H17: toegepaste psychologie
Toegepaste psychologie = onderzoek over de invloed die de psychologie gekregen heeft
op verschillende terreinen van het leven.
Toegepaste Psychologen zetten meer in op toegepast onderzoek.
Er is een verschil tussen toegepast onderzoek en fundamenteel onderzoek:
• Fundamenteel onderzoek: hoe zitten psychologische functies in elkaar?
o Hersenwerking
o Link tussen functies en gedrag
o Aandacht- en interpretatiebias
o ...
• Toegepast onderzoek: praktische problemen proberen oplossen door principes,
theorieën en technieken van de wetenschappelijke psychologie toe te passen.
•
Wat is nu de werkwijze van de toegepaste psychologie?
1. De bestaande empirische evidentie wordt kritisch doorgenomen.
2. De kennis over hoe biologische, cognitieve en sociale factoren bijdragen aan het
menselijk functioneren, toepassen.
3. Er wordt gebruik gemaakt van de beschikbare onderzoeksmogelijkheden.
4. Er wordt aan duidelijke rapportage gedaan.
! Het is belangrijk dat je weet dat fundamenteel onderzoek een invloed heeft op
de praktijk (namelijk de toepassing van de theorie), maar dat ook de praktijk invloed
heeft op het fundamenteel onderzoek (namelijk vragen die oprijzen in de praktijk en
waarrond nadien onderzoek gedaan wordt). !
,1. OMGEVINGSPSYCHOLOGIE ²²
Omgevingspsychologie = de studie van de relatie tussen de omgeving en het gedrag
van mensen
Er is dubbele beïnvloeding: de omgeving heeft invloed op het gedrag van mensen, MAAR
mensen hebben ook invloed op hun omgeving.
Omgevingspsychologen gaan dit bestuderen; ze bestuderen wat de eTecten zijn van
bepaalde ingrepen om zo planologen bij te staan bij het bedenken van toekomstige
projecten en het verbeteren van bestaande projecten.
Planologen = mensen die zich bezig houden met ruimtelijke ordening
1.1 OMGEVING LATEN AANSLUITEN BIJ BEHOEFTEN GEBRUIKER
3 manieren waarop omgeving beter kan aansluiten bij de behoeften vd gebruikers:
1. Opstellen van een architectuurprogramma; een inventaris waarin beschreven
staat aan welke specificaties een gebouw/omgeving moet voldoen
2. Uitvoeren van een participatieplanning; toekomstige bewoners betrekken in
hun voorkeuren en meningen tijdens de ontwerpfase
3. Evalueren na ingebruikname; vragen aan de gebruiker hoe goed een
gebouw/omgeving beantwoordt aan de gestelde vereisten.
ð Evaluatie na ingebruikname is waardevol; want visie architecten leunt niet altijd
aan bij de noden van de gebruikers.
ð Brown en giTord vonden geen correlatie tussen wat architecten mooi vonden en
welke gebouwen de meerderheid vd bevolking mooi vond
ð MAAR architecten waren het onderling wel eens met wat ze mooi vonden
ð DUS: verschil tussen visie van architecten en de visie van de gebruikers
Verder onderzoek naar belang architectuur
Onderzoek vn Edvardsson en collega’s (2005) gingen na in welke verzorgingstehuizen de
bejaarden tevreden waren. Hierbij kwamen 5 factoren naar boven:
1. de mate waarin men zichzelf herkent in de omgeving (vertrouwde en kalme
omgeving)
2. de mogelijkheid om sociale contacten te onderhouden en nieuwe contacten te
leggen
3. de mate waarin men zich veilig voelt in de nieuwe omgeving
4. de mate waarin men zich welkom voelt bij aankomst
5. de mate waarin men een bereidheid tot dienstverlening ervaart (bv. de
mogelijkheid om eens iets extra te kunnen krijgen)
,de eerste 3 factoren kunnen beinvloed worden door de architectuur => door aan
evaluatie te doen kan men te weten komen op welke manier deze factoren in de
architectuur het beste aangepakt kunnen worden.
