Sociale cognitie
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
Hoorcollege 1.................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 1.................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2.................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 3.................................................................................................................... 6
Social attributions from faces: Determinants, consequences, accuracy, and functional
significance..................................................................................................................... 7
Moving on from the basic theory of facial expressions...................................................8
Week 2.......................................................................................................... 9
Hoorcollege 2.................................................................................................................. 9
The tyranny of choice................................................................................................... 10
When words decide....................................................................................................... 10
Hoofdstuk 4.................................................................................................................. 11
Hoofdstuk 6.................................................................................................................. 12
Week 3........................................................................................................ 14
Werkgroep 2................................................................................................................. 14
Week 4........................................................................................................ 15
Hoorcollege 3................................................................................................................ 15
Evil Acts and Malicious Gossip: A Multiagent Model of the Effects of Gossip in Socially
Distributed Person Perception.......................................................................................15
Hoofdstuk 5.................................................................................................................. 16
Hoofdstuk 10................................................................................................................ 18
Week 5........................................................................................................ 20
Hoofdstuk 9: Communicating information.....................................................................20
Sociale informatie verschilt in de mate waarin het gecommuniceerd kan worden en
gedeeld kan worden..................................................................................................... 20
Week 6........................................................................................................ 22
Hoofdstuk 7: The interplay of cognition and feelings: mood states...............................22
Attitudes and attitude change......................................................................................25
Week 7........................................................................................................ 27
Hoorcollege 6: Motivatie, Zelf-regulatie en Prosociaal gedrag......................................27
Hoofdstuk 8: The interplay of cognition and feelings: fluency.......................................28
, Executive functions and self-regulation. Trends in cognitive sciences..........................30
Human cooperation...................................................................................................... 30
Week 1
Hoorcollege 1
Stimuli cognitieve processen (black box, zie je niet) gedrag
Doel-relevante stimuli trekken meer aandacht: mensen die meer deprived zijn voor sigaretten,
kijken langer naar plaatjes van sigaretten (motivatie speelt een rol in waar je naar kijkt).
Schatten we mensen met een gemiddelder gezicht als betrouwbaarder? Het completere model
zegt dat het een lokaal fenomeen is en dat er een subtiele emotionele component bij komt
kijken. Een blije (vs boze) uitdrukking zorgt ervoor dat we mensen als betrouwbaarder
schatten. Het gaat niet om aantrekkelijke gezichten, maar echt gemiddeld. Neutrale of blije
gezichten maken weinig verschil, maar boze gezichten lijken de gemiddeldheid te
overschaduwen.
Onderzoek toonde aan dat mensen de gezichten niet accuraat kunnen beoordelen. Waarom
beoordelen we dan op die manier? Bij gebrek aan betere informatie gebruiken we wat er
beschikbaar is. Of omdat we gebrek aan capaciteit of motivatie om diep te verwerken, dus
short cut. Of error management theory.
Overgeneralisatie (Zebrowitz): we reageren eerder op subtiele kenmerken die diagnostisch
zijn voor emoties of babies, omdat niet reageren een groter risico kan hebben dan wel
reageren.
Een babyface zorgt voor een gevoel van betrouwbaarheid (rond gezicht). Zelfde inferenties
als bij babies: fysiek zwak, submissief, naïef. Dit heeft consequenties voor banenkansen,
rechtbank, sociale interacties (vaker bandert).
Emotie overgeneralisatie: aflezen van kwaliteiten aan een neutraal gezicht die bij een emotie
horen (bv neutraal gezicht wordt als boos ingeschat).
Evolutionair perspectief emotie expressies: zowel zender en ontvanger moeten de gave om de
expressie te ontcijferen ontwikkelen. Angst (vergroten ogen, neusgaten) vergroot sensorische
input, walging (ogen dicht, neusgaten kleiner, ineen trekken) verkleint sensorische input.
Sommige expressies weerspiegelen interne staat, andere hebben een communicatieve functie
en zijn geëvolueerd.
AI kan leugendetectie doen met een 67% zekerheid. Mensen volgen dan eigenlijk altijd het
advies van de AI, omdat het zoveel beter is dan menselijke judgement (50% goed).
Hoofdstuk 1
Onderzoek binnen de sociale cognitie: sociale kennis en psychologische processen die
betrokken zijn bij het creëren van een subjectieve realiteit. Het encoderen van informatie
,(betekenis geven aan een situatie), opslaan van informatie in een herinnering en die weer
ophalen, hoe we oordelen vormen en besluiten maken.
3 aspecten spelen een rol in hoe wij situaties interpreteren: snelheid (cognitieve processen
moeten soms snel en makkelijk verlopen, bijvoorbeeld onder tijdsdruk), accuraatheid (soms
moet onze interpretatie kloppen) & consistentie (we willen de wereld als consistent
waarnemen).
Consistency seekers: proberen de wereld waar te nemen zoals zij denken dat het is, drijfveer:
consistentie tussen prior beliefs over de wereld en interpretaties van nieuwe situaties.
Overlapt met dissonantietheorie. Dit resulteert in inaccurate realiteitsconstructies en dit kan
maladaptief zijn.
Naive scientists: theorie dat mensen alle informatie verzamelen en daarmee op een
onbevooroordeelde manier de sociale realiteit construeren. Conclusies worden getrokken op
een rationele, wetenschappelijke manier. Overlap met attributietheorieën.
Cognitive misers: in het dagelijks leven zijn mensen vaak niet gemotiveerd, of is het niet
mogelijk om een naive scientist te zijn, vanwege tijdsdruk of overschot aan informatie. Dit
perspectief stelt dat mensen (vooral bij tijdsdruk of een complexe situatie) cognitieve
processen versimpelen (mental shortcuts). Doel is nog steeds accuraatheid.
Motivated tacticians: mensen hebben verschillende tactieken (zoals de bovenstaande) en
passen deze toe op basis van de soort situatie waar ze in zitten.
Hoog persoonlijk belang uitgebreid redeneren (niet cognitive misers)
Tijdsdruk shortcuts (wel cognitive misers)
Activated actors: cues in de omgeving zorgen voor automatisch ophalen van relevante kennis
over juiste interpretatie/gedrag responsen (bv: rood stoplicht = remmen = weinig nadenktijd).
De cognitieve component van sociale cognitie:
Interne mentale representaties bepalen sociaal gedrag. Er zijn veel stappen gemaakt om
interne mentale processen op een systematische manier te meten. Prior social knowledge
bepaald deels hoe sociale stimuli worden geïnterpreteerd = context dependency. Dit is geen
zwakte in ons sociaal oordelen, maar kan een belangrijke functie zijn in adaptief gedrag in een
complexe wereld.
De sociale component van sociale cognitie:
Sociale intenties kunnen niet direct geobserveerd worden. Daarom moet men constructief
verwerken: verdergaan dan de informatie die wordt gegeven en inferenties maken.
Het is moeilijk om te bepalen of jou conclusies/interpretaties van sociaal gedrag kloppen (bv:
als je iemand een persoon ziet slaan, denk je dat die persoon agressief is, maar je weet het
niet).
Definities van of conclusies over sociaal gedrag zijn onduidelijk: wat is agressie en wanneer
is iemand agressief?
, Oordelen over sociale gedragingen moeten aangepast worden door veranderingen in sociale
perceptie (mensen veranderen bijv.). Mensen veranderen wanneer ze worden geobserveerd.
Mensen (proberen vaak te) beïnvloeden wat de ontvanger over ze denkt. Vanwege de
onzekerheid van inferenties maken over mensen/levende dingen, worden kleine
veranderingen in context veel serieuzer genomen.
Je waarneming van andere mensen beïnvloed je waarneming van de sociale realiteit en
andersom.
