Samenvatting
Nectar biologie: Hoofdstuk 5;
Onderzoek
Judith Vuijst
CSVVG Vincent van Gogh
, Biologie samenvatting Hs 5; Onderzoek
§5.1 Wetenschappelijk en betrouwbaar
Collegiale toetsing: deskundigen bekijken voorafgaand aan een publicatie naar:
De gevolgde methode, manier waarop meetgegevens zijn weergegeven en de manier waarop de
resultaten verwerkt zijn. Ook kijken ze kritisch naar de conclusies
Bij collegiale toetsing gaan ze dus de gevolgde werkwijze na en niet de juistheid vd resultaten. Omdat
experimenten vaak lang duren komt evt. fraude pas later aan het licht.
Goed wetenschappelijk onderzoek is herhaalbaar én volgt een vaste systematische aanpak waarbij je
antwoord krijgt op een duidelijke onderzoeksvraag. Daardoor is controle mogelijk. Goed wetenschappelijk
onderzoek kent 6 onderdelen:
1. Onderzoeksvraag: heldere eenduidige vraag over waargenomen verschijnsel
2. Hypothese: voorlopig antwoord op onderzoeksvraag (niet altijd zinvol bij elke onderzoeksvraag)
3. Materiaal en methode: nauwkeurige beschrijving vh experiment waarmee onderzoeksvraag
beantwoord kan worden
4. Resultaten en verwerking: overzichtelijk vastgelegde waarnemingen en meetgegevens vh
experiment (tabellen enz)
5. Conclusie: antwoord op onderzoeksvraag
6. Discussie: bevestiging/verwerping vd hypothese, gevolgd door uitleg en verklaring vd resultaten,
verbeterpunten en vragen voor vervolgonderzoek
Ethische en wettelijke grenzen beperken wetenschappelijk onderzoek
§5.2 Natuurwetenschappelijk experimenteren
Controle-experiment: controle of de variabele die je onderzoekt oorzaak is voor het resultaat of dat er
andere factor ih spel is. * Een regel bij experimenteel onderzoek is dat er steeds maar één factor tegelijk
mag verschillen.
Afhankelijke variabele: wat de onderzoeker meet of waarneemt als gevolg van wat hij varieert (staat vrijwel
altijd op y-as)
Onafhankelijke variabele: wat de onderzoeker zelf varieert. Het is een variërende grootheid; de overige
omstandigheden moeten gelijk blijven (wordt uitgezet op de x-as).
Bij experimenteel onderzoek varieert de onderzoeker zelf de variabele. Het effect daarvan meet hij. Alle
andere manieren van onderzoek noem je niet-experimenteel of beschrijvend.
Beschrijvend onderzoek: je neemt iets waar (bijv een gebeurtenis)
Experimenteel onderzoek: je werkt de waarneming uit (je achterhaalt door wie/wat die gebeurtenis komt)
§5.3 Gegevens verzamelen
Kwantitatief: bij kwantitatief onderzoek is tellen, meten en wegen belangrijk; het gaat om aantallen
(beschrijvend onderzoek)
Kwalitatief: bij kwalitatief onderzoek toon je aan of iets aanwezig is of niet, zonder tellen met of wegen; het
gaan om waarnemingen.
Indicatoren: indicatoren gebruik je als je wilt weten of er bepaalde moleculen zijn geven kleur