Er lijkt een verschil te zijn in de manier waarop architecten bepaalde ruimtelijke
indelingen inschatten qua aantrekkelijkheid t.a.v. hoe gebruikers het eTectief ervaren.
Onderzoek
Hierbij is het onderzoek van Kim en de Dear (2013) en het onderzoek van Bernsteun en
Turban (2018) interessant.
ð Evaluatie na ingebruikname lijkt met andere woorden een belangrijk
onderdeel in het optimaliseren van de ruimtelijke indeling aan de noden
van de gebruikers.
1.2 OVERBEVOLKING
Interactie tussen overbevolking en sociale pathologie.
Er is een opvatting dat grote steden leiden tot => meer psychologische spanningen,
slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid, meer criminaliteit en agressie en het
uiteenvallen van gezinnen.
MAAR deze opvatting is gebaseerd op onderzoek over overbevolking bij dieren.
Onderzoek
Galle en collega's onderzochten in 1972 de relatie tussen bevolkingsdichtheid en
volgende factoren: sterftecijfer, vruchtbaarheid, sociale uitkering, criminaliteit en
opnames in een psychiatrische instelling.
ð Deze factoren werden gekozen op basis van gedragspatronen bij
ratten.
CONCLUSIE: bevolkingsdichtheid is positief gecorreleerd aan deze 5
gedragspathologieën (= de factoren hierboven opgesomt).
Dit ook wanneer er uitgezuiverd werd door mogelijke eTecten van sociale klasse en
etniciteit. Dit zou dus willen zeggen dat de gedragspathologieën vaker voorkomen
wanneer de bevolkingsdichtheid stijgt.
Andere studies bevestigen ook de grotere kans op mentale stoornissen, maar we
moeten wel kanttekeningen maken bij deze conclusies!
Zo zagen ze verschillende voorbeelden waar de bevolkingsdichtheid ook hoog was, maar
dat deze niet gepaard ging met eenzelfde mate van criminaliteit of pathologie.
Bijvoorbeeld op universiteitscampussen en in Aziatische grootsteden.
, Hierdoor werd er een onderscheid gemaakt tussen bevolkingsdichtheid en
overbevolking:
• Bevolkingsdichtheid = aantal inwoners/vierkante km = ruimte die per persoon
beschikbaar is
• Overbevolking = toestand waarbij de bevolking te talrijk is in verhouding tot de
aanwezige middelen van bestaan en/of beschikbare ruimte
De mate waarin de behuizing tegemoet komt aan de privacybehoefte van mensen en
dus de behoefte die mensen hebben om zich op een plek alleen te kunnen terugtrekken,
is een bepalende factor voor het gevoel van overbevolking.
Indien mensen zich dus niet kunnen terugtrekken, omdat er onvoldoende plaats is,
zullen ze meer het gevoel van overbevolking hebben.
ð Zo zien we dat in Westerse landen mensen vaak een kamer voor zichzelf
wensen. Wanneer er minder kamers zijn dan mensen, krijgt men het gevoel
van overbevolking.
ð In wooneenheden ligt de focus dan weer op privacy door visuele afzondering,
maar ook door geluidsisolatie. Wanneer je alles door de muren heen hoort,
verlaagt het gevoel van privacy, waardoor het gevoel van overbevolking meer
aanwezig is.
1.2.1 Persoonlijke ruimte
= ruimte waar anderen alleen in uitzonderlijke situaties in mogen komen)
De amygdala speelt ook een rol om deze ruimte aan te leren en in stand te houden.
Kenmerken persoonlijke ruimte:
• De persoonlijke ruimte is groter voor onbekenden dan voor mensen die we goed
kennen. Uitzondering: plaatsen waar veel individuen op elkaar plakken
(bijvoorbeeld de bus onmiddellijk na de schooluren hebben we geen keus).
• Wanneer de persoonlijke ruimte door de omgeving beperkt wordt, gaan mensen
een symbolische afstand bewaren (bv. geen oogcontact maken, onpersoonlijk
zijn...)
• Het doorbreken van de persoonlijke ruimte, leidt tot stressreacties en de
activering van het sympathisch zenuwstelsel.
