Probleem 2
Bronnen:
Hoofdstuk 3 – Compendium
Hoofdstuk 16 – Zwaartepunten
Arrest – Baris/ Riezenkamp
Arrest – Kantharos van Stevensweert
Arrest – Booy/ Wisman
Arrest – Van Geest/ Nederlof
Leerdoel 1 | Wat is een wilsgebrek + welke zijn er?
Verschillen tussen bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden en dwaling – de eerste drie in
boek 3 geregeld = van toepassing op alle rechtshandelingen. Dwaling is alleen toepasbaar op
obligatoire overeenkomsten – boek 6. -> schakelbepaling -> 6:216 -> dwaling ook toepasbaar op
meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen.
Wilsgebreken – wanneer de wil van de wederpartij gebrekkig is gevormd.
Er is dus wel voldaan aan art. 3:33 BW alleen de wil werd op een onzuivere manier gevormd -> leidt
tot vernietigbaarheid.
Bedreiging – art. 3:44 lid 2 BW
Er is wel sprake van overeenstemmende wil en verklaring – de wederpartij heeft verklaard wat hij
heeft gewild (niet in eerste instantie) maar liever dat dan het fysieke geweld ondergaan -> komt door
de vrees voor de realisering van de dreiging. VB. Chantage.
Bedreiging hoeft niet persé de wederpartij te zijn -> kan ook een derde zijn VB. Kind van de
wederpartij. Kan ook een goed zijn VB. Huis in brand steken.
Voorwaarden
Bij bedreiging is een causaal verband vereist -> de bedreigde moet door de bedreiging bewogen zijn
tot het aangaan van de rechtshandeling. -> als er geen sprake zou zijn van bedreiging, zou de
rechtshandeling niet zijn ontstaan
De bedreiging moet onrechtmatig zijn -> VB. Dreigen dat je jouw eigen geld terug wil, anders aangifte
-> rechtmatig
Moet door een redelijk oordelend mens kan worden beïnvloed -> objectivering van het
causaliteitsvereiste -> anders te snel beroep doen op bedreiging -> ook subjectieve elementen spelen
een rol VB. Leeftijd, ervaring.
Bedrog – art. 3:44 lid 3 BW
Er is opzettelijk een onjuiste mededeling gedaan door de partij, waardoor de wederpartij dit heeft
aanvaard.
Voorwaarden
Kunstgrepen ->
a. Opzettelijk misleidend gedrag
a. Er is sprake van een opzettelijk onjuiste mededeling
b. Opzettelijk iets verzwijgen dat men verplicht was mee te delen
b. Opzet om de ander door dit misleidend gedrag tot het verrichten van de rechtshandeling te
bewegen.
Causaal verband -> de bedrogene is door het hanteren van een kunstgreep bewogen tot het aangaan
van een rechtshandeling. Zonder dit bedrog zou hij de rechtshandeling nooit zijn aangegaan.
Wanneer het in algemene bewoordingen is -> geen bedrog VB. Reclameborden met ‘de mooiste, de
leukste’
Misbruik van omstandigheden – art. 3:44 lid 4 BW
Bronnen:
Hoofdstuk 3 – Compendium
Hoofdstuk 16 – Zwaartepunten
Arrest – Baris/ Riezenkamp
Arrest – Kantharos van Stevensweert
Arrest – Booy/ Wisman
Arrest – Van Geest/ Nederlof
Leerdoel 1 | Wat is een wilsgebrek + welke zijn er?
Verschillen tussen bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden en dwaling – de eerste drie in
boek 3 geregeld = van toepassing op alle rechtshandelingen. Dwaling is alleen toepasbaar op
obligatoire overeenkomsten – boek 6. -> schakelbepaling -> 6:216 -> dwaling ook toepasbaar op
meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen.
Wilsgebreken – wanneer de wil van de wederpartij gebrekkig is gevormd.
Er is dus wel voldaan aan art. 3:33 BW alleen de wil werd op een onzuivere manier gevormd -> leidt
tot vernietigbaarheid.
Bedreiging – art. 3:44 lid 2 BW
Er is wel sprake van overeenstemmende wil en verklaring – de wederpartij heeft verklaard wat hij
heeft gewild (niet in eerste instantie) maar liever dat dan het fysieke geweld ondergaan -> komt door
de vrees voor de realisering van de dreiging. VB. Chantage.
Bedreiging hoeft niet persé de wederpartij te zijn -> kan ook een derde zijn VB. Kind van de
wederpartij. Kan ook een goed zijn VB. Huis in brand steken.
Voorwaarden
Bij bedreiging is een causaal verband vereist -> de bedreigde moet door de bedreiging bewogen zijn
tot het aangaan van de rechtshandeling. -> als er geen sprake zou zijn van bedreiging, zou de
rechtshandeling niet zijn ontstaan
De bedreiging moet onrechtmatig zijn -> VB. Dreigen dat je jouw eigen geld terug wil, anders aangifte
-> rechtmatig
Moet door een redelijk oordelend mens kan worden beïnvloed -> objectivering van het
causaliteitsvereiste -> anders te snel beroep doen op bedreiging -> ook subjectieve elementen spelen
een rol VB. Leeftijd, ervaring.
Bedrog – art. 3:44 lid 3 BW
Er is opzettelijk een onjuiste mededeling gedaan door de partij, waardoor de wederpartij dit heeft
aanvaard.
Voorwaarden
Kunstgrepen ->
a. Opzettelijk misleidend gedrag
a. Er is sprake van een opzettelijk onjuiste mededeling
b. Opzettelijk iets verzwijgen dat men verplicht was mee te delen
b. Opzet om de ander door dit misleidend gedrag tot het verrichten van de rechtshandeling te
bewegen.
Causaal verband -> de bedrogene is door het hanteren van een kunstgreep bewogen tot het aangaan
van een rechtshandeling. Zonder dit bedrog zou hij de rechtshandeling nooit zijn aangegaan.
Wanneer het in algemene bewoordingen is -> geen bedrog VB. Reclameborden met ‘de mooiste, de
leukste’
Misbruik van omstandigheden – art. 3:44 lid 4 BW