Je constructie van de realiteit heeft een impact op hoe je je voelt als persoon: de self-
conception. Persoonlijke relevantie en belang zorgen voor een toename in de hoeveelheid
processing. Ook kan het de richting van processing beïnvloeden: soms ben je opzoek naar
informatie die jouw ideeën bevestigt. Sociale cognitie moet erg adaptief en gevoelig zijn voor
de specifieke vereisten van een situatie.
Hoofdstuk 2
3 factoren die meespelen in het vormen van de sociale realiteit:
1) Input van de situatie (extern (iemand glimlacht) en intern (we zijn moe))
2) Input in de vorm van eerdere kennis van het individu (toepasbaar op de situatie):
informatie over (groepen) mensen, sequenties van sociale situaties, sociale normen,
verwachtingen etc.
3) De processen die invloed hebben op de input
Onderliggende thema’s bij de constructie van de sociale realiteit:
De beperking van menselijke verwerkingscapaciteit: een beperkte capaciteit en tijd om te
verwerken. Daarom wordt het verwerkingsproces versimpeld:
Optie 1: Niet alle situationele stimuli krijgen evenveel aandacht (context afhankelijk
en daarom zeer adaptief).
Optie 2: cognitive rules of thumb, mental shortcuts of heuristics. Hangt ervan af of er
nog free resources zijn (capaciteit over) & of er motivatie is (persoonlijk belang of
interesse hoog).
Top-down en bottom-up verwerking
- Top-down: vooral gebaseerd op kennis en verwachtingen (concept-driven)
- Bottom-up: vooral gebaseerd op stimuli in de situatie (data-driven)
Top-down processing kost minder verwerkingscapaciteit. Dit is dus een manier waarop
mensen kunnen beïnvloeden hoeveel energie ze stoppen in het verwerken van informatie
(door top-down te kiezen).
Automatisch vs gecontroleerde verwerking. Controle gaat hierbij om het kunnen ophalen van
nodige informatie en het kunnen onderdrukken van onnodige informatie.
De sequentie van informatieverwerking
Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
Hoorcollege 1.................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 1.................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2.................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 3.................................................................................................................... 6
Social attributions from faces: Determinants, consequences, accuracy, and functional
significance..................................................................................................................... 7
Moving on from the basic theory of facial expressions...................................................8
Week 2.......................................................................................................... 9
Hoorcollege 2.................................................................................................................. 9
The tyranny of choice................................................................................................... 10
When words decide....................................................................................................... 10
Hoofdstuk 4.................................................................................................................. 11
Hoofdstuk 6.................................................................................................................. 12
Week 3........................................................................................................ 14
Werkgroep 2................................................................................................................. 14
Week 4........................................................................................................ 15
Hoorcollege 3................................................................................................................ 15
Evil Acts and Malicious Gossip: A Multiagent Model of the Effects of Gossip in Socially
Distributed Person Perception.......................................................................................15
Hoofdstuk 5.................................................................................................................. 16
Hoofdstuk 10................................................................................................................ 18
Week 5........................................................................................................ 20
Hoofdstuk 9: Communicating information.....................................................................20
Sociale informatie verschilt in de mate waarin het gecommuniceerd kan worden en
gedeeld kan worden..................................................................................................... 20
Week 6........................................................................................................ 22
Hoofdstuk 7: The interplay of cognition and feelings: mood states...............................22
Attitudes and attitude change......................................................................................25
Week 7........................................................................................................ 27
Hoorcollege 6: Motivatie, Zelf-regulatie en Prosociaal gedrag......................................27
Hoofdstuk 8: The interplay of cognition and feelings: fluency.......................................28
, Executive functions and self-regulation. Trends in cognitive sciences..........................30
Human cooperation...................................................................................................... 30
Week 1
Hoorcollege 1
Stimuli cognitieve processen (black box, zie je niet) gedrag
Doel-relevante stimuli trekken meer aandacht: mensen die meer deprived zijn voor sigaretten,
kijken langer naar plaatjes van sigaretten (motivatie speelt een rol in waar je naar kijkt).
Schatten we mensen met een gemiddelder gezicht als betrouwbaarder? Het completere model
zegt dat het een lokaal fenomeen is en dat er een subtiele emotionele component bij komt
kijken. Een blije (vs boze) uitdrukking zorgt ervoor dat we mensen als betrouwbaarder
schatten. Het gaat niet om aantrekkelijke gezichten, maar echt gemiddeld. Neutrale of blije
gezichten maken weinig verschil, maar boze gezichten lijken de gemiddeldheid te
overschaduwen.
Onderzoek toonde aan dat mensen de gezichten niet accuraat kunnen beoordelen. Waarom
beoordelen we dan op die manier? Bij gebrek aan betere informatie gebruiken we wat er
beschikbaar is. Of omdat we gebrek aan capaciteit of motivatie om diep te verwerken, dus
short cut. Of error management theory.
Overgeneralisatie (Zebrowitz): we reageren eerder op subtiele kenmerken die diagnostisch
zijn voor emoties of babies, omdat niet reageren een groter risico kan hebben dan wel
reageren.
Een babyface zorgt voor een gevoel van betrouwbaarheid (rond gezicht). Zelfde inferenties
als bij babies: fysiek zwak, submissief, naïef. Dit heeft consequenties voor banenkansen,
rechtbank, sociale interacties (vaker bandert).
Emotie overgeneralisatie: aflezen van kwaliteiten aan een neutraal gezicht die bij een emotie
horen (bv neutraal gezicht wordt als boos ingeschat).
Evolutionair perspectief emotie expressies: zowel zender en ontvanger moeten de gave om de
expressie te ontcijferen ontwikkelen. Angst (vergroten ogen, neusgaten) vergroot sensorische
input, walging (ogen dicht, neusgaten kleiner, ineen trekken) verkleint sensorische input.
Sommige expressies weerspiegelen interne staat, andere hebben een communicatieve functie
en zijn geëvolueerd.
AI kan leugendetectie doen met een 67% zekerheid. Mensen volgen dan eigenlijk altijd het
advies van de AI, omdat het zoveel beter is dan menselijke judgement (50% goed).
Hoofdstuk 1
Onderzoek binnen de sociale cognitie: sociale kennis en psychologische processen die
betrokken zijn bij het creëren van een subjectieve realiteit. Het encoderen van informatie
,(betekenis geven aan een situatie), opslaan van informatie in een herinnering en die weer
ophalen, hoe we oordelen vormen en besluiten maken.
3 aspecten spelen een rol in hoe wij situaties interpreteren: snelheid (cognitieve processen
moeten soms snel en makkelijk verlopen, bijvoorbeeld onder tijdsdruk), accuraatheid (soms
moet onze interpretatie kloppen) & consistentie (we willen de wereld als consistent
waarnemen).
Consistency seekers: proberen de wereld waar te nemen zoals zij denken dat het is, drijfveer:
consistentie tussen prior beliefs over de wereld en interpretaties van nieuwe situaties.
Overlapt met dissonantietheorie. Dit resulteert in inaccurate realiteitsconstructies en dit kan
maladaptief zijn.
Naive scientists: theorie dat mensen alle informatie verzamelen en daarmee op een
onbevooroordeelde manier de sociale realiteit construeren. Conclusies worden getrokken op
een rationele, wetenschappelijke manier. Overlap met attributietheorieën.
Cognitive misers: in het dagelijks leven zijn mensen vaak niet gemotiveerd, of is het niet
mogelijk om een naive scientist te zijn, vanwege tijdsdruk of overschot aan informatie. Dit
perspectief stelt dat mensen (vooral bij tijdsdruk of een complexe situatie) cognitieve
processen versimpelen (mental shortcuts). Doel is nog steeds accuraatheid.
Motivated tacticians: mensen hebben verschillende tactieken (zoals de bovenstaande) en
passen deze toe op basis van de soort situatie waar ze in zitten.
