Samenvatting communicatie toetsstof thema 10
Hoofdstuk 1
Ouders en leerkrachten hebben verschillende taken. Ouders hebben als eerste taak het
opvoeden van hun kinderen. Dat gebeurt in het gezin, het eerste opvoedingsmilieu van het
kind.
Voor het onderwijs vertrouwen ouders hun kind toe aan een school. De school is het tweede
opvoedingsmilieu. Leerkrachten voeden dus ook op.
Voor kinderen is het belangrijk dat de opvoedingsmilieus van het gezin en de school op
elkaar worden afgestemd en dat er niet al te grote verschillen bestaan.
Ouders kunnen vijf verschillende doelen hebben met opvoeden:
1. Ouders zijn gericht op conformisme. Daarbij gaat het om aanpassing aan de sociale
omgeving. Kinderen moeten respect hebben voor ouders en ouderen en goede
manieren hebben.
2. Ouders zijn gericht op de autonomie van het kind.
3. Ouders zijn gericht op het sociale gevoel. Daarbij gaat het om de sociale
persoonsontwikkeling. Kinderen moeten leren rekening houden met anderen,
verdraagzaam en behulpzaam zijn.
4. Ouders zijn prestatiegericht. Kinderen moeten goede schoolresultaten behalen en
ijverig en ambitieus zijn.
5. Ouders zijn gericht op assertiviteit. Daarbij gaat het om de houding ten opzichte van
zichzelf en anderen.
De meeste ouders zien als gezinstaken: het bijbrengen van goede manieren, het aanleren van
gezonde eetgewoonten, het geven van seksuele voorlichting, naschoolse opvang, aandacht
voor levensbeschouwing en vorming tot evenwichtige mensen. Het gaat hierbij vooral om
persoonlijke en sociale vormingszaken.
Een gezamenlijke verantwoordelijkheid zien de ouders bij de volgende taken: belangstelling
voor cultuur en milieu, respect voor andere culturen, belangstelling voor politiek, het helpen
van kinderen met psychische problemen en het leren rekening houden met anderen. Hierbij
gaat het om maatschappelijke vormingstaken en hulp bij individuele problemen.
Ouders kunnen worden onderscheiden naar de rollen die ze hebben.
Ouders zijn allereerst leverancier: zij hebben voor een bepaalde school gekozen en komen
hun kinderen bij de school aanmelden.
Zodra de kinderen op school zitten, komen de ouders in de rol van consument of klant: de
ouders nemen de diensten van de school af.
Een ouder kan ook een rol van bestuurder krijgen. Zo’n ouder krijgt een andere plaats: als
opdrachtgever geeft hij mede vorm aan de school.
In de eerste plaats worden ouders gezien als partners. Als partners van de leerkrachten
mogen ouders meeleven, meehelpen, meedenken en mee beslissen als het gaat om de
ontwikkeling van hun kind.
,De ouders en de leerkrachten staan beiden in een bepaalde verhouding tot de kinderen.
We onderscheiden daarin drie hiërarchieën:
• De emotionele hiërarchie;
• De verantwoordelijkheidshiërarchie;
• De deskundigheidshiërarchie.
Bij de emotionele hiërarchie gaat het om de emotionele bevindingen van kinderen met de
personen met wie ze te maken krijgen.
Bij de verantwoordelijkheidshiërarchie gaat het erom wie de grootste verantwoordelijkheid
heeft voor de ontwikkeling van kinderen. Ouders zijn dat voor de opvoeding, scholen voor
het onderwijs.
Bij deskundigheidshiërarchie gaat het om de deskundigheid die nodig is bij de opvoeding en
de ontwikkeling van kinderen.
Samenwerken met ouders betekent niet dat de ouders al hun ideeën kunnen ‘doordrukken’.
Er zijn drie redenen waarom scholen de ouders betrekken bij het schoolgebeuren. De school
doet dat:
• Vanuit het besef dat ouders bij de school horen;
• Omdat de school niet zonder de praktische ondersteuning van ouders kan;
• Omdat scholen geloven dat leerlingen er, qua ontwikkeling al in algemene zin, beter
van worden.
