Persoonlijkheidspsychologie
Hoofdstuk 1: zelfbeeld en zelfwaardering
Zelfbeeld= zelfconcept/zelfschema
- Interne zelfbeeld: hoe je jezelf zeiet
- Alterbeeld: hoe je de ander ziet
- Extern zelfbeeld: hoe je jezelf wilt voorstellen, hoe je wilt dat anderen jou zien
Universele zelfbeeld= iets waarbij je denkt dat het uniek is, terwijl heel veel andere mensen dit kenmerk
bevatten
Zelfconcept/zelfschema= het geheel van opvattingen dat iemand heeft over zijn/haar functioneren en
eigenschappen
→ cognitieve component
→ heb je van jongsaf aan en blijft groeien (en bouwt dit op)
→ bevat zowel inhoud (wat weet ik over mijzelf?) als structuur (hoe is dit geordend?)
Verschillende termen:
1. Zelfwaardering= waarde die je toekent aan jezelf (hoe tevreden je bent met jezelf)
2. Zelfpresentatie= hoe je wilt dat andere mensen jou zien
3. Zelfbeschikking= hoe je je eigen gedrag verklaart (oorzaken toekennen)
- Interne attributie: ik ben geslaagd omdat ik goed gestudeerd heb
- Extere attributie: ik ben geslaagd omdat ik een goede leerkracht had
4. Zelfhandhaving (coping)= de manier waarop je jezelf beschermt wanneer iemand anders iets kwetsend
zegt om het zelfbeeld hoog te houden
Verschillende vormen van zelfhandhaving:
Rationalisatie = verklaring zoeken die meer aanvaardbaar is voor jou
→ je buist voor verpleegkunde omdat je “niet zo goed tegen bloed kan”
Compensatie = iets waar je niet zo sterk in bent verdoezelen door sterkte naar voor te halen
→ veel rond de pot draaien op mondeling examen dat je niet hebt geleerd
Verschuiving = je gevoelens afreageren op iets/iemand anders
→ je bent boos en schopt hiervoor tegen de deur
Negatie = ontkenning, negeren, niet willen kennen van de waarheid
→ vrouw die kanker heeft die dit niet gelooft
Sublimering = minder acceptabel gedrag omzetten in meer aanvaardbaar gedrag
→ mama die niet kan aanvaarden dat dochter beperkt is, waardoor ze haar heel
hard gaat beschermen
Regressie = terugval naar een vorige levensfase
→ kind dat terug in bed plassen wanneer er een nieuw kindje komt
Projectie = gevoelens/verlangens op een andere persoon projecteren
→ je bent boos op partner maar zegt “je bent altijd boos op mij”
Theoretisch kader – persoonmodel Verhofstadt-Denève: dynamische ik-mij relatie
Ik-kant Mij-kant
- Reflecterend subject - Deel waarover gereflecteerd wordt
- Denkt na over mij-kant - Object: overscouwer
- Persoon als kenner - Persoon als gekende
- Denken, voelen, doen
1
,Dimensies van het zelfbeeld: 6 fenomenologische constructies
- Zelfbeeld: hoe kijk ik naar mezelf?
- Ideaal-zelf: hoe wil ik zijn?
- Alter-beeld: wie is de ander?
- Ideaal-alter: wie wil ik dat de anderen zijn?
- Meta-zelf: wat denken de anderen over mij?
- Ideaal-meta-zelf: hoe wil ik dat de anderen over mij denken?
6 beelden/constructies van onszelf bevatten (basisstructuur):
- Persoonskenmerken en condities (wie ben ik?)
