DE CEL
p. 71 – 87
1.1 De cel als basiseenheid van het leven
= voeren uit celademhaling, afgifte afvalstoffen, opname voedingstoffen,
vertering,…
Macroscopisch niveau= met het blote oog te zien
Microscopisch niveau= met een lichtmicroscoop te zien
Submicroscopisch niveau= met een elektronenmicroscoop te zien
1.2 Cytoplasma
= inhoud van de cel tussen het celmembraan en het kernmembraan, bestaat uit
cytosol en celorganellen
cytosol= vloeibare component van cytoplasma,
bestaat uit water met opgeloste stoffen
- ondervindt chemische reacties
celorganellen= gespecialiseerde onderdelen van
de cel met specifieke functies
1.3 Celbegrenzing
1.3.1 Celmembraan
1) structuur celmembraan
bevat dubbele laag fosforlipiden
hydrofiele koppen naar buiten gericht
waterige omgeving van de cel
hydrofobe staarten naar binnen gericht
bevat olieachtige substantie en zal amper
water in water oplosbare stoffen doorlaten
cholesterol= hydrofobe onderdeel, regelt de doorlaatbaarheid van membraan
beweging van fosforlipiden
membraaneiwitten= regelen de binnen en buitengaan van grotere hydrofiele
stoffen of ionen
- transmembraanewitten= kunnen door de dubbele lipidelaag steken,
verbinden extracellulaire en intracellulaire delen met elkaar
- maken transport van stoffen in en uit de cel mogelijk
- perifere eiwitten= kunnen niet zelf door de celmembraan, bevinden zich aan
de oppervlakte van de celmembraan
- receptoren
sachariden= bevinden zich in de
extracellulaire oppervlak van
celmembraan
-glycolipiden
-glycoproteïnen
, 2) Functie celmembraan
zorgt voor communicatie in de cel door receptoren (perifere eiwitten en
sachariden)
1.3.2 Celwand
1) structuur
plantaardige cellen, schimmels, bacteriën, archaea= hebben
celwand
dierlijke cellen= geen celwand
- bestaat uit polysacharide cellulose
- elke cel heeft haar eigen celwand staan in contact door
plasmodesmata= kleine gaatjes in celwand die voor
communicatie en stofuitwisseling zorgen
2) Functie
- bescherming tegen indringers
- ondersteuning
- bepaald de vorm van de cel
- zorgt voor transport van stoffen
- laat opgeloste stoffen door
1.4 Celorganellen
= alle celonderdelen met een gespecialiseerde functie die samenwerken om van
de cel een levende bouwsteen te maken
prokaryote cel= weinig celorganellen
eukaryote cel= verschillende celorganellen
1.4.1 Celkern
eukaryote cellen= bevatten celkern
- dierlijke en plantaardige cellen
prokaryote cellen= geen celkern
- bacteriën
1) structuur
celkern / nucleus= grootste celorganel, bevat erfelijke materiaal (DNA)
kernmembraan= dubbel membraan, scheidt kerninhoud van cytoplasma
- bestaat uit 2 fosforlipidelagen met smalle ruimte tussen beiden
- bevat kleine kernporiën, zorgen voor selectieve uitwisseling van stoffen
tussen
cytoplasma en celkern
nucleoplasma= inhoud van celkern
nucleosol / kernlichaampje= vloeibare
gedeelte van nucleoplasma, plaats waar de
bouwstenen van de ribosomen worden gemaakt
DNA= 2 meter lang, ingedraaid rond eiwitten om
in de celkern te passen
chromatine= DNA gewikkeld rond eiwitten
2) Functie
draagt de genetische informatie (DNA)
p. 71 – 87
1.1 De cel als basiseenheid van het leven
= voeren uit celademhaling, afgifte afvalstoffen, opname voedingstoffen,
vertering,…
Macroscopisch niveau= met het blote oog te zien
Microscopisch niveau= met een lichtmicroscoop te zien
Submicroscopisch niveau= met een elektronenmicroscoop te zien
1.2 Cytoplasma
= inhoud van de cel tussen het celmembraan en het kernmembraan, bestaat uit
cytosol en celorganellen
cytosol= vloeibare component van cytoplasma,
bestaat uit water met opgeloste stoffen
- ondervindt chemische reacties
celorganellen= gespecialiseerde onderdelen van
de cel met specifieke functies
1.3 Celbegrenzing
1.3.1 Celmembraan
1) structuur celmembraan
bevat dubbele laag fosforlipiden
hydrofiele koppen naar buiten gericht
waterige omgeving van de cel
hydrofobe staarten naar binnen gericht
bevat olieachtige substantie en zal amper
water in water oplosbare stoffen doorlaten
cholesterol= hydrofobe onderdeel, regelt de doorlaatbaarheid van membraan
beweging van fosforlipiden
membraaneiwitten= regelen de binnen en buitengaan van grotere hydrofiele
stoffen of ionen
- transmembraanewitten= kunnen door de dubbele lipidelaag steken,
verbinden extracellulaire en intracellulaire delen met elkaar
- maken transport van stoffen in en uit de cel mogelijk
- perifere eiwitten= kunnen niet zelf door de celmembraan, bevinden zich aan
de oppervlakte van de celmembraan
- receptoren
sachariden= bevinden zich in de
extracellulaire oppervlak van
celmembraan
-glycolipiden
-glycoproteïnen
, 2) Functie celmembraan
zorgt voor communicatie in de cel door receptoren (perifere eiwitten en
sachariden)
1.3.2 Celwand
1) structuur
plantaardige cellen, schimmels, bacteriën, archaea= hebben
celwand
dierlijke cellen= geen celwand
- bestaat uit polysacharide cellulose
- elke cel heeft haar eigen celwand staan in contact door
plasmodesmata= kleine gaatjes in celwand die voor
communicatie en stofuitwisseling zorgen
2) Functie
- bescherming tegen indringers
- ondersteuning
- bepaald de vorm van de cel
- zorgt voor transport van stoffen
- laat opgeloste stoffen door
1.4 Celorganellen
= alle celonderdelen met een gespecialiseerde functie die samenwerken om van
de cel een levende bouwsteen te maken
prokaryote cel= weinig celorganellen
eukaryote cel= verschillende celorganellen
1.4.1 Celkern
eukaryote cellen= bevatten celkern
- dierlijke en plantaardige cellen
prokaryote cellen= geen celkern
- bacteriën
1) structuur
celkern / nucleus= grootste celorganel, bevat erfelijke materiaal (DNA)
kernmembraan= dubbel membraan, scheidt kerninhoud van cytoplasma
- bestaat uit 2 fosforlipidelagen met smalle ruimte tussen beiden
- bevat kleine kernporiën, zorgen voor selectieve uitwisseling van stoffen
tussen
cytoplasma en celkern
nucleoplasma= inhoud van celkern
nucleosol / kernlichaampje= vloeibare
gedeelte van nucleoplasma, plaats waar de
bouwstenen van de ribosomen worden gemaakt
DNA= 2 meter lang, ingedraaid rond eiwitten om
in de celkern te passen
chromatine= DNA gewikkeld rond eiwitten
2) Functie
draagt de genetische informatie (DNA)