Inhoud
Samenvatting De Cel Deeltoets 2 ........................................................................................................1
Hoofdstuk 11: Membrane Structure ................................................................................................2
Hoofdstuk 12: Transport Across Cell Membranes ............................................................................8
Hoofdstuk 13: Intracellular membrane traffic ................................................................................ 17
Hoofdstuk 14: Energy Conversion.................................................................................................. 25
Hoofdstuk 15: Intracellular Compartments and Protein Transport ................................................. 30
Hoofdstuk 16: Cell Signaling .......................................................................................................... 43
Hoofdstuk 17: Cytoskeleton .......................................................................................................... 55
Hoofdstuk 18: The Cell Cycle ......................................................................................................... 66
Hoofdstuk 20: Cell Communities: Tissues, Stem Cells, and Cancer ................................................. 78
1
,Hoofdstuk 11: Membrane Structure
Een membraan is vloeibaar/dynamisch. De vloeibaarheid van een membraan wordt bepaald door:
• De aan- of afwezigheid van cholesterol: cholesterol maakt vloeibare membranen minder
vloeibaar en vaste membranen vloeibaarder.
• De verzadiging van de vetzuurstaarten: verzadigde vetzuurstaarten zorgen voor een minder
vloeibaar membraan. Hoe meer onverzadigde vetzuren hoe meer vloeibaar het membraan is.
• De lengte van de vetzuurstaarten: kortere vetzuurstaarten zorgen voor een vloeibaarder
membraan.
• De temperatuur: hoe hoger de temperatuur, hoe vloeibaarder het membraan.
Het membraan heeft verschillende functies:
• Het membraan biedt bescherming tegen de buitenwereld.
• Het membraan zorgt voor een apart milieu binnen in de cel.
• Door membranen kunnen compartimenten ontstaan binnen de eukaryote cel. Hier zijn
bepaalde processen gelokaliseerd die alleen goed werken bij bepaalde omstandigheden.
Door compartimenten kunnen verschillende omstandigheden binnen één cel gecreëerd
worden.
• Het plasmamembraan speelt een rol bij transport van stoffen, het reageren op de
buitenwereld (signaling) en bewegingen van de cel.
2
,Membranen bestaan uit eiwitten en (fosfo)lipiden.
Een fosfolipide bestaat uit een glycerol backbone met twee vetzuurstaarten en een fosfaatgroep.
Aan de fosfaatgroep kan een kopgroep gezet worden, dit kan choline zijn maar dit kan ook een
andere kopgroep zijn. Er zijn veel verschillende fosfolipiden doordat de kopgroep kan verschillen. Er
zijn ook sphingolipiden, deze hebben een vetzuurstaart met een stikstofverbinding.
Fosfolipiden zijn amfipathisch; ze hebben een hydrofoob deel en een hydrofiel deel. Door deze
amfipathische eigenschappen vormen fosfolipiden een lipide bilaag, dit is het membraan. De
vetzuurstaarten (hydrofoob) zitten naar de binnenkant gericht en de kopgroepen (hydrofiel) zitten
naar de buitenkant gericht. Een molecuul kan niet makkelijk van de ene monolaag naar de andere
monolaag of door het membraan heen, omdat het dan door het hydrofobe milieu moet, dit is
energetisch heel ongunstig.
Elk membraan is anders en heeft andere eigenschappen, o.a. doordat
verschillende membranen verschillende composities fosfolipiden
hebben.
Een cel maakt zelf fosfolipiden in het Endoplasmatisch Reticulum.
Vrije vetzuren (hydrofoob) worden gebonden door een eiwit (fatty
acid binding protein) naar het membraan van het ER gebracht, hier
wordt er een glycerol en een kopgroep gekoppeld.
3
, Er zijn eiwitten in de cel (scramblase) die een fosfolipide naar de andere kant van een membraan
kunnen brengen zodat er in beide lagen evenveel fosfolipiden zitten en er geen disbalans is.
Fosfolipiden kunnen namelijk niet zelf van de ene monolaag naar de andere monolaag.
Fosfolipiden aan de
buitenkant van de cel zijn
anders dan de fosfolipiden
aan de binnenkant van de
cel. Dit wordt opgebouwd in
het Golgi apparaat. Flippase
eiwitten doen hetzelfde als
scramblase eiwitten maar
zijn veel specifieker over
welke fosfolipiden aan
welke kant van het
membraan terecht komen.
Hierbij wordt ATP hydrolyse
gebruikt.
De asymmetrie heeft o.a. te
maken met signaal-
transductie maar speelt ook
een rol bij apoptose.
Membraaneiwitten kunnen helpen bij transport van stoffen (kanalen/transporters), signaal-
transductie (d.m.v. receptoren) en cel-cel interacties door te binden aan de extracellulaire matrix.
Eiwitten en lipiden in het membraan kunnen geglycosyleerd zijn, ze hebben dan een suikergroep.
Deze suikergroepen bevinden zich aan de buitenzijde van het plasmamembraan, ze spelen een rol bij
bescherming en herkenning. De eiwitten komen vanuit membranen in de cel, vanuit het lumen van
het Endoplasmatisch Reticulum. De eiwitten bevinden zich altijd aan de buitenzijde van een cel of in
een compartiment die verwant is aan de extracellulaire ruimte.
4