H11 t/m blz 368
Structuur van een plasmamembraan: dubbele laag lipide moleculen (lipide bilaag) van 5nm dik (50
atomen) waarin eiwitten zitten. Het membraan is flexibel zodat de cel kan groeien en bewegen
Receptoreiwitten ontvangen signalen van de omgeving
Transporteiwitten zorgen voor de import en export van kleine moleculen
Een lipide molecuul heeft een hydrofiele kop en een hydrofobe staart
De meest voorkomende lipide in celmembranen is fosfolipide: een lipide met een fosfaatgroep aan
de hydrofiele kop en 2 hydrofobe staarten
De meest voorkomende fosfolipide is fosfatidylcholine: hydrofiele kop, choline aan een fofaatgroep,
2 hydrofobe staarten (koolwaterstofketens) en een glycerolmolecuul die de kop aan de staarten
bindt
Elke staart is een vetzuur: een koolwaterstofketen met een –COOH groep
Amfipathische moleculen zijn moleculen met zowel hydrofiele als hydrofobe gedeelten
Hydrofiele moleculen kunnen elektrostatische bindingen of waterstofbruggen vormen met
watermoleculen
Fosfolipidemoleculen kunnen bewegen in een lipide bilaag
Flexie: fosfolipide buigt waterkoolstofketens
Rotatie: fosfolipide draait om zijn as
Laterale diffusie: fosfolipide wisselt van plek met buren in dezelfde laag
Flip-flop (zeldzaam): fosfolipide gaat van ene naar andere helft van de bilaag (zie scramblase)
De vloeibaarheid (‘fluidity’) van een lipide bilaag hangt af van:
Temperatuur hoe hoger de temperatuur, hoe flexibeler
Staarten
- positie hoe dichter op elkaar, hoe minder flexibel de bilaag
-lengte hoe korter de staart, hoe flexibeler de bilaag
-aantal dubbele bindingen verzadigd/onverzadigd vetzuur
Onverzadigde vetzuren hebben een knik in de keten waardoor de ketens minder dicht tegen
elkaar kunnen zitten, daarom zijn bilagen die onverzadigde koolwaterstofketens bevatten
flexibeler
Cholesterol hoe meer cholesterol in de bilaag, hoe stijver
Een fosfolipide bevat een verzadigde (alleen enkele bindingen) en een onverzadigde (ook dubbele
binding(en)) vetzuurstaart
De vloeibaarheid van een celmembraan is belangrijk voor
- diffusie van membraaneiwitten en vetten
- eerlijke verdeling van membraanmoleculen in dochtercellen
- fuseren van cellen onderling om moleculen uit te wisselen
Fosfolipiden worden gemaakt door enzymen die gebonden zijn aan het cytosolische oppervlak van
het ER. Vrije vetzuren worden als substraat gebruikt en de enzymen deponeren de gevormde
fosfolipiden in de cytosolische helft van de bilaag
Scramblases verwijderen random fosfolipiden van de ene helft van de bilaag en plaatsen ze in de
andere helft (flip-flop). Door dit ‘scrambling’ worden nieuwe fosfolipiden gelijk verdeeld over elke
monolaag van het ER membraan.
Een gedeelte van het nieuwe samengestelde membraan blijft in het ER, de rest wordt gebruikt om
andere compartimenten te voorzien van nieuw membraan
Structuur van een plasmamembraan: dubbele laag lipide moleculen (lipide bilaag) van 5nm dik (50
atomen) waarin eiwitten zitten. Het membraan is flexibel zodat de cel kan groeien en bewegen
Receptoreiwitten ontvangen signalen van de omgeving
Transporteiwitten zorgen voor de import en export van kleine moleculen
Een lipide molecuul heeft een hydrofiele kop en een hydrofobe staart
De meest voorkomende lipide in celmembranen is fosfolipide: een lipide met een fosfaatgroep aan
de hydrofiele kop en 2 hydrofobe staarten
De meest voorkomende fosfolipide is fosfatidylcholine: hydrofiele kop, choline aan een fofaatgroep,
2 hydrofobe staarten (koolwaterstofketens) en een glycerolmolecuul die de kop aan de staarten
bindt
Elke staart is een vetzuur: een koolwaterstofketen met een –COOH groep
Amfipathische moleculen zijn moleculen met zowel hydrofiele als hydrofobe gedeelten
Hydrofiele moleculen kunnen elektrostatische bindingen of waterstofbruggen vormen met
watermoleculen
Fosfolipidemoleculen kunnen bewegen in een lipide bilaag
Flexie: fosfolipide buigt waterkoolstofketens
Rotatie: fosfolipide draait om zijn as
Laterale diffusie: fosfolipide wisselt van plek met buren in dezelfde laag
Flip-flop (zeldzaam): fosfolipide gaat van ene naar andere helft van de bilaag (zie scramblase)
De vloeibaarheid (‘fluidity’) van een lipide bilaag hangt af van:
Temperatuur hoe hoger de temperatuur, hoe flexibeler
Staarten
- positie hoe dichter op elkaar, hoe minder flexibel de bilaag
-lengte hoe korter de staart, hoe flexibeler de bilaag
-aantal dubbele bindingen verzadigd/onverzadigd vetzuur
Onverzadigde vetzuren hebben een knik in de keten waardoor de ketens minder dicht tegen
elkaar kunnen zitten, daarom zijn bilagen die onverzadigde koolwaterstofketens bevatten
flexibeler
Cholesterol hoe meer cholesterol in de bilaag, hoe stijver
Een fosfolipide bevat een verzadigde (alleen enkele bindingen) en een onverzadigde (ook dubbele
binding(en)) vetzuurstaart
De vloeibaarheid van een celmembraan is belangrijk voor
- diffusie van membraaneiwitten en vetten
- eerlijke verdeling van membraanmoleculen in dochtercellen
- fuseren van cellen onderling om moleculen uit te wisselen
Fosfolipiden worden gemaakt door enzymen die gebonden zijn aan het cytosolische oppervlak van
het ER. Vrije vetzuren worden als substraat gebruikt en de enzymen deponeren de gevormde
fosfolipiden in de cytosolische helft van de bilaag
Scramblases verwijderen random fosfolipiden van de ene helft van de bilaag en plaatsen ze in de
andere helft (flip-flop). Door dit ‘scrambling’ worden nieuwe fosfolipiden gelijk verdeeld over elke
monolaag van het ER membraan.
Een gedeelte van het nieuwe samengestelde membraan blijft in het ER, de rest wordt gebruikt om
andere compartimenten te voorzien van nieuw membraan