Hoofdstuk 1: Omgaan met
agressie.
1.Wat is agressie?
Definitie.
Agressie = iedere vorm van dreigend en/of destructief gedrag dat leidt tot schade (psychisch/fysisch/materieel) aan
de ander of zichzelf.
Geweld = opzettelijk en doelbewust aanwenden van agressief gedrag.
Agressie: een subjectief en normatief begrip.
Subjectief: gedrag dat voor de ene als agressief wordt ervaren, kan voor de andere nog wel door de beugel.
Normatief: wat agressief gedrag is, wordt aangegeven door een bepaalde ‘norm’. Dit is relatief en aangegeven door
context, tijdsgeest en cultuur.
2.Theoretische kaders en hun kijk op agressie.
Psychoanalyse:
Thanatos (doodsdrift): vanaf geboorte dragen we een zekere mate van destructie in ons.
Ego-analytici: agressie als mogelijk afweermechanisme van zwakke ik-kern, ontstaan vanuit onveilige
hechting.
Agressie = ‘acting-out’-gedrag vanuit overwerkte en/of zwaar beladen emotionele inhouden.
Systeemtheorie:
Agressie = symptoom van een disfunctie in het systeem.
IP = geïdentificeerde patiënt: de persoon die de problemen van het systeem draagt, en zo de aandacht van
de problemen in het gezin afleidt.
Contextuele theorie (Nagy):
Destructief recht = het recht dat een persoon ontwikkelt (voor zichzelf) om zich op een bepaalde manier te
gaan gedragen door wat hij / zij in het leven allemaal heeft meegemaakt.
Agressie-frustratietheorie:
Alle agressie komt steeds voort uit frustratie.
Nativisme:
Agressie = genetisch overdraagbare eigenschap.
De sociale leertheorie (Bandura):
Agressie = aangeleerd gedrag door observatie / imitatie (Bobo Doll Experiment).
Kinderen en jongeren die een stabiele – en niet door agressie beladen – achtergrond kennen, zullen hier
minder vatbaar voor zijn.
De sociale leertheorie (Patterson):
Wanneer ouders / opvoeders van bij het begin niet adequaat of consequent reageren op dwingend of
agressief gedrag, leert het kind op deze manier zijn doel te bereiken.
1
, Gouden vuistregel m.b.t. de percipiëring van agressie en leidraad voor discussie met anderen:
BEGRIP ≠ GOEDKEURING
Cliënt gedraagt zich agressief; niet is agressief.
Agressie steeds in interactie en context-gerelateerd zien.
Veranderingsgericht / Oplossingsgericht.
3.Soorten agressie en uitingsvormen.
Instrumentele agressie.
Doelgericht: agressief gedrag als hulpmiddel om iets te bereiken.
Weloverwogen.
Herkenbaar patroon: weloverwogen opbouw van bepaalde hoeveelheid agressie.
Vertrekt niet vanuit emotie, wel gericht op beïnvloeden van de emoties van anderen.
Dus, niet meteen zware agressie (eerst licht / passief).
Frustratie agressie.
Ontstaat vanuit emotie (angst, verdriet, kwaadheid …), onzekerheid en/of onmacht.
Niet de inhoud maar beleving van gebeurtenis zorgt voor grote emotionele belasting en frustratie.
Minder controle over eigen gedrag: onvoorspelbaarheid van uitbarsten van agressie (door een trigger).
Zelden persoonlijk bedoeld.
Complex praktijkverhaal:
We moeten als begeleider de beïnvloedende factoren van conflicten niet op het inhouds- maar op het
betrekkingsniveau zoeken.
Soorten agressie lopen door elkaar.
Verschillende oorzaken uit verschillende theoretische verklaringsmodellen zijn van toepassing.
Belang van doorlopende discussie, reflectie, intervisie, briefing, debriefing enz.
Agressie:
Heel vaal defensief gedrag vanuit onveiligheid, onzekerheid, angst, laag zelfbeeld …
Heel vaak reactie op onmacht (en dus frustratie).
Manier om relatie te testen: wanneer zal de begeleider afhaken en genoeg hebben van mij?