• Toekomst: vroeger en nu (vb. zelfbeeld in dagboek)
• Psychische en fysische persoonskenmerken
• Condities (sociale rollen en betekenisvolle anderen)
→ vb. vrienden, ouders, die uitspraken over ons doen die we betekenisvol vinden
- Interne en externe zelfbeeld (zelfpresentatie)
- Bewustzijnsniveaus: bewust en onbewust (vb. niet bewust zijn dat je kan zingen)
- Fenomenologische zelfconstructie en realiteit: geheel van bewuste en onbewuste
persoonskenmerke nen condities die je aan jezelf toekent
In de praktijk: is dit nuttig om te kijken wat doelen zijn
Dingen die je zelfbeeld mee bepalen: traumatische ervaring, media, kwetsende opmerkingen van
anderen,…
Informatiebronnen bij ontstaan en opbouwen van zelfbeeld:
- Introspectie: in jezelf kijken en eigen gevoelens en gedachten waarnemen
- Zelfperceptie: gedrag en het zelf beoordelen van dat gedrag
- Vergelijken met anderen
• The looking-glass self: constant de reacties van anderen betrekken op het ZB
→ (vb. je vertelt een grap en niemand lacht → “niemand vindt mij grappig”)
• Sociale vergelijkingstheorie (Festinger): we vergelijken ons voortdurend (en ook als we
onzeker zijn) met andere mensen die op ons lijken
- Autobiografisch geheugen: positieve en negatieve zaken die gebeurd zijn (vb. pesten)
→ flitslichtherinneringen
- Culturele perspectieven: verband tussen culturele oriëntatie en conceptie vh zelf
→ vb. mensen in China en Japan hebben helemaal andere manier van samenleven
Besluit: je zelfbeeld is het effect van reacties uit je omgeving waardoor je een positief en realistisch
zelfbeeldd kan opbouwen of het kan vervormen
- Onrealistisch zelfbeeld: beeld van jezelf dat niet strookt met de realiteit
- Ongenuanceerd zelfbeeld: zelfbeeld op basis van 1 kenmerk (je kan niet rekenen, dus “ik ben
dom”)
Ontwikkeling zelfbeeld:
Baby/peuter - Startpunt: wanneer het kind zich als een afzonderlijk individu ziet en het
vermogen heeft om over zichzelf te praten
- objectpermanentie (wanneer kinderen beseffen dat een voorwerp blijft
bestaan en dus niet weg gaat, komt dit ook bij zichzelf)
- zelfherkenning (stip op neus die ze herkennen in de spiegel)
3-4 jaar - Vertellen over dingen die we kunnen observeren (haar,schoenen,…)
- Vertellen over dingen die ze hebben
- Zijn zeer egocentrisch
2
, 5-7 jaar - Benoemen dingen waar ze goed in zijn
- Maken categorieën: waar ze wel goed in zijn en waar niet
- Zwart-wit denken (vb. juf is stom)
- Maken onderscheid tussen hoe ze zijn (zelfbeeld) en willen zijn (ideaal-beeld)
- Overschatten zichzelf (onrealistisch)
8-11 jaar - Vergelijken zichzelf met anderen
- Vertellen over competenties (concreet)
- Benoemen dingen waar ze minder goed in zijn (concreet)
- Anderen worden belangrijker
- Onderscheiden zichzelf (zelfbeeld) van de anderen (alter-beeld)
Adolescent - Kritisch tov zichzelf
- Benoemen hun karakter en psychische eigenschappen
- Benoemen hoe ze zich gedragen in verschillende situaties
- Gevoel van uniciteit (uniek-zijn)
- Overschatten niet meer
Besluit:
- Toenemende differentiatie (meer domeinen)
- Toenemende integratie – zelfbeeld vormt 1 geheel (intern consistent)
- Toenemende accuraatheid (juistere schatting, minder overschatting)
- Toenemende mate van zelfreflectie – kijken vanop afstand naar zichzelf (meta)
Toenemende reflectie op een ander:
Egocentrische role-taking (4-6 jaar) → ziet enkel eigen gevoelens
Subjectieve role-taking (6-8 jaar) → beseft dat een andere persoon iets anders kan denken
Zelfreflectieve role-taking (8-10 jaar) → inschatten wat gedrag teweeg brengt op de ander
Zelfwaardering
= affectieve component waarbij we onszelf beoordelen
Zelfwaardering theoretisch:
- Unidimensionele model: zelfwaardering is globaal door het geven van een score
- Multidimensionele model: oordeel vellen door over verschillende deeltjes van jezelf + kan ook
samen met globale score
- Hiërarchische model: hoofd- en subcategoriën (vb. school → rekenen, taal,…)
→ hoe je naar de subcategoriën kijkt bepaalt mee hoe je je globaal voelt
- Hedendaagse opvatting: multi-dimensioneel + hiërarchische structuur
Zelfwaarderingsmodel Harter
=Multidimensioneel model + het geven van een globale score
→ 5 domeinen waarin lagere schoolkinderen onderscheid kunnen maken
