Verstandelijke beperking
1- Verschijnselen
- Beperkingen in denken
- Moeite met sociale informatieverwerking
- Moeite met generaliseren
- Achterstand in taalbegrip
- Moeite met sociale relaties
- Beperkt ontwikkeld geweten
- Beperkte impulscontrole
- Laag zelfbeeld
Het sociale aanpassingsvermogen wordt bepaald door het niveau van sociaal-emotionele
ontwikkeling en van de praktische vaardigheden.
Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling geldt over het algemeen dat mensen met een
verstandelijke beperking dezelfde ontwikkeling doormaken als mensen met een hoger IQ,
maar dat deze ontwikkeling trager verloopt en eerder stagneert.
Dit betekent onder andere dat voor mensen met een lichte verstandelijke beperking relaties
heel belangrijk zijn en dat ze behoefte hebben aan duidelijke, vaste regels, maar
bijvoorbeeld ook dat sociale angst en faalangst veel voorkomen
2- Diagnose
In de DSM 5 bevatten de diagnostische criteria geen IQ-scores meer. Er is sprake van een
verstandelijke beperking als:
- Er deficiënties (tekort) zijn in de intellectuele functies zoals redeneren, problemen
oplossen en abstract denken, aangetoond met een gestandaardiseerde test.
- Er deficiënties zijn in het adaptieve functioneren die ertoe leiden dat betrokkenen niet
kan voldoen aan de ontwikkelings-en sociaal-culturele standaarden van persoonlijke
onafhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid.
- De deficiënties in de verstandelijke functies en het aanpassingsvermogen beginnen
gedurende de ontwikkelingsperiode.
Bij de classificatie verstandelijke beperking zijn er vier verschillende niveau’s: licht, matig,
ernstig en zeer ernstig. Ondanks dat het IQ in de DSM een veel minder prominente plaats
heeft gekregen is een intelligentietest wel noodzakelijk om de eventuele verstandelijke
beperking in kaart te brengen.
Beperkingen in drie domeinen volgens de DSM:
• Het conceptuele (onderwijs)domein het geheugen, taal, lezen, schrijven, rekenkundig
redeneren, het verwerven van praktische kennis, probleem oplossen en het beoordelen van
nieuwe situaties.
1- Verschijnselen
- Beperkingen in denken
- Moeite met sociale informatieverwerking
- Moeite met generaliseren
- Achterstand in taalbegrip
- Moeite met sociale relaties
- Beperkt ontwikkeld geweten
- Beperkte impulscontrole
- Laag zelfbeeld
Het sociale aanpassingsvermogen wordt bepaald door het niveau van sociaal-emotionele
ontwikkeling en van de praktische vaardigheden.
Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling geldt over het algemeen dat mensen met een
verstandelijke beperking dezelfde ontwikkeling doormaken als mensen met een hoger IQ,
maar dat deze ontwikkeling trager verloopt en eerder stagneert.
Dit betekent onder andere dat voor mensen met een lichte verstandelijke beperking relaties
heel belangrijk zijn en dat ze behoefte hebben aan duidelijke, vaste regels, maar
bijvoorbeeld ook dat sociale angst en faalangst veel voorkomen
2- Diagnose
In de DSM 5 bevatten de diagnostische criteria geen IQ-scores meer. Er is sprake van een
verstandelijke beperking als:
- Er deficiënties (tekort) zijn in de intellectuele functies zoals redeneren, problemen
oplossen en abstract denken, aangetoond met een gestandaardiseerde test.
- Er deficiënties zijn in het adaptieve functioneren die ertoe leiden dat betrokkenen niet
kan voldoen aan de ontwikkelings-en sociaal-culturele standaarden van persoonlijke
onafhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid.
- De deficiënties in de verstandelijke functies en het aanpassingsvermogen beginnen
gedurende de ontwikkelingsperiode.
Bij de classificatie verstandelijke beperking zijn er vier verschillende niveau’s: licht, matig,
ernstig en zeer ernstig. Ondanks dat het IQ in de DSM een veel minder prominente plaats
heeft gekregen is een intelligentietest wel noodzakelijk om de eventuele verstandelijke
beperking in kaart te brengen.
Beperkingen in drie domeinen volgens de DSM:
• Het conceptuele (onderwijs)domein het geheugen, taal, lezen, schrijven, rekenkundig
redeneren, het verwerven van praktische kennis, probleem oplossen en het beoordelen van
nieuwe situaties.