Toegepaste psychologie = onderzoek over de invloed die de psychologie gekregen heeft
op verschillende terreinen van het leven.
Toegepaste Psychologen zetten meer in op toegepast onderzoek.
Er is een verschil tussen toegepast onderzoek en fundamenteel onderzoek:
• Fundamenteel onderzoek: hoe zitten psychologische functies in elkaar?
o Hersenwerking
o Link tussen functies en gedrag
o Aandacht- en interpretatiebias
o ...
• Toegepast onderzoek: praktische problemen proberen oplossen door principes,
theorieën en technieken van de wetenschappelijke psychologie toe te passen.
•
Wat is nu de werkwijze van de toegepaste psychologie?
1. De bestaande empirische evidentie wordt kritisch doorgenomen.
2. De kennis over hoe biologische, cognitieve en sociale factoren bijdragen aan het
menselijk functioneren, toepassen.
3. Er wordt gebruik gemaakt van de beschikbare onderzoeksmogelijkheden.
4. Er wordt aan duidelijke rapportage gedaan.
! Het is belangrijk dat je weet dat fundamenteel onderzoek een invloed heeft op
de praktijk (namelijk de toepassing van de theorie), maar dat ook de praktijk invloed
heeft op het fundamenteel onderzoek (namelijk vragen die oprijzen in de praktijk en
waarrond nadien onderzoek gedaan wordt). !
,1. OMGEVINGSPSYCHOLOGIE ²²
Omgevingspsychologie = de studie van de relatie tussen de omgeving en het gedrag
van mensen
Er is dubbele beïnvloeding: de omgeving heeft invloed op het gedrag van mensen, MAAR
mensen hebben ook invloed op hun omgeving.
Omgevingspsychologen gaan dit bestuderen; ze bestuderen wat de eTecten zijn van
bepaalde ingrepen om zo planologen bij te staan bij het bedenken van toekomstige
projecten en het verbeteren van bestaande projecten.
Planologen = mensen die zich bezig houden met ruimtelijke ordening
1.1 OMGEVING LATEN AANSLUITEN BIJ BEHOEFTEN GEBRUIKER
3 manieren waarop omgeving beter kan aansluiten bij de behoeften vd gebruikers:
1. Opstellen van een architectuurprogramma; een inventaris waarin beschreven
staat aan welke specificaties een gebouw/omgeving moet voldoen
2. Uitvoeren van een participatieplanning; toekomstige bewoners betrekken in
hun voorkeuren en meningen tijdens de ontwerpfase
3. Evalueren na ingebruikname; vragen aan de gebruiker hoe goed een
gebouw/omgeving beantwoordt aan de gestelde vereisten.
ð Evaluatie na ingebruikname is waardevol; want visie architecten leunt niet altijd
aan bij de noden van de gebruikers.
ð Brown en giTord vonden geen correlatie tussen wat architecten mooi vonden en
welke gebouwen de meerderheid vd bevolking mooi vond
ð MAAR architecten waren het onderling wel eens met wat ze mooi vonden
ð DUS: verschil tussen visie van architecten en de visie van de gebruikers
Verder onderzoek naar belang architectuur
Onderzoek vn Edvardsson en collega’s (2005) gingen na in welke verzorgingstehuizen de
bejaarden tevreden waren. Hierbij kwamen 5 factoren naar boven:
1. de mate waarin men zichzelf herkent in de omgeving (vertrouwde en kalme
omgeving)
2. de mogelijkheid om sociale contacten te onderhouden en nieuwe contacten te
leggen
3. de mate waarin men zich veilig voelt in de nieuwe omgeving
4. de mate waarin men zich welkom voelt bij aankomst
5. de mate waarin men een bereidheid tot dienstverlening ervaart (bv. de
mogelijkheid om eens iets extra te kunnen krijgen)
,de eerste 3 factoren kunnen beinvloed worden door de architectuur => door aan
evaluatie te doen kan men te weten komen op welke manier deze factoren in de
architectuur het beste aangepakt kunnen worden.