2
agressie.
1.Wat is agressie?
Definitie.
Agressie = iedere vorm van dreigend en/of destructief gedrag dat leidt tot schade (psychisch/fysisch/materieel) aan
de ander of zichzelf.
Geweld = opzettelijk en doelbewust aanwenden van agressief gedrag.
Agressie: een subjectief en normatief begrip.
Subjectief: gedrag dat voor de ene als agressief wordt ervaren, kan voor de andere nog wel door de beugel.
Normatief: wat agressief gedrag is, wordt aangegeven door een bepaalde ‘norm’. Dit is relatief en aangegeven door
context, tijdsgeest en cultuur.
2.Theoretische kaders en hun kijk op agressie.
Psychoanalyse:
Thanatos (doodsdrift): vanaf geboorte dragen we een zekere mate van destructie in ons.
Ego-analytici: agressie als mogelijk afweermechanisme van zwakke ik-kern, ontstaan vanuit onveilige
hechting.
Agressie = ‘acting-out’-gedrag vanuit overwerkte en/of zwaar beladen emotionele inhouden.
Systeemtheorie:
Agressie = symptoom van een disfunctie in het systeem.
IP = geïdentificeerde patiënt: de persoon die de problemen van het systeem draagt, en zo de aandacht van
de problemen in het gezin afleidt.
Contextuele theorie (Nagy):
Destructief recht = het recht dat een persoon ontwikkelt (voor zichzelf) om zich op een bepaalde manier te
gaan gedragen door wat hij / zij in het leven allemaal heeft meegemaakt.
Agressie-frustratietheorie:
Alle agressie komt steeds voort uit frustratie.
Nativisme:
Agressie = genetisch overdraagbare eigenschap.
De sociale leertheorie (Bandura):
Agressie = aangeleerd gedrag door observatie / imitatie (Bobo Doll Experiment).
Kinderen en jongeren die een stabiele – en niet door agressie beladen – achtergrond kennen, zullen hier
minder vatbaar voor zijn.
De sociale leertheorie (Patterson):
Wanneer ouders / opvoeders van bij het begin niet adequaat of consequent reageren op dwingend of
agressief gedrag, leert het kind op deze manier zijn doel te bereiken.
1
, Gouden vuistregel m.b.t. de percipiëring van agressie en leidraad voor discussie met anderen:
BEGRIP ≠ GOEDKEURING
Cliënt gedraagt zich agressief; niet is agressief.
Agressie steeds in interactie en context-gerelateerd zien.
Veranderingsgericht / Oplossingsgericht.
3.Soorten agressie en uitingsvormen.
Instrumentele agressie.
Doelgericht: agressief gedrag als hulpmiddel om iets te bereiken.
Weloverwogen.
Herkenbaar patroon: weloverwogen opbouw van bepaalde hoeveelheid agressie.
Vertrekt niet vanuit emotie, wel gericht op beïnvloeden van de emoties van anderen.
Dus, niet meteen zware agressie (eerst licht / passief).
Frustratie agressie.
Ontstaat vanuit emotie (angst, verdriet, kwaadheid …), onzekerheid en/of onmacht.
Niet de inhoud maar beleving van gebeurtenis zorgt voor grote emotionele belasting en frustratie.
Minder controle over eigen gedrag: onvoorspelbaarheid van uitbarsten van agressie (door een trigger).
Zelden persoonlijk bedoeld.
Complex praktijkverhaal:
We moeten als begeleider de beïnvloedende factoren van conflicten niet op het inhouds- maar op het
betrekkingsniveau zoeken.
Soorten agressie lopen door elkaar.
Verschillende oorzaken uit verschillende theoretische verklaringsmodellen zijn van toepassing.
Belang van doorlopende discussie, reflectie, intervisie, briefing, debriefing enz.
Agressie:
Heel vaal defensief gedrag vanuit onveiligheid, onzekerheid, angst, laag zelfbeeld …
Heel vaak reactie op onmacht (en dus frustratie).
Manier om relatie te testen: wanneer zal de begeleider afhaken en genoeg hebben van mij?
2