100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting deeltentamen 2 Cognitie en Gedrag

Rating
-
Sold
2
Pages
61
Uploaded on
09-06-2025
Written in
2023/2024

Samenvatting van de hoofdstukken en aantekeningen van de hoorcolleges voor deeltentamen 2 van het vak Cognitie en Gedrag.

Institution
Module











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Module

Document information

Uploaded on
June 9, 2025
Number of pages
61
Written in
2023/2024
Type
Summary

Subjects

Content preview

Aantekening deeltentamen 2 Cognitie & Gedrag –
Universiteit Utrecht
Hoofdstuk 6 – langetermijngeheugen (structuur)
Divisie verwijst naar de verdeling van het korte- en langetermijngeheugen. Deze bestaat uit:
1. Semantisch geheugen – het geheugen voor feiten
2. Procedureel geheugen – het geheugen voor het uitvoeren van fysieke acties.
3. Episodisch geheugen – het geheugen voor specifieke ervaringen in het verleden.

Interactie verwijst naar het feit dat de verschillende typen geheugen met elkaar in verband
worden gebracht en mechanismen delen. Er is dus een overlap tussen de verschillende
typen geheugen, soms in die mate dat de oorspronkelijk voorgestelde grenzen tussen hen
nogal betwistbaar worden.

Langetermijnge
heugen




Expliciete Impliciet
(bewust) (onbewust)




Episodisch Semantisch
Procedureel Klassiek
(persoonlijke (feiten en Priming
(fysieke acties) conditioneren
ervaringen) kennis)


Het langetermijngeheugen is het systeem dat verantwoordelijk is voor het opslaan van
informatie voor een lange periode van tijd. Deze opslag varieert van informatie die we
zojuist binnenkrijgen tot aan zo ver als we kunnen herinneren. Het langetermijngeheugen
heeft een langere duur en waarschijnlijk een ongelimiteerde capaciteit ten opzichte van het
kortetermijngeheugen.

Verschil om het lange- en kortetermijngeheugen te onderscheiden:
1. De serie positie curve indiceert dat het geheugen beter is voor woorden aan het
begin van een lijst en aan het einde van de lijst in vergelijking tot de woorden in het
midden. Het gegeven dat participanten beter zijn om woorden te herinneren aan het
begin van een reeks wordt het primacy effect genoemd. Het beter herinneren voor
de woorden aan het einde van de reeks wordt het recency effect genoemd.
 Primacy effect – participanten hebben tijd gehad om te oefenen met de
woorden aan het begin van de reeks en deze zijn opgeslagen in het
langetermijngeheugen.
 Recency effect – de meest recente woorden zijn nog steeds beschikbaar in het
kortetermijngeheugen en daarom gemakkelijk te onthouden voor de

, participant. Maar wanneer er een vertraging is tussen het moment van het
presenteren van de woorden en de periode van het omhoog halen van de
woorden verdwijnt dit effect.
2. Het onderscheid tussen het lange- en kortetermijngeheugen kan ook gemaakt
worden door de manier waarop informatie gecodeerd wordt. Dit gebeurt door twee
verschillende systemen. Coderen verwijst naar de vorm in welke stimuli worden
weergegeven.
a. Fysiologische benadering voor coderen – wanneer stimuli weergegeven wordt
door het vuren van neuronen. Bijvoorbeeld bij de weergave van het gezicht
van iemand.
b. Mentale benadering voor coderen – het afvragen hoe stimuli of een ervaring
wordt weergeven in ons brein.
o Visuele codering – codering in de vorm van een visueel plaatje
 Kortetermijngeheugen – bij het herinneren van patronen door
het visueel weer te geven in het brein.
 Langetermijngeheugen – het creëren van een plaatje van een
persoon of plek in het verleden.
o Auditieve codering – codering in de vorm van een geluid
 Kortetermijngeheugen – fonologische gelijkheidseffect (het
fout identificeren van een letter voor een andere letter doordat
ze dezelfde fonologische klank hebben
 Langetermijngeheugen – representatie van geluiden
(bijvoorbeeld bij het herinneren van teksten van muziek)
o Semantische codering – codering in de vorm van betekenis
 Het lijkt erop dat er alleen sprake is van semantische codering
is in het langetermijngeheugen, gezien we vaak niet de
auditieve of visuele details weten van een verhaal of film maar
alleen de algemene verhaallijn.
 Het experiment van Wickens, Dalesman en Eggemeier toont
wel enig bewijs voor semantische codering. Het vrijkomen van
proactieve inferentie (toename van prestaties) is afhankelijk
van categorieën. Het plaatsen van woorden in categorieën
heeft betrekking op de betekenis van woorden.

Het type coderen in een bepaalde situatie hangt af van de grootte van een taak. Bij
kortetermijngeheugen taken is auditieve codering meer dominant. Semantische codering is
daarentegen meer dominant bij langetermijngeheugen taken.

Er is bewijs dat het korte- en langetermijngeheugen ergens in het brein worden
weergegeven, maar er is ook bewijs dat er overlap is tussen deze twee. De hippocampus
speelt een belangrijke rol bij het vormen van nieuwe langetermijngeheugen herinneringen.
Maar geen rol bij kortetermijngeheugen volgens neuropsychologische onderzoek.
Tegelijkertijd laten hersenbeeldvormingsexperimenten zien dat bij taken met nieuwe
informatie, zoals feiten, objecten, figuren en vreemdtalige woorden, de rol van de
hippocampus ook enigszins zichtbaar is.

,Het episodische en semantische geheugen spelen beide een rol in het expliciete of
declaratieve geheugen omdat de inhoud hiervan bewust opgeroepen kan worden. Het
verschil tussen het episodische en semantische geheugen kan worden verklaard door:
 Het type informatie of ervaring dat wordt herinnerd
o Mentale tijdsreis – het episodische geheugen heeft betrekking tot het
terugreizen in de tijd om te herinneren welke ervaringen er zijn gebeurd in
het verleden.
o Ophalen van kennis over de wereld – kennis over feiten, vocabulaire,
nummers en andere concepten heeft betrekking op het semantische
geheugen.
 Leeftijd
o Episodisch geheugen – blijft stabiel tussen 35-60 jaar en verslechtert dan snel.
Dit wordt verklaard door structurele en functionele veranderingen in het
brein, inclusief deze in de prefrontale cortex en mediale temporale kwab, die
de hippocampus bevat.
o Semantisch geheugen – blijft stabiel tussen 35-60 jaar en verslechter dan
langzamer.

Maar het episodische en semantische geheugen hebben ook een overlap. In het dagelijkse
leven zijn deze herinneringen vaak verstrengeld. Voorbeelden hiervan zijn:
 Kennis heeft invloed op ervaringen – onze kennis (semantisch geheugen) leidt onze
ervaringen en dit beïnvloedt het episodische geheugen gevolgd door die ervaring.
 Autobiografisch geheugen – het geheugen voor specifieke ervaringen in ons leven,
die betrekking hebben op episodische en semantische componenten. De
semantische componenten worden persoonlijke semantische herinneringen
genoemd, omdat het feiten zijn die geassocieerd worden met persoonlijke
ervaringen.
 Autobiografisch significant geheugen – herinneringen met betrekking tot publieke
figuren. Het geheugen is beter wanneer een publiek figuur een hogere
autobiografische significantie heeft.

Er is een verschil in gradatie en kwaliteit van vergeten en herinneren. Er zijn twee manieren
van het meten van herinneren door het gebruiken van het remember/know procedure.
 Bekendheid (known) – een persoon komt bekend voor en je herinnert misschien zijn
naam, maar je kan geen specifieke details herinneren. Dit is gekoppeld aan
semantisch geheugen.
 Recollection (remember) – je herinnert je specifieke details die gerelateerd zijn aan
een persoon. Dit is gekoppeld aan episodisch geheugen. Over de tijd neemt dit
steeds meer af. Herinneren van over de 40-50 jaar zijn veel van de episodische
karakteristieken verloren. Dit laat het semantiseren van herinneren op afstand zien
– het verliezen van episodische details voor ervaringen erg lang geleden. Uiteindelijk
blijven alleen semantische herinneringen over.

