Inleiding B
Historisch denken – Basisboek voor de vakdocent
H1 Geschiedenis
• Grondslagen van de geschiedwetenschap.
– Definitie.
– Historisch denken.
– Historische redeneerwijzen.
– Het nut van historisch denken en redeneren.
1.1 Definitie
Definitie
• Geschiedwetenschap: waarheden en het verleden.
I Waarheden
• Geschiedenis gaat over de verdwenen werkelijkheid van het verleden.
– geen waarnemingen, maar overblijfselen
• Geschiedenis:
– niet wat er vroeger gebeurd is (= verleden)
– alleen datgene wat daarover later nog als 'waarheid' kan worden vastgesteld
• Moeilijkheden:
– te weinig bewijsmateriaal
– taal en betekenis van woorden
– waarden en normen
• Hermeneutiek: de historicus 'vertaalt' vroegere gedachten voor de hedendaagse lezer.
– beleving en daden
• Waarheden over het verleden zijn die zaken die we tegenwoordig nog als feit kunnen
vaststellen over wat er vroeger gebeurd is.
– m.b.v. overgebleven gegevens, hedendaagse taal, vanuit ons hedendaags perspectief
• Geschiedenis gaat over de relatie tussen vroeger en nu, over beelden die mensen van
tegenwoordig hebben over het verleden.
II Het verleden
• Het verleden: niet meer bestaande werkelijkheid.
• Geschiedenis: beelden van het verleden (van de menselijke cultuur).
• Historicus bestudeert niet het verleden, maar de hedendaagse werkelijkheid om beelden van
het verleden vast te stellen.
• Geschiedenis begint niet bij de oerknal, maar bij het ontstaat van menselijke cultuur.
1.2 Historisch denken
Historisch denken
• Het onderscheiden van voorbije tijden van de eigen tijd.
– vier begrippen centraal: periodiseren, anachronisme, historische distantie, contingentie
I Traditie en verandering
, • Weinig of geen historische belangstelling in een traditionele samenleving, door eeuwige
waarden en waarheden.
– In Europa tot aan de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting.
• Historisch denken ontstaan door besef van een ingrijpende breuk tussen heden en verleden.
• Gevoelens van nostalgie en romantiek.
– Ontstaan belangstelling voor verleden, daarom in 19e eeuw musea en geschiedenisboeken.
• Hoe 'moderner' een tijd wordt, hoe meer historische belangstelling.
II Kenmerken
• Periodiseren.
– het indelen van geschiedenis in perioden met duidelijke eigen karakteristieken
• Anachronisme.
– het verkeerd plaatsen van zaken in de tijd
• Historische distantie.
– gevoel van afstand tussen de eigen wereld en de wereld van het verleden waarover het gaat
• Contingentie.
– toeval en onvoorspelbaarheid
• Historisch tijdsbewustzijn (figuur 1).
– chronologie, periodisering
– anachronisme, contingentie
– generaties, overblijfselen (historische distantie)
1.3 Historische redeneerwijzen
Vier redeneerwijzen
• Verzamelen.
– bronnen en gegevens, vaststellen van feiten
• Ordenen.
– in perioden en thema's
• Verklaren.
– analyses van oorzaken en gevolgen
• Vormen van een beeld.
– interpretatie van het geheel die er een betekenis aan geeft
• Denken en argumenteren vanuit het besef van tijdsverschil.
– periodisering, anachronisme, historische distantie, contingentie
I Verzamelen
• Overblijfselen uit andere tijden (tijsverschil).
• Historische context moet bij uitleg worden betrokken.
• Achtergrondinformatie over schrijver of maker verzamelen.
• Voor wie is de bron bedoeld (tijdgenoten of juist niet)?
• Herinneringen, beïnvloed of niet?
II Ordenen
• Kan alleen vanuit een achterafperspectief plaatsvinden (tijdsverschil).