Een goede samenwerking tussen school en ouders bevordert de betrokkenheid van ouders.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie.
Ouderbetrokkenheid → de betrokkenheid van ouders bij de opvoeding en het onderwijs van
hun eigen kind, thuis en op school.
Ouderparticipatie → is het actief deelnemen van ouders aan schoolse activiteiten.
Dit kunnen vrijblijvende vormen zijn (zoals het leveren van hand- en spandiensten) of
geïnstitutionaliseerde vormen (zitting in de ouderraad, medezeggenschapsraad of
schoolbestuur).
Ouderparticipatie kan een positief effect hebben op ouderbetrokkenheid: ouders die
meewerken op school zullen eerder betrokken zijn bij de school van hun kind.
Ouderbetrokkenheid thuis heeft een positief effect op het functioneren van kinderen binnen
de school.
Het effect is het grootst als de thuisactiviteiten samenvallen met de schoolactiviteiten.
Ouderbetrokkenheid kan bekeken worden vanuit de behoefte van de school (interne
behoefte) of vanuit de noodzaak van buitenaf (externe noodzaak).
Bij de interne behoefte vraagt de school zich af: welke school willen we zijn voor ouders?
Bij de externe behoefte gaat het om de vraag: welke school moeten we zijn voor de ouders?
,Niet alle ouders zijn even gemakkelijk te betrekken bij de school en het onderwijs. De mate
van betrokkenheid kan afhangen van de volgende factoren:
• Tijd en ‘ruimte’ die de ouder heeft;
• De opleiding van de ouder;
• De sociaal-economische achtergrond van de ouder;
• De leeftijd van het kind;
• De eventuele problemen van het kind.
De ouderwijsraad onderscheidt in het rapport Ouders als partners twee groepen ouders: de
actieve en de niet-actieve ouders.
Actieve ouders Niet-actieve ouders
Partners Overdragenden
Participanten Onzichtbaren
De actieve ouders zijn onder te verdelen in partners en participanten.
De partners zijn zeer betrokken bij alles wat er op de school van hun kinderen gebeurt. Ze
zijn uit op samenwerking met de leerkrachten. Bij schoolactiviteiten zijn ze, als het kan,
aanwezig.
De participanten zijn vooral actief bij het onderwijs in de klas. Ze helpen met leuke
activiteiten. Ze zijn minder actief dan de partners en ze nemen niet het initiatief. Deze groep
ouders is het grootst.
De niet-actieve ouders zijn ook onder te verdelen in twee groepen: de overdragenden en de
onzichtbaren.
De overdragenden hebben een duidelijke levensbeschouwing en laten het onderwijs over
aan de directie en het team.
De onzichtbaren zijn vooral ouders met een lage sociaal-economische positie. Ze doen wel
mee met de activiteiten die voor de kinderen worden georganiseerd, maar minder dan de
andere groepen.
Ouderbetrokkenheid kan op verschillende niveaus en op diverse manieren plaatsvinden.
Ouders kunnen op kind-, groep- en schoolniveau betrokken zijn.
Om ouderbetrokkenheid te stimuleren en te steunen is goede communicatie belangrijk. Dat
begint met het informeren van de ouders. Het is de basis voor een relatie.
Ouders kunnen op de drie genoemde niveaus van betrokkenheid (kind, groep en school)
worden geïnformeerd. De informatie kan mondeling of schriftelijk worden gegeven.
Schriftelijke informatieverstrekking:
• Kindniveau: rapport, persoonlijk briefje, uitnodiging tienminutengesprek.
• Groepsniveau: uitnodiging voor een groepsinformatieavond, rooster, prikbord
mededelingen.
• Schoolniveau: schoolgids, informatieboekje, schoolbrief, schoolkrant.
, De Vries (2007) heeft een schoolontwikkelingsmodel voor ouderbetrokkenheid ontwikkeld.
Binnen dat model maakt hij een onderscheid tussen verschillende typen scholen voor
ouders.
Er zijn vijf typen:
1. Informatiegerichte school:
Binnen dit type scholen zijn de leerkrachten de vakmensen. Contacten met ouders
zijn formeel.
2. Structuurgerichte school:
De taken en verantwoordelijkheden van school en ouders liggen binnen dit type
school vast. De contacten met ouders zijn formeel.
3. Relatiegerichte school:
Dit type school richt zich op ouders om problemen met hen te voorkomen. De school
is erop gericht goede contacten met ouders aan te gaan en te onderhouden.
4. Participatiegerichte school:
De school van dit type streeft naar vernieuwingen en bekijkt voortdurend waar
ouders kunnen worden ingeschakeld. De school stelt zich proactief op in het aangaan
van contacten met ouders.
5. Innovatiegerichte school:
Dit type school werkt met een langetermijnvisie in het onderwijs. School en ouders
zijn allebei even actief in het steeds weer verbeteren van alles wat met school te
maken heeft.
Partnerschap → een relatie waarbij wederzijdse verantwoordelijkheden duidelijk zijn en het
handelen sturen.
Partnerschap vraagt om een goed contact en een heldere communicatie.
Partnerschap kan worden onderscheiden in pedagogisch en educatief partnerschap.
Het pedagogisch partnerschap bestaat uit het afstemmen tussen school en ouders wat
betreft de visie op opvoeden.
Binnen educatief partnerschap volgen en ondersteunen de ouders de leerontwikkeling van
hun kind en hebben ze daarover contact met de school.
Onderwijskundig doel → het ondersteunen van de ouders van het werk dat de leerkrachten
uitvoeren, zodat de schoolloopbaan van de kinderen zo optimaal mogelijk kan verlopen.
Drie doelen van ouderparticipatie:
• Organisatorische doelen: ouders leveren een bijdrage aan de school.
• Democratische doelen: het informeel en formeel meedenken en meebeslissen van
ouders met de school.
• Maatschappelijke doelen: Ouders en school leveren een bijdrage aan het verankeren
van de school binnen een wijk, de buurt, het dorp of de stad.
Hoofdstuk 1
Ouders en leerkrachten hebben verschillende taken. Ouders hebben als eerste taak het
opvoeden van hun kinderen. Dat gebeurt in het gezin, het eerste opvoedingsmilieu van het
kind.
Voor het onderwijs vertrouwen ouders hun kind toe aan een school. De school is het tweede
opvoedingsmilieu. Leerkrachten voeden dus ook op.
Voor kinderen is het belangrijk dat de opvoedingsmilieus van het gezin en de school op
elkaar worden afgestemd en dat er niet al te grote verschillen bestaan.
Ouders kunnen vijf verschillende doelen hebben met opvoeden:
1. Ouders zijn gericht op conformisme. Daarbij gaat het om aanpassing aan de sociale
omgeving. Kinderen moeten respect hebben voor ouders en ouderen en goede
manieren hebben.
2. Ouders zijn gericht op de autonomie van het kind.
3. Ouders zijn gericht op het sociale gevoel. Daarbij gaat het om de sociale
persoonsontwikkeling. Kinderen moeten leren rekening houden met anderen,
verdraagzaam en behulpzaam zijn.
4. Ouders zijn prestatiegericht. Kinderen moeten goede schoolresultaten behalen en
ijverig en ambitieus zijn.
5. Ouders zijn gericht op assertiviteit. Daarbij gaat het om de houding ten opzichte van
zichzelf en anderen.
De meeste ouders zien als gezinstaken: het bijbrengen van goede manieren, het aanleren van
gezonde eetgewoonten, het geven van seksuele voorlichting, naschoolse opvang, aandacht
voor levensbeschouwing en vorming tot evenwichtige mensen. Het gaat hierbij vooral om
persoonlijke en sociale vormingszaken.
Een gezamenlijke verantwoordelijkheid zien de ouders bij de volgende taken: belangstelling
voor cultuur en milieu, respect voor andere culturen, belangstelling voor politiek, het helpen
van kinderen met psychische problemen en het leren rekening houden met anderen. Hierbij
gaat het om maatschappelijke vormingstaken en hulp bij individuele problemen.
