Leerjaar 1, Blok C (2020/2021)
HC1 Oogheelkunde Disfunctionerende oogleden
Anatomie:
Welke zijn belangrijk:
➢ Spier van Müller
➢ M. levator
➢ M. frontalis
➢ Tarsale plaat
➢ Meibom klieren
Ptosis:
➢ Aanpak
o Probeer het moment van ontstaan te achterhalen → congenitaal of verworven.
▪ Oude foto’s
▪ Navragen bij familieleden
➢ Anamnese
o Trauma aan ooglid of orbita?
o Speelt vermoeidheid een rol?
o Auto-immuunziektes?
➢ Pupilreacties
➢ Differentiaal diagnose
o Myogeen (van de spieren afkomstig)
▪ Zwakke m. levator
▪ Myasthenia gravis
o Neurogeen (van de zenuwen afkomstig)
▪ Horner syndroom
▪ N. III parese
▪ Marcus Gunn (jaw winking syndrome)
o Mechanisch (kunstmatig)
, ▪ Contactlenzen
o Aponeurose (witte vlies om een pees)
▪ Contactlenzen
▪ Leeftijd
o Trauma
o Pseudoptosis
Ooglidfunctie:
➢ Welke oogspieren beïnvloeden de ooglidpositie en ooglidfuncties?
o M. