen.
➔ Gaat niet zomaar, geeft onzekerheid.
Veranderen heeft verschillende betekenissen: op het ene heb je vat, op het andere niet.
Voorbeeld:
- “het weer verandert”
- “ik verander de inrichting van mijn kamer” → hier is er sprake van DOEN veranderen
Het gaat over de wijze waarop je mensen kunt helen, begeleiden of beïnvloeden.
➔ Geen: alledaagse beïnvloeding (zoals bv reclameboodschappen)
➔ Wel: professionele beïnvloeding van mensen met als doel dat deze mensen het op één
of andere manier beter krijgen (dat hun welzijn dus versterkt wordt). = AGOGIE
Voorbeeld: begeleiding van verandering door maatschappelijk werkers,
verpleegkundigen, re-integratie consulenten, psychotherapeuten, opbouwwerkers,
coaches, organisatieadviseurs, … = agogische werkvelden en beroepen
Agogie = de verzamelnaam voor alle professionele beïnvloeding met als doel dat
deze mensen het beter krijgen (afgeleid van agein; voeren/leiden)
Agogische werkvelden = de verschillende werksoorten
Agogische beroepen = de betreffende beroepen
Agogen = degenen die agogie bedrijven
Agogiek = de leer van het doen veranderen van mensen, van de algemene
principes in deze werkvelden (= dus het vakgebied van agogen)
3
, 1.1.1. Opkomst van de agogie
1. Enkele eeuwen • Onze voorouders leefden meestal op het platteland: in kleine
geleden: kleine overzichtelijke gemeenschappen. Alles speelde zich daar af.
overzichtelijke • Meisjes volgen hun moeder, jongens volgen hun vader.
gemeenschappen • Doen en laten is op elkaar afgestemd en alles is geweten van
elkaar → weinig keuzevrijheid → alles wat er met je ging
gebeuren werd van jongs af aan al bepaald.
2. Ontwikkeling van • Gestart met de stoommachine
moderne techniek • Alle mensen op platteland gingen op zoek naar beter leven →
en wetenschap: trek naar de steden → onderlinge afhankelijk daalt want
industrialisatie steden betekent meer anonimiteit, dus meer keuzevrijheid en
niet constant meer in de gaten gehouden worden.
• Als je niet meer kon functioneren, volgde de dood van de
kinderen door armoede → vanuit die dood kwam er van alles
op gang en begon liefdadigheid (vooral door de echtgenoten
van mannen in adel)
• Arbeiders begonnen zich te verenigen; maakten een geldpot
zodat mensen geholpen konden worden indien ze bv ziek
werden. Dat is eigenlijk de start van de huidige mutualiteiten
(betekent letterlijk wederkerigheid). Kerk merkte socialisme
op dus startte ook met liefdadigheid uit angst voor
verbreding van het socialisme.
3. Organisatie hulp • Vanuit werknemers zelf én vanuit de kerk groeit dus
en begeleiding op organisatie van hulp en begeleiding op maatschappelijk
maatschappelijk niveau. →
niveau • Hierbij bleven werkgevers niet achter, zij gingen bv maaltijden
aanbieden aan werknemers → beter zorgen voor personeel
want gezonde werknemers geeft sterkere werkkrachten, en
dat geeft goed opgevoede kinderen dus weer nieuwe
werkkrachten.
4. Arbeidsdeling • Scholen, ziekenhuizen, maatschappelijk werkers, centra voor
kraamzorg etc. ontstaan.
5. Groei instellingen • Uiteindelijk grote groei van instellingen om allerlei taken te
gaan uitvoeren die eerst werden verricht door paar mensen in
het dorp (= dorpshoofden). Beroepskrachten die mensen met
specifiek probleem (bv psychiatrie) of specifieke doelgroep (bv
kinderen) gaan helpen.
• Nu steeds verdere arbeidsdeling door specialisering → steeds
verdere professionalisering van mensen die steeds meer gaan
beïnvloeden
4