Waargenomen comptetentie= oordeel dat kinderen hebben op een specifiek domein (vaardigheden)
→ wordt afgewogen door waarden (hoe belangrijk vind ik dit?) en sociale vergelijking/steun
vb. kinderen sporten maar jij niet → “ik ben niet sportief”
- Fysieke verschijning, sociale acceptatie en sportieve vaardigheden hebben invloed op de steun
die ze ervaren van leeftijdsgenoten
→ hierdoor is er minder kans op depressieve gevoelens, voelen ze zich goed
- Schoolse vaardigheden en gedraghouding hebben invloed op de steun die ze ervaren van ouders
→ hierdoor is er minder kans op depressieve gevoelens, voelen ze zich goed
3
, Meetinstrumenten:
- CBSK: competentiebelevingsschaal voor kinderen
- CBSA: competentiebelevingsschaal voor adolescenten
→ bevatten de 5 domeinen
Zelfconcept kinderen met ADHD: scoren zichzelf hoog tov kinderen zonder ADHD
Zelfbeeldversterkende technieken:
- Levensweg, kwaliteitenspel, complimenten geven,…
- Realistische doelen stellen
- Gedachten uitdagen
Behoefte aan zelfwaardering: het gevoel van eigenwaarde is een gemoedstoestand die varieert
afhankelijk van succes, mislukkingen en veranderingen in de fincanciële toestand, sociale contacten en
andere levenservaringen
→ behoefte om zichzelf positief te waarderen
Vicieuze cirkel:
Zelfdiscrepantietheorie (Higgins): zelfwaardering is afhankelijk van
- Zelfbeeld en ideaal-beeld
- Grootte van de discrepantie (=verschil) en het belang dat we er aan hechten
Zelfverheerlijkingsmechanismen:
Zelfhandicappering = gedrag stellen om je eigen prestaties te saboteren
→ excuus bij falen
BIRGing = Basket In Reflected Glory
→ identificeren met sucessvolle anderen
→ koesteren aan het succes van anderen
vb. “we hebben gewonnen”
4
Hoofdstuk 1: zelfbeeld en zelfwaardering
Zelfbeeld= zelfconcept/zelfschema
- Interne zelfbeeld: hoe je jezelf zeiet
- Alterbeeld: hoe je de ander ziet
- Extern zelfbeeld: hoe je jezelf wilt voorstellen, hoe je wilt dat anderen jou zien
Universele zelfbeeld= iets waarbij je denkt dat het uniek is, terwijl heel veel andere mensen dit kenmerk
bevatten
Zelfconcept/zelfschema= het geheel van opvattingen dat iemand heeft over zijn/haar functioneren en
eigenschappen
→ cognitieve component
→ heb je van jongsaf aan en blijft groeien (en bouwt dit op)
→ bevat zowel inhoud (wat weet ik over mijzelf?) als structuur (hoe is dit geordend?)
Verschillende termen:
1. Zelfwaardering= waarde die je toekent aan jezelf (hoe tevreden je bent met jezelf)
2. Zelfpresentatie= hoe je wilt dat andere mensen jou zien
3. Zelfbeschikking= hoe je je eigen gedrag verklaart (oorzaken toekennen)
- Interne attributie: ik ben geslaagd omdat ik goed gestudeerd heb
- Extere attributie: ik ben geslaagd omdat ik een goede leerkracht had
4. Zelfhandhaving (coping)= de manier waarop je jezelf beschermt wanneer iemand anders iets kwetsend
zegt om het zelfbeeld hoog te houden
Verschillende vormen van zelfhandhaving:
Rationalisatie = verklaring zoeken die meer aanvaardbaar is voor jou
→ je buist voor verpleegkunde omdat je “niet zo goed tegen bloed kan”
Compensatie = iets waar je niet zo sterk in bent verdoezelen door sterkte naar voor te halen
→ veel rond de pot draaien op mondeling examen dat je niet hebt geleerd
Verschuiving = je gevoelens afreageren op iets/iemand anders
→ je bent boos en schopt hiervoor tegen de deur
Negatie = ontkenning, negeren, niet willen kennen van de waarheid
→ vrouw die kanker heeft die dit niet gelooft
Sublimering = minder acceptabel gedrag omzetten in meer aanvaardbaar gedrag
→ mama die niet kan aanvaarden dat dochter beperkt is, waardoor ze haar heel
hard gaat beschermen
Regressie = terugval naar een vorige levensfase
→ kind dat terug in bed plassen wanneer er een nieuw kindje komt
Projectie = gevoelens/verlangens op een andere persoon projecteren
→ je bent boos op partner maar zegt “je bent altijd boos op mij”
Theoretisch kader – persoonmodel Verhofstadt-Denève: dynamische ik-mij relatie
Ik-kant Mij-kant
- Reflecterend subject - Deel waarover gereflecteerd wordt
- Denkt na over mij-kant - Object: overscouwer
- Persoon als kenner - Persoon als gekende
- Denken, voelen, doen
1
,Dimensies van het zelfbeeld: 6 fenomenologische constructies
- Zelfbeeld: hoe kijk ik naar mezelf?