– diepgaande veranderingen of continuïteit
III Verklaren
Historisch denken – Basisboek voor de vakdocent
H1 Geschiedenis
• Grondslagen van de geschiedwetenschap.
– Definitie.
– Historisch denken.
– Historische redeneerwijzen.
– Het nut van historisch denken en redeneren.
1.1 Definitie
Definitie
• Geschiedwetenschap: waarheden en het verleden.
I Waarheden
• Geschiedenis gaat over de verdwenen werkelijkheid van het verleden.
– geen waarnemingen, maar overblijfselen
• Geschiedenis:
– niet wat er vroeger gebeurd is (= verleden)
– alleen datgene wat daarover later nog als 'waarheid' kan worden vastgesteld
• Moeilijkheden:
– te weinig bewijsmateriaal
– taal en betekenis van woorden
– waarden en normen
• Hermeneutiek: de historicus 'vertaalt' vroegere gedachten voor de hedendaagse lezer.
– beleving en daden
• Waarheden over het verleden zijn die zaken die we tegenwoordig nog als feit kunnen
vaststellen over wat er vroeger gebeurd is.
– m.b.v. overgebleven gegevens, hedendaagse taal, vanuit ons hedendaags perspectief
• Geschiedenis gaat over de relatie tussen vroeger en nu, over beelden die mensen van
tegenwoordig hebben over het verleden.
II Het verleden
• Het verleden: niet meer bestaande werkelijkheid.
• Geschiedenis: beelden van het verleden (van de menselijke cultuur).
• Historicus bestudeert niet het verleden, maar de hedendaagse werkelijkheid om beelden van
het verleden vast te stellen.
• Geschiedenis begint niet bij de oerknal, maar bij het ontstaat van menselijke cultuur.
1.2 Historisch denken
Historisch denken
• Het onderscheiden van voorbije tijden van de eigen tijd.
– vier begrippen centraal: periodiseren, anachronisme, historische distantie, contingentie
I Traditie en verandering
, • Weinig of geen historische belangstelling in een traditionele samenleving, door eeuwige
waarden en waarheden.
– In Europa tot aan de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting.
• Historisch denken ontstaan door besef van een ingrijpende breuk tussen heden en verleden.
• Gevoelens van nostalgie en romantiek.
– Ontstaan belangstelling voor verleden, daarom in 19e eeuw musea en geschiedenisboeken.
• Hoe 'moderner' een tijd wordt, hoe meer historische belangstelling.
II Kenmerken
• Periodiseren.
– het indelen van geschiedenis in perioden met duidelijke eigen karakteristieken
• Anachronisme.
– het verkeerd plaatsen van zaken in de tijd
• Historische distantie.
– gevoel van afstand tussen de eigen wereld en de wereld van het verleden waarover het gaat
• Contingentie.
– toeval en onvoorspelbaarheid
• Historisch tijdsbewustzijn (figuur 1).
– chronologie, periodisering
– anachronisme, contingentie
– generaties, overblijfselen (historische distantie)
1.3 Historische redeneerwijzen
Vier redeneerwijzen
• Verzamelen.
– bronnen en gegevens, vaststellen van feiten
• Ordenen.
– in perioden en thema's
• Verklaren.
– analyses van oorzaken en gevolgen
• Vormen van een beeld.
– interpretatie van het geheel die er een betekenis aan geeft
• Denken en argumenteren vanuit het besef van tijdsverschil.
– periodisering, anachronisme, historische distantie, contingentie
I Verzamelen
• Overblijfselen uit andere tijden (tijsverschil).
• Historische context moet bij uitleg worden betrokken.
• Achtergrondinformatie over schrijver of maker verzamelen.
• Voor wie is de bron bedoeld (tijdgenoten of juist niet)?
• Herinneringen, beïnvloed of niet?
II Ordenen
• Kan alleen vanuit een achterafperspectief plaatsvinden (tijdsverschil).
– diepgaande veranderingen of continuïteit
III Verklaren