2.1
Een agrarische economie
Handel en steden verdwijnen
In de vroege middeleeuwen ontstond een vrijwel volledige agrarische samenleving. In de
Romeinse tijd was er nog een agrarisch-urbane samenleving. Toen leefden mensen ook
van handel en nijverheid en woonde een groot aantal van hen in de stad. De steden van het
oude West-Romeinse Rijk waren verdwenen of verschrompeld tot onbeduidende stadjes.
Deze verandering had verschillende oorzaken. Het begon met de val van het West-
Romeinse Rijk. Lokale edelen probeerden vervolgens macht naar zich toe te trekken en dat
leidde tot oorlogen en grote onveiligheid. Daardoor werd rijken lastig en kromp de handel,
die in de oudheid zo levendig was geweest, zowel binnen als buiten het rijk. Daardoor werd
veel minder geld gebruikt en ontstond ruilhandel. Doordat er nauwelijks nog stedelingen
waren die luxeproducten konden aanschaffen, liep de nijverheid terug en verdween
ambachtelijke kennis. Middeleeuwers moesten daardoor alles wat ze nodig hadden, zelf
maken. Ze voorzagen (vrijwel) in hun eigen behoeften. Deze zelfvoorziening is autarkie.
Leven op een domein
Omdat het onveilig was, zochten boeren veiligheid op een domein. Vaak was een domein
van een belangrijke militaire leider, maar kon ook toebehoren aan de koning of een
geestelijke. In de economie stond het domein zo centraal, dat het economische systeem uit
deze periode het domeinstelsel of hofstelsel wordt genoemd. Alle boeren waren afhankelijk
van de heerd, maar het verschilde hoe erg ze afhankelijk waren.
Er waren vrije boeren, zij beperkten hun eigen land en hadden vrije beschikken over hun
eigen persoon en goederen. Wel moesten zij in oorlogstijd hun heer volgen in de strijd. Voor
hun militaire uitrusting moesten ze zelf zorgen, dit was erg zwaar. Daarom kozen ze er soms
voor af te zijn van hun vrijheid en horige te worden.
Horigen hadden niet de zware militaire plichten en ze hadden eigen grond die ze bewerkten.
Maar ze mochten het domein niet verlaten om ergens anders te gaan wonen. Ook om te
trouwen hadden ze toestemming nodig. Bovendien moesten ze voor hem bepaalde diensten
verrichten.
De laatste groep bestond uit lijfeigenen. Dit waren mensen zonder bezit die als knechten
werkten en volledig in de macht waren van de heer.
Het bestuur wordt feodaal
Een agrarische economie
Handel en steden verdwijnen
In de vroege middeleeuwen ontstond een vrijwel volledige agrarische samenleving. In de
Romeinse tijd was er nog een agrarisch-urbane samenleving. Toen leefden mensen ook
van handel en nijverheid en woonde een groot aantal van hen in de stad. De steden van het
oude West-Romeinse Rijk waren verdwenen of verschrompeld tot onbeduidende stadjes.
Deze verandering had verschillende oorzaken. Het begon met de val van het West-
Romeinse Rijk. Lokale edelen probeerden vervolgens macht naar zich toe te trekken en dat
leidde tot oorlogen en grote onveiligheid. Daardoor werd rijken lastig en kromp de handel,
die in de oudheid zo levendig was geweest, zowel binnen als buiten het rijk. Daardoor werd
veel minder geld gebruikt en ontstond ruilhandel. Doordat er nauwelijks nog stedelingen
waren die luxeproducten konden aanschaffen, liep de nijverheid terug en verdween
ambachtelijke kennis. Middeleeuwers moesten daardoor alles wat ze nodig hadden, zelf
maken. Ze voorzagen (vrijwel) in hun eigen behoeften. Deze zelfvoorziening is autarkie.
Leven op een domein
Omdat het onveilig was, zochten boeren veiligheid op een domein. Vaak was een domein
van een belangrijke militaire leider, maar kon ook toebehoren aan de koning of een
geestelijke. In de economie stond het domein zo centraal, dat het economische systeem uit
deze periode het domeinstelsel of hofstelsel wordt genoemd. Alle boeren waren afhankelijk
van de heerd, maar het verschilde hoe erg ze afhankelijk waren.
Er waren vrije boeren, zij beperkten hun eigen land en hadden vrije beschikken over hun
eigen persoon en goederen. Wel moesten zij in oorlogstijd hun heer volgen in de strijd. Voor
hun militaire uitrusting moesten ze zelf zorgen, dit was erg zwaar. Daarom kozen ze er soms
voor af te zijn van hun vrijheid en horige te worden.
Horigen hadden niet de zware militaire plichten en ze hadden eigen grond die ze bewerkten.
Maar ze mochten het domein niet verlaten om ergens anders te gaan wonen. Ook om te
trouwen hadden ze toestemming nodig. Bovendien moesten ze voor hem bepaalde diensten
verrichten.
De laatste groep bestond uit lijfeigenen. Dit waren mensen zonder bezit die als knechten
werkten en volledig in de macht waren van de heer.
Het bestuur wordt feodaal