- Ideaal-zelf: hoe wil ik zijn?
- Alter-beeld: wie is de ander?
- Ideaal-alter: wie wil ik dat de anderen zijn?
- Meta-zelf: wat denken de anderen over mij?
- Ideaal-meta-zelf: hoe wil ik dat de anderen over mij denken?
6 beelden/constructies van onszelf bevatten (basisstructuur):
- Persoonskenmerken en condities (wie ben ik?)
• Toekomst: vroeger en nu (vb. zelfbeeld in dagboek)
• Psychische en fysische persoonskenmerken
• Condities (sociale rollen en betekenisvolle anderen)
→ vb. vrienden, ouders, die uitspraken over ons doen die we betekenisvol vinden
- Interne en externe zelfbeeld (zelfpresentatie)
- Bewustzijnsniveaus: bewust en onbewust (vb. niet bewust zijn dat je kan zingen)
- Fenomenologische zelfconstructie en realiteit: geheel van bewuste en onbewuste
persoonskenmerke nen condities die je aan jezelf toekent
In de praktijk: is dit nuttig om te kijken wat doelen zijn
Dingen die je zelfbeeld mee bepalen: traumatische ervaring, media, kwetsende opmerkingen van
anderen,…
Informatiebronnen bij ontstaan en opbouwen van zelfbeeld:
- Introspectie: in jezelf kijken en eigen gevoelens en gedachten waarnemen
- Zelfperceptie: gedrag en het zelf beoordelen van dat gedrag
- Vergelijken met anderen
• The looking-glass self: constant de reacties van anderen betrekken op het ZB
→ (vb. je vertelt een grap en niemand lacht → “niemand vindt mij grappig”)
• Sociale vergelijkingstheorie (Festinger): we vergelijken ons voortdurend (en ook als we
onzeker zijn) met andere mensen die op ons lijken
- Autobiografisch geheugen: positieve en negatieve zaken die gebeurd zijn (vb. pesten)
→ flitslichtherinneringen
- Culturele perspectieven: verband tussen culturele oriëntatie en conceptie vh zelf
→ vb. mensen in China en Japan hebben helemaal andere manier van samenleven
Besluit: je zelfbeeld is het effect van reacties uit je omgeving waardoor je een positief en realistisch
zelfbeeldd kan opbouwen of het kan vervormen
- Onrealistisch zelfbeeld: beeld van jezelf dat niet strookt met de realiteit
- Ongenuanceerd zelfbeeld: zelfbeeld op basis van 1 kenmerk (je kan niet rekenen, dus “ik ben
dom”)
Ontwikkeling zelfbeeld:
Baby/peuter - Startpunt: wanneer het kind zich als een afzonderlijk individu ziet en het
vermogen heeft om over zichzelf te praten
- objectpermanentie (wanneer kinderen beseffen dat een voorwerp blijft
bestaan en dus niet weg gaat, komt dit ook bij zichzelf)
- zelfherkenning (stip op neus die ze herkennen in de spiegel)
3-4 jaar - Vertellen over dingen die we kunnen observeren (haar,schoenen,…)
- Vertellen over dingen die ze hebben
- Zijn zeer egocentrisch
2
, 5-7 jaar - Benoemen dingen waar ze goed in zijn
- Maken categorieën: waar ze wel goed in zijn en waar niet
- Zwart-wit denken (vb. juf is stom)
- Maken onderscheid tussen hoe ze zijn (zelfbeeld) en willen zijn (ideaal-beeld)
- Overschatten zichzelf (onrealistisch)
8-11 jaar - Vergelijken zichzelf met anderen
- Vertellen over competenties (concreet)
- Benoemen dingen waar ze minder goed in zijn (concreet)
- Anderen worden belangrijker
- Onderscheiden zichzelf (zelfbeeld) van de anderen (alter-beeld)
Adolescent - Kritisch tov zichzelf
- Benoemen hun karakter en psychische eigenschappen
- Benoemen hoe ze zich gedragen in verschillende situaties
- Gevoel van uniciteit (uniek-zijn)
- Overschatten niet meer
Besluit:
- Toenemende differentiatie (meer domeinen)
- Toenemende integratie – zelfbeeld vormt 1 geheel (intern consistent)
- Toenemende accuraatheid (juistere schatting, minder overschatting)
- Toenemende mate van zelfreflectie – kijken vanop afstand naar zichzelf (meta)
Toenemende reflectie op een ander:
Egocentrische role-taking (4-6 jaar) → ziet enkel eigen gevoelens
Subjectieve role-taking (6-8 jaar) → beseft dat een andere persoon iets anders kan denken
Zelfreflectieve role-taking (8-10 jaar) → inschatten wat gedrag teweeg brengt op de ander
Zelfwaardering
= affectieve component waarbij we onszelf beoordelen
Zelfwaardering theoretisch:
- Unidimensionele model: zelfwaardering is globaal door het geven van een score
- Multidimensionele model: oordeel vellen door over verschillende deeltjes van jezelf + kan ook
samen met globale score
- Hiërarchische model: hoofd- en subcategoriën (vb. school → rekenen, taal,…)
→ hoe je naar de subcategoriën kijkt bepaalt mee hoe je je globaal voelt
- Hedendaagse opvatting: multi-dimensioneel + hiërarchische structuur
Zelfwaarderingsmodel Harter
=Multidimensioneel model + het geven van een globale score
→ 5 domeinen waarin lagere schoolkinderen onderscheid kunnen maken
Waargenomen comptetentie= oordeel dat kinderen hebben op een specifiek domein (vaardigheden)
→ wordt afgewogen door waarden (hoe belangrijk vind ik dit?) en sociale vergelijking/steun
vb. kinderen sporten maar jij niet → “ik ben niet sportief”
- Fysieke verschijning, sociale acceptatie en sportieve vaardigheden hebben invloed op de steun
die ze ervaren van leeftijdsgenoten
→ hierdoor is er minder kans op depressieve gevoelens, voelen ze zich goed
- Schoolse vaardigheden en gedraghouding hebben invloed op de steun die ze ervaren van ouders
→ hierdoor is er minder kans op depressieve gevoelens, voelen ze zich goed
3
, Meetinstrumenten:
- CBSK: competentiebelevingsschaal voor kinderen
- CBSA: competentiebelevingsschaal voor adolescenten
→ bevatten de 5 domeinen
Zelfconcept kinderen met ADHD: scoren zichzelf hoog tov kinderen zonder ADHD
Zelfbeeldversterkende technieken:
- Levensweg, kwaliteitenspel, complimenten geven,…
- Realistische doelen stellen
- Gedachten uitdagen
Behoefte aan zelfwaardering: het gevoel van eigenwaarde is een gemoedstoestand die varieert
afhankelijk van succes, mislukkingen en veranderingen in de fincanciële toestand, sociale contacten en
andere levenservaringen
→ behoefte om zichzelf positief te waarderen
Vicieuze cirkel:
Zelfdiscrepantietheorie (Higgins): zelfwaardering is afhankelijk van
- Zelfbeeld en ideaal-beeld
- Grootte van de discrepantie (=verschil) en het belang dat we er aan hechten
Zelfverheerlijkingsmechanismen:
Zelfhandicappering = gedrag stellen om je eigen prestaties te saboteren
→ excuus bij falen
BIRGing = Basket In Reflected Glory
→ identificeren met sucessvolle anderen
→ koesteren aan het succes van anderen
vb. “we hebben gewonnen”
4