Impliciet geheugen zijn herinneringen waar we niet bewust van zijn. Dit treedt op wanneer
het leren van ervaringen niet gepaard gaat met bewust herinneren:
 Procedurele geheugen - vaardigheden geheugen. Het is het geheugen voor het doen
van dingen dat betrekking heeft tot geleerde vaardigheden. Het zijn vaardigheden die

, mensen kunnen doen zonder echt in staat te kunnen zijn die uit te leggen. Mensen
met geheugenverlies zijn nog steeds in staat dingen aan te leren, terwijl ze vergeten
dat ze dit eerder hebben geleerd.
 Priming – de weergave van een stimuli (priming stimulus) verandert de manier
waarop een persoon reageert ten opzichte van een andere stimuli (test stimulus).
o Repetition priming – de weergave van de test stimuli is hetzelfde of
vergelijkbaar met de priming stimuli.
 Klassiek conditioneren – wanneer de volgende twee stimuli worden gecombineerd:
o Neutrale stimuli dat in eerste instantie niet reageert op een respons
o Geconditioneerde stimuli dat resulteert in een reactie.

Er is een link tussen het vermogen om het verleden te herinneren en de mogelijkheid om de
toekomst voor te stellen. Dit is gedemonstreerd in neuropsychologische- en
hersenbeeldvormingsexperimenten. Dit heeft geleid tot het idee dat een functie van het
episodische geheugen helpt anticiperen bij behoeftes en leidraden in toekomstig gedrag.

Hoofstuk 7 – langetermijngeheugen: codering, terughalen en
consolidatie
Het proces van het verweven van informatie en het verplaatsen naar het
langetermijngeheugen wordt codering genoemd. Het proces van het herinneren heeft
betrekking op het toegang krijgen tot de gecodeerde informatie en het verplaatsen naar het
werkgeheugen om bewustheid te creëren wordt terughalen genoemd.

Er zijn veel manieren om informatie te verplaatsen naar het langetermijngeheugen,
sommige zijn meer effectief dan de anderen. Dit kan door middel van de informatie op
verschillende manieren te oefenen:
 Onderhoudsoefening – het oefenen van informatie zonder enige tegenprestatie of
betekenis/connectie met andere informatie. Dit type oefenen resulteert in een zwak
geheugen.
 Elaboratief oefenen – het oefenen van informatie met enige tegenprestatie of
betekenis/connectie met andere informatie. Dit type oefenen resulteert in een beter
geheugen.

Volgens de levels of processing theorie (Craik & Lockhart, 1972) hangt geheugen af van de
diepte van verwerking dat een item ontvangt. Dit is te onderscheiden in:
 Oppervlakkige verwerking – kleine aandacht tot betekenis of wanneer aandacht is
gefocust op een fysieke karaktereigenschap van een woord.
 Diepe verwerking – diepe aandacht, gefocust op de betekenis en het relateren aan
iets anders. Deze vorm zorgt voor een beter geheugen.

Het bewijs dat codering het ophalen beïnvloedt omvat onderzoek naar het effect van:
1. Het vormen van visuele plaatjes
2. Het linken van woorden aan jezelf (self-reference effect)
3. Het genereren van informatie (generation effect)
4. Het organiseren van informatie.
5. Het oefenen van terughalen (testing effect)
£5.89
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
liztrlngs
4.0
(1)

Get to know the seller

Seller avatar
liztrlngs Universiteit Utrecht
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
7
Member since
2 year
Number of followers
2
Documents
6
Last sold
1 day ago

4.0

1 reviews

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these revision notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No problem! You can straightaway pick a different document that better suits what you're after.

Pay as you like, start learning straight away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and smashed it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions