Dierkunde
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
Taxonomie = dieren indelen in groepen (identificeren)
Verklaring wetenschappelijke biologische termen: dictionary of biology / Wikipedia
1: Definitie van het leven
Eigenschappen van leven:
Unieke chemische samenstelling (macromoleculen: nucleïnezuren, eiwitten, koolhydraten,
vetten)
Hiërarchische organisatieniveaus (moleculen, cellen, weefsels, organen, individuen,
populaties, gemeenschappen)
Voortplanting (erfelijkheid + variatie)
Genetische code
Metabolisme (opname voedingsstoffen afbraak tot eenvoudigere moleculen: energie,
bouwstenen)
Ontwikkeling
Dieren altijd meercellig
Onderverdeling 3 domeinen:
Eukarya: eukaryootvolledige celbouw
o 4 rijken: planten, dieren, zwammen, eencelligen
Eubacteria: prokaryoot, onvolledige celbouw
o 2 rijken: cyanobacteria/blauwwieren en Proteobacteria/purperbacteriën
o Cyanobacteria: in het water levende, fotosynthetische, zuurstof producerende organismen
endosymbiont in eukaryote cellen ontstaan mitochondriën
o Purperbacteriën: endosymbiont gaan leven ontstaan chloroplasten (vb: Salmonella)
o (spirocheten (vb: ziekte van Lyme)) ontstaan flagellen
Arcaebacteria: prokaryoot
o methanogene bacteriën (helpen gras verteren bij koeien, reduceren CO2 tot methaan)
o extreem halofiele bacteriën: zeer hoge zoutconcentraties
o thermofiele non-methanogene bacteriën: extreem zure omstandigheden of hete
zwavelhoudende bronnen
Niet geplaatste groepen: virussen, viroïden …: levende (mutaties mogelijk) en niet-levende
eigenschappen (acellulair, geen metabolisme)
Prionen: infectieuze eiwitten
2: Verschillende organisatieniveaus
Moleculair en cellulair
, 3: Diversiteit in het dierenrijk
HOOFDSTUK 2: DE DIERLIJKE CEL
1: Bouwstenen van organismen
Cursustekst: voornamelijk opfrissing
2: Inwendige structuur van de cel
Plasmamembraan: rechtstreeks contact met de buitenwereld
transport: bevat pompen die stoffen van buitenwereld naar binnen kunnen pompen
enzymen die gaan binden
communicatie tussen cellen
cel doen bewegen
membraanreceptoren
Kern: opslag genetisch materiaal
nucleolus: aanmaak ribosomen
chromosomen: erfelijke informatie tot uiting via proteïnen
3: Erfelijke informatie
proteïnen: cruciale rol in processen
vorming eiwitten
o aminozuren: primaire structuur eiwit door opeenvolging aminozuren
o DNA
o RNA
Genetische code
Expressie van een gen
promoter/repressor
transcriptiefactoren:
o Positieve regulering: activator eiwitten
o Negatieve regulering: repressor eiwitten
splicing
o Introns: onnodig, wordt verwijderd
o Exons: blijft over na splicing
epigenetische effecten door DNA-methylatie vb: roken tijdens zwangerschap heeft invloed op de
eicellen van je ongeboren dochter
mutaties
HOOFDSTUK 1: INLEIDING
Taxonomie = dieren indelen in groepen (identificeren)
Verklaring wetenschappelijke biologische termen: dictionary of biology / Wikipedia
1: Definitie van het leven
Eigenschappen van leven:
Unieke chemische samenstelling (macromoleculen: nucleïnezuren, eiwitten, koolhydraten,
vetten)
Hiërarchische organisatieniveaus (moleculen, cellen, weefsels, organen, individuen,
populaties, gemeenschappen)
Voortplanting (erfelijkheid + variatie)
Genetische code
Metabolisme (opname voedingsstoffen afbraak tot eenvoudigere moleculen: energie,
bouwstenen)
Ontwikkeling
Dieren altijd meercellig
Onderverdeling 3 domeinen:
Eukarya: eukaryootvolledige celbouw
o 4 rijken: planten, dieren, zwammen, eencelligen
Eubacteria: prokaryoot, onvolledige celbouw
o 2 rijken: cyanobacteria/blauwwieren en Proteobacteria/purperbacteriën
o Cyanobacteria: in het water levende, fotosynthetische, zuurstof producerende organismen
endosymbiont in eukaryote cellen ontstaan mitochondriën
o Purperbacteriën: endosymbiont gaan leven ontstaan chloroplasten (vb: Salmonella)
o (spirocheten (vb: ziekte van Lyme)) ontstaan flagellen
Arcaebacteria: prokaryoot
o methanogene bacteriën (helpen gras verteren bij koeien, reduceren CO2 tot methaan)
o extreem halofiele bacteriën: zeer hoge zoutconcentraties
o thermofiele non-methanogene bacteriën: extreem zure omstandigheden of hete
zwavelhoudende bronnen
Niet geplaatste groepen: virussen, viroïden …: levende (mutaties mogelijk) en niet-levende
eigenschappen (acellulair, geen metabolisme)
Prionen: infectieuze eiwitten
2: Verschillende organisatieniveaus
Moleculair en cellulair
, 3: Diversiteit in het dierenrijk
HOOFDSTUK 2: DE DIERLIJKE CEL
1: Bouwstenen van organismen
Cursustekst: voornamelijk opfrissing
2: Inwendige structuur van de cel
Plasmamembraan: rechtstreeks contact met de buitenwereld
transport: bevat pompen die stoffen van buitenwereld naar binnen kunnen pompen
enzymen die gaan binden
communicatie tussen cellen
cel doen bewegen
membraanreceptoren
Kern: opslag genetisch materiaal
nucleolus: aanmaak ribosomen
chromosomen: erfelijke informatie tot uiting via proteïnen
3: Erfelijke informatie
proteïnen: cruciale rol in processen
vorming eiwitten
o aminozuren: primaire structuur eiwit door opeenvolging aminozuren
o DNA
o RNA
Genetische code
Expressie van een gen
promoter/repressor
transcriptiefactoren:
o Positieve regulering: activator eiwitten
o Negatieve regulering: repressor eiwitten
splicing
o Introns: onnodig, wordt verwijderd
o Exons: blijft over na splicing
epigenetische effecten door DNA-methylatie vb: roken tijdens zwangerschap heeft invloed op de
eicellen van je ongeboren dochter
mutaties