Casus onderwijsgroep week 3.8
Centrale vraag :
Welke vermogensbestanddelen kunnen zekerheid bieden aan de bank t.b.v. verstrekken
financiering?
Leerdoelen :
1. Wat zijn absolute rechten (goederenrecht)?
Absolute rechten zijn rechten die een persoon op een goed kan hebben. Een absoluut recht
geldt ten opzichte van iedereen. Absolute rechten zijn :
1) Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
2) Pand (art. 3:227 BW)
3) Hypotheek (art. 3:227 BW)
4) Eigendom (art. 5:1 BW)
5) Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW)
6) Erfpacht (art. 5:85 BW)
7) Opstal (art. 5:101 BW)
8) Appartement (art. 5:106 BW)
2. Wat zijn de kenmerken van absolute rechten?
1) Een absoluut recht geldt ten opzichte van iedereen.
2) Zaaksgevolg (droit de suite)
Een absoluut recht blijft op een goed bestaan, ook al bevindt dat goed zich niet meer in
de macht van de rechthebbende. Het absolute recht volgt dus het goed waarop het rust.
3) Prioriteitsbeginsel (droit de priorite)
Een eerder gevestigd absoluut recht gaat voor een later gevestigd absoluut recht.
4) Bevoorrechte positie (droit de preference)
Een absoluut recht neemt een bevoorrechte positie in bij een faillissement van een
ander. Als een persoon of een bedrijf failliet gaat, dan vallen in beginsel al zijn of haar
goederen in het faillissement. Goederen waar een derde een absoluut recht op heeft,
vallen niet onder het faillissement.
3. Wat zijn relatieve rechten (verbintenissenrecht)?
Relatieve rechten (persoonlijke rechten) zijn rechten die slecht tegenover een bepaalde
persoon werken. Relatieve rechten zijn alle rechten behalve absolute rechten.
4. Wat zijn beperkte rechten?
Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het
beperkte recht is bezwaard (art. 3:8 BW).
a. Genotsrechten (gebruiksrechten)
Rechten die de rechthebbende gebruiksgenot verschaffen van de goed waarop het rust.
b. Zekerheidsrechten
Rechten die de rechthebbende zekerheid bieden ter voldoening van een vordering die hij
op een schuldenaar heeft. De rechthebbende is dus niet bevoegd om het goed waarop
het zekerheidsrecht rust te gebruiken.
5. Wat zijn genotsrechten?
1) Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken
en daarvan de vruchten te genieten.
, 2) Erfdienstbaarheid (art. 5:70 lid 1 BW)
Erfdienstbaarheid is een last waarmee de onroerende zaak (het dienende erf) ten
behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf) is bezwaard.
3) Erfpacht (art. 5:85 lid 1 BW)
Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders
onroerende zaak te houden en te gebruiken.
4) Opstal (art. 5:101 lid 1 BW)
Opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander
gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.
5) Appartement (art. 5:106 lid 1 jo. lid 2 jo. lid 3 jo. lid 4 BW)
Een eigenaar, erfpachter, opstaller of appartementseigenaar is bevoegd om zijn recht op
een gebouw of op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten.
Appartementsrecht is een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, dat
de bevoegdheid omvat tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het
gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt.
6. Wat zijn zekerheidsrechten?
1) Pand (art. 3:227 lid 1 BW)
Pand is een beperkt recht strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een
vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen. Als het recht op een ander goed is gevestigd, dan is het een recht van pand.
2) Hypotheek (art. 3:227 lid 1 BW)
Hypotheek is een recht strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een
vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen. Als het recht op een registergoed is gevestigd, dan is het een recht van
hypotheek.
7. Wat is pand?
Het recht van pand is een beperkt recht, strekkende om op de daaraan onderworpen
goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere
schuldeisers te verhalen. Het recht is op een niet-registergoed gevestigd (art. 3:227 lid 1 BW).
de schuldeiser die geld heeft uitgeleend onder de voorwaarde dat hij een recht van pand
krijgt op een niet-registergoed is de pandhouder. De eigenaar van het verpande goed is de
pandgever.
Soorten pandrecht :
1) Vuistpand
Het goed komt in de macht van de pandhouder.
2) Bezitloos pand (stil pand)
Het goed blijft in de macht van de pandgever.
8. Wat zijn de vereisten van vestiging van pand?
De vereisten voor vestiging van een pandrecht zijn (art. 3:84 lid 1 BW) :
1) Een vestiging
a. Vuistpand
Pandrecht op een roerende zaak of op het vruchtgebruik daarvan wordt gevestigd
door de zaak in de macht van de pandhouder of een derde te brengen (art. 3:236 lid
1 BW). Pandrecht op andere goederen wordt gevestigd op overeenkomstige wijze als
voor de levering van het te verpanden goed is bepaald (art. 3:236 lid 2 BW).
b. Bezitloos pand
Centrale vraag :
Welke vermogensbestanddelen kunnen zekerheid bieden aan de bank t.b.v. verstrekken
financiering?
Leerdoelen :
1. Wat zijn absolute rechten (goederenrecht)?
Absolute rechten zijn rechten die een persoon op een goed kan hebben. Een absoluut recht
geldt ten opzichte van iedereen. Absolute rechten zijn :
1) Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
2) Pand (art. 3:227 BW)
3) Hypotheek (art. 3:227 BW)
4) Eigendom (art. 5:1 BW)
5) Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW)
6) Erfpacht (art. 5:85 BW)
7) Opstal (art. 5:101 BW)
8) Appartement (art. 5:106 BW)
2. Wat zijn de kenmerken van absolute rechten?
1) Een absoluut recht geldt ten opzichte van iedereen.
2) Zaaksgevolg (droit de suite)
Een absoluut recht blijft op een goed bestaan, ook al bevindt dat goed zich niet meer in
de macht van de rechthebbende. Het absolute recht volgt dus het goed waarop het rust.
3) Prioriteitsbeginsel (droit de priorite)
Een eerder gevestigd absoluut recht gaat voor een later gevestigd absoluut recht.
4) Bevoorrechte positie (droit de preference)
Een absoluut recht neemt een bevoorrechte positie in bij een faillissement van een
ander. Als een persoon of een bedrijf failliet gaat, dan vallen in beginsel al zijn of haar
goederen in het faillissement. Goederen waar een derde een absoluut recht op heeft,
vallen niet onder het faillissement.
3. Wat zijn relatieve rechten (verbintenissenrecht)?
Relatieve rechten (persoonlijke rechten) zijn rechten die slecht tegenover een bepaalde
persoon werken. Relatieve rechten zijn alle rechten behalve absolute rechten.
4. Wat zijn beperkte rechten?
Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het
beperkte recht is bezwaard (art. 3:8 BW).
a. Genotsrechten (gebruiksrechten)
Rechten die de rechthebbende gebruiksgenot verschaffen van de goed waarop het rust.
b. Zekerheidsrechten
Rechten die de rechthebbende zekerheid bieden ter voldoening van een vordering die hij
op een schuldenaar heeft. De rechthebbende is dus niet bevoegd om het goed waarop
het zekerheidsrecht rust te gebruiken.
5. Wat zijn genotsrechten?
1) Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken
en daarvan de vruchten te genieten.
, 2) Erfdienstbaarheid (art. 5:70 lid 1 BW)
Erfdienstbaarheid is een last waarmee de onroerende zaak (het dienende erf) ten
behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf) is bezwaard.
3) Erfpacht (art. 5:85 lid 1 BW)
Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders
onroerende zaak te houden en te gebruiken.
4) Opstal (art. 5:101 lid 1 BW)
Opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander
gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.
5) Appartement (art. 5:106 lid 1 jo. lid 2 jo. lid 3 jo. lid 4 BW)
Een eigenaar, erfpachter, opstaller of appartementseigenaar is bevoegd om zijn recht op
een gebouw of op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten.
Appartementsrecht is een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, dat
de bevoegdheid omvat tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het
gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt.
6. Wat zijn zekerheidsrechten?
1) Pand (art. 3:227 lid 1 BW)
Pand is een beperkt recht strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een
vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen. Als het recht op een ander goed is gevestigd, dan is het een recht van pand.
2) Hypotheek (art. 3:227 lid 1 BW)
Hypotheek is een recht strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een
vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen. Als het recht op een registergoed is gevestigd, dan is het een recht van
hypotheek.
7. Wat is pand?
Het recht van pand is een beperkt recht, strekkende om op de daaraan onderworpen
goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere
schuldeisers te verhalen. Het recht is op een niet-registergoed gevestigd (art. 3:227 lid 1 BW).
de schuldeiser die geld heeft uitgeleend onder de voorwaarde dat hij een recht van pand
krijgt op een niet-registergoed is de pandhouder. De eigenaar van het verpande goed is de
pandgever.
Soorten pandrecht :
1) Vuistpand
Het goed komt in de macht van de pandhouder.
2) Bezitloos pand (stil pand)
Het goed blijft in de macht van de pandgever.
8. Wat zijn de vereisten van vestiging van pand?
De vereisten voor vestiging van een pandrecht zijn (art. 3:84 lid 1 BW) :
1) Een vestiging
a. Vuistpand
Pandrecht op een roerende zaak of op het vruchtgebruik daarvan wordt gevestigd
door de zaak in de macht van de pandhouder of een derde te brengen (art. 3:236 lid
1 BW). Pandrecht op andere goederen wordt gevestigd op overeenkomstige wijze als
voor de levering van het te verpanden goed is bepaald (art. 3:236 lid 2 BW).
b. Bezitloos pand