Hoog persoonlijk belang uitgebreid redeneren (niet cognitive misers)
Tijdsdruk shortcuts (wel cognitive misers)
Activated actors: cues in de omgeving zorgen voor automatisch ophalen van relevante kennis
over juiste interpretatie/gedrag responsen (bv: rood stoplicht = remmen = weinig nadenktijd).
De cognitieve component van sociale cognitie:
Interne mentale representaties bepalen sociaal gedrag. Er zijn veel stappen gemaakt om
interne mentale processen op een systematische manier te meten. Prior social knowledge
bepaald deels hoe sociale stimuli worden geïnterpreteerd = context dependency. Dit is geen
zwakte in ons sociaal oordelen, maar kan een belangrijke functie zijn in adaptief gedrag in een
complexe wereld.
De sociale component van sociale cognitie:
Sociale intenties kunnen niet direct geobserveerd worden. Daarom moet men constructief
verwerken: verdergaan dan de informatie die wordt gegeven en inferenties maken.
Het is moeilijk om te bepalen of jou conclusies/interpretaties van sociaal gedrag kloppen (bv:
als je iemand een persoon ziet slaan, denk je dat die persoon agressief is, maar je weet het
niet).
Definities van of conclusies over sociaal gedrag zijn onduidelijk: wat is agressie en wanneer
is iemand agressief?
, Oordelen over sociale gedragingen moeten aangepast worden door veranderingen in sociale
perceptie (mensen veranderen bijv.). Mensen veranderen wanneer ze worden geobserveerd.
Mensen (proberen vaak te) beïnvloeden wat de ontvanger over ze denkt. Vanwege de
onzekerheid van inferenties maken over mensen/levende dingen, worden kleine
veranderingen in context veel serieuzer genomen.
Je waarneming van andere mensen beïnvloed je waarneming van de sociale realiteit en
andersom.
Je constructie van de realiteit heeft een impact op hoe je je voelt als persoon: de self-
conception. Persoonlijke relevantie en belang zorgen voor een toename in de hoeveelheid
processing. Ook kan het de richting van processing beïnvloeden: soms ben je opzoek naar
informatie die jouw ideeën bevestigt. Sociale cognitie moet erg adaptief en gevoelig zijn voor
de specifieke vereisten van een situatie.
Hoofdstuk 2
3 factoren die meespelen in het vormen van de sociale realiteit:
1) Input van de situatie (extern (iemand glimlacht) en intern (we zijn moe))
2) Input in de vorm van eerdere kennis van het individu (toepasbaar op de situatie):
informatie over (groepen) mensen, sequenties van sociale situaties, sociale normen,
verwachtingen etc.
3) De processen die invloed hebben op de input
Onderliggende thema’s bij de constructie van de sociale realiteit:
De beperking van menselijke verwerkingscapaciteit: een beperkte capaciteit en tijd om te
verwerken. Daarom wordt het verwerkingsproces versimpeld:
Optie 1: Niet alle situationele stimuli krijgen evenveel aandacht (context afhankelijk
en daarom zeer adaptief).
Optie 2: cognitive rules of thumb, mental shortcuts of heuristics. Hangt ervan af of er
nog free resources zijn (capaciteit over) & of er motivatie is (persoonlijk belang of
interesse hoog).
Top-down en bottom-up verwerking
- Top-down: vooral gebaseerd op kennis en verwachtingen (concept-driven)
- Bottom-up: vooral gebaseerd op stimuli in de situatie (data-driven)
Top-down processing kost minder verwerkingscapaciteit. Dit is dus een manier waarop
mensen kunnen beïnvloeden hoeveel energie ze stoppen in het verwerken van informatie
(door top-down te kiezen).
Automatisch vs gecontroleerde verwerking. Controle gaat hierbij om het kunnen ophalen van
nodige informatie en het kunnen onderdrukken van onnodige informatie.
De sequentie van informatieverwerking