Ouders kunnen worden onderscheiden naar de rollen die ze hebben.
Ouders zijn allereerst leverancier: zij hebben voor een bepaalde school gekozen en komen
hun kinderen bij de school aanmelden.
Zodra de kinderen op school zitten, komen de ouders in de rol van consument of klant: de
ouders nemen de diensten van de school af.
Een ouder kan ook een rol van bestuurder krijgen. Zo’n ouder krijgt een andere plaats: als
opdrachtgever geeft hij mede vorm aan de school.
In de eerste plaats worden ouders gezien als partners. Als partners van de leerkrachten
mogen ouders meeleven, meehelpen, meedenken en mee beslissen als het gaat om de
ontwikkeling van hun kind.
,De ouders en de leerkrachten staan beiden in een bepaalde verhouding tot de kinderen.
We onderscheiden daarin drie hiërarchieën:
• De emotionele hiërarchie;
• De verantwoordelijkheidshiërarchie;
• De deskundigheidshiërarchie.
Bij de emotionele hiërarchie gaat het om de emotionele bevindingen van kinderen met de
personen met wie ze te maken krijgen.
Bij de verantwoordelijkheidshiërarchie gaat het erom wie de grootste verantwoordelijkheid
heeft voor de ontwikkeling van kinderen. Ouders zijn dat voor de opvoeding, scholen voor
het onderwijs.
Bij deskundigheidshiërarchie gaat het om de deskundigheid die nodig is bij de opvoeding en
de ontwikkeling van kinderen.
Samenwerken met ouders betekent niet dat de ouders al hun ideeën kunnen ‘doordrukken’.
Er zijn drie redenen waarom scholen de ouders betrekken bij het schoolgebeuren. De school
doet dat:
• Vanuit het besef dat ouders bij de school horen;
• Omdat de school niet zonder de praktische ondersteuning van ouders kan;
• Omdat scholen geloven dat leerlingen er, qua ontwikkeling al in algemene zin, beter
van worden.
Een goede samenwerking tussen school en ouders bevordert de betrokkenheid van ouders.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie.
Ouderbetrokkenheid → de betrokkenheid van ouders bij de opvoeding en het onderwijs van
hun eigen kind, thuis en op school.
Ouderparticipatie → is het actief deelnemen van ouders aan schoolse activiteiten.
Dit kunnen vrijblijvende vormen zijn (zoals het leveren van hand- en spandiensten) of
geïnstitutionaliseerde vormen (zitting in de ouderraad, medezeggenschapsraad of
schoolbestuur).
Ouderparticipatie kan een positief effect hebben op ouderbetrokkenheid: ouders die
meewerken op school zullen eerder betrokken zijn bij de school van hun kind.
Ouderbetrokkenheid thuis heeft een positief effect op het functioneren van kinderen binnen
de school.
Het effect is het grootst als de thuisactiviteiten samenvallen met de schoolactiviteiten.
Ouderbetrokkenheid kan bekeken worden vanuit de behoefte van de school (interne
behoefte) of vanuit de noodzaak van buitenaf (externe noodzaak).
Bij de interne behoefte vraagt de school zich af: welke school willen we zijn voor ouders?
Bij de externe behoefte gaat het om de vraag: welke school moeten we zijn voor de ouders?
,Niet alle ouders zijn even gemakkelijk te betrekken bij de school en het onderwijs. De mate
van betrokkenheid kan afhangen van de volgende factoren:
• Tijd en ‘ruimte’ die de ouder heeft;
• De opleiding van de ouder;
• De sociaal-economische achtergrond van de ouder;
• De leeftijd van het kind;
• De eventuele problemen van het kind.
De ouderwijsraad onderscheidt in het rapport Ouders als partners twee groepen ouders: de
actieve en de niet-actieve ouders.
Actieve ouders Niet-actieve ouders
Partners Overdragenden
Participanten Onzichtbaren
De actieve ouders zijn onder te verdelen in partners en participanten.
De partners zijn zeer betrokken bij alles wat er op de school van hun kinderen gebeurt. Ze
zijn uit op samenwerking met de leerkrachten. Bij schoolactiviteiten zijn ze, als het kan,
aanwezig.
De participanten zijn vooral actief bij het onderwijs in de klas. Ze helpen met leuke
activiteiten. Ze zijn minder actief dan de partners en ze nemen niet het initiatief. Deze groep
ouders is het grootst.
De niet-actieve ouders zijn ook onder te verdelen in twee groepen: de overdragenden en de
onzichtbaren.
De overdragenden hebben een duidelijke levensbeschouwing en laten het onderwijs over
aan de directie en het team.
De onzichtbaren zijn vooral ouders met een lage sociaal-economische positie. Ze doen wel
mee met de activiteiten die voor de kinderen worden georganiseerd, maar minder dan de
andere groepen.
Ouderbetrokkenheid kan op verschillende niveaus en op diverse manieren plaatsvinden.
Ouders kunnen op kind-, groep- en schoolniveau betrokken zijn.
Om ouderbetrokkenheid te stimuleren en te steunen is goede communicatie belangrijk. Dat
begint met het informeren van de ouders. Het is de basis voor een relatie.
Ouders kunnen op de drie genoemde niveaus van betrokkenheid (kind, groep en school)
worden geïnformeerd. De informatie kan mondeling of schriftelijk worden gegeven.
Schriftelijke informatieverstrekking:
• Kindniveau: rapport, persoonlijk briefje, uitnodiging tienminutengesprek.
• Groepsniveau: uitnodiging voor een groepsinformatieavond, rooster, prikbord
mededelingen.
• Schoolniveau: schoolgids, informatieboekje, schoolbrief, schoolkrant.
, De Vries (2007) heeft een schoolontwikkelingsmodel voor ouderbetrokkenheid ontwikkeld.
Binnen dat model maakt hij een onderscheid tussen verschillende typen scholen voor
ouders.
Er zijn vijf typen:
1. Informatiegerichte school:
Binnen dit type scholen zijn de leerkrachten de vakmensen. Contacten met ouders
zijn formeel.
2. Structuurgerichte school:
De taken en verantwoordelijkheden van school en ouders liggen binnen dit type
school vast. De contacten met ouders zijn formeel.
3. Relatiegerichte school:
Dit type school richt zich op ouders om problemen met hen te voorkomen. De school
is erop gericht goede contacten met ouders aan te gaan en te onderhouden.
4. Participatiegerichte school:
De school van dit type streeft naar vernieuwingen en bekijkt voortdurend waar
ouders kunnen worden ingeschakeld. De school stelt zich proactief op in het aangaan
van contacten met ouders.
5. Innovatiegerichte school:
Dit type school werkt met een langetermijnvisie in het onderwijs. School en ouders
zijn allebei even actief in het steeds weer verbeteren van alles wat met school te
maken heeft.
Partnerschap → een relatie waarbij wederzijdse verantwoordelijkheden duidelijk zijn en het
handelen sturen.
Partnerschap vraagt om een goed contact en een heldere communicatie.
Partnerschap kan worden onderscheiden in pedagogisch en educatief partnerschap.
Het pedagogisch partnerschap bestaat uit het afstemmen tussen school en ouders wat
betreft de visie op opvoeden.
Binnen educatief partnerschap volgen en ondersteunen de ouders de leerontwikkeling van
hun kind en hebben ze daarover contact met de school.
Onderwijskundig doel → het ondersteunen van de ouders van het werk dat de leerkrachten
uitvoeren, zodat de schoolloopbaan van de kinderen zo optimaal mogelijk kan verlopen.
Drie doelen van ouderparticipatie:
• Organisatorische doelen: ouders leveren een bijdrage aan de school.
• Democratische doelen: het informeel en formeel meedenken en meebeslissen van
ouders met de school.
• Maatschappelijke doelen: Ouders en school leveren een bijdrage aan het verankeren
van de school binnen een wijk, de buurt, het dorp of de stad.