Er lijkt een verschil te zijn in de manier waarop architecten bepaalde ruimtelijke
indelingen inschatten qua aantrekkelijkheid t.a.v. hoe gebruikers het eTectief ervaren.
Onderzoek
Hierbij is het onderzoek van Kim en de Dear (2013) en het onderzoek van Bernsteun en
Turban (2018) interessant.
ð Evaluatie na ingebruikname lijkt met andere woorden een belangrijk
onderdeel in het optimaliseren van de ruimtelijke indeling aan de noden
van de gebruikers.
1.2 OVERBEVOLKING
Interactie tussen overbevolking en sociale pathologie.
Er is een opvatting dat grote steden leiden tot => meer psychologische spanningen,
slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid, meer criminaliteit en agressie en het
uiteenvallen van gezinnen.
MAAR deze opvatting is gebaseerd op onderzoek over overbevolking bij dieren.
Onderzoek
Galle en collega's onderzochten in 1972 de relatie tussen bevolkingsdichtheid en
volgende factoren: sterftecijfer, vruchtbaarheid, sociale uitkering, criminaliteit en
opnames in een psychiatrische instelling.
ð Deze factoren werden gekozen op basis van gedragspatronen bij
ratten.
CONCLUSIE: bevolkingsdichtheid is positief gecorreleerd aan deze 5
gedragspathologieën (= de factoren hierboven opgesomt).
Dit ook wanneer er uitgezuiverd werd door mogelijke eTecten van sociale klasse en
etniciteit. Dit zou dus willen zeggen dat de gedragspathologieën vaker voorkomen
wanneer de bevolkingsdichtheid stijgt.
Andere studies bevestigen ook de grotere kans op mentale stoornissen, maar we
moeten wel kanttekeningen maken bij deze conclusies!
Zo zagen ze verschillende voorbeelden waar de bevolkingsdichtheid ook hoog was, maar
dat deze niet gepaard ging met eenzelfde mate van criminaliteit of pathologie.
Bijvoorbeeld op universiteitscampussen en in Aziatische grootsteden.
, Hierdoor werd er een onderscheid gemaakt tussen bevolkingsdichtheid en
overbevolking:
• Bevolkingsdichtheid = aantal inwoners/vierkante km = ruimte die per persoon
beschikbaar is
• Overbevolking = toestand waarbij de bevolking te talrijk is in verhouding tot de
aanwezige middelen van bestaan en/of beschikbare ruimte
De mate waarin de behuizing tegemoet komt aan de privacybehoefte van mensen en
dus de behoefte die mensen hebben om zich op een plek alleen te kunnen terugtrekken,
is een bepalende factor voor het gevoel van overbevolking.
Indien mensen zich dus niet kunnen terugtrekken, omdat er onvoldoende plaats is,
zullen ze meer het gevoel van overbevolking hebben.
ð Zo zien we dat in Westerse landen mensen vaak een kamer voor zichzelf
wensen. Wanneer er minder kamers zijn dan mensen, krijgt men het gevoel
van overbevolking.
ð In wooneenheden ligt de focus dan weer op privacy door visuele afzondering,
maar ook door geluidsisolatie. Wanneer je alles door de muren heen hoort,
verlaagt het gevoel van privacy, waardoor het gevoel van overbevolking meer
aanwezig is.
1.2.1 Persoonlijke ruimte
= ruimte waar anderen alleen in uitzonderlijke situaties in mogen komen)
De amygdala speelt ook een rol om deze ruimte aan te leren en in stand te houden.
Kenmerken persoonlijke ruimte:
• De persoonlijke ruimte is groter voor onbekenden dan voor mensen die we goed
kennen. Uitzondering: plaatsen waar veel individuen op elkaar plakken
(bijvoorbeeld de bus onmiddellijk na de schooluren hebben we geen keus).
• Wanneer de persoonlijke ruimte door de omgeving beperkt wordt, gaan mensen
een symbolische afstand bewaren (bv. geen oogcontact maken, onpersoonlijk
zijn...)
• Het doorbreken van de persoonlijke ruimte, leidt tot stressreacties en de
activering van het sympathisch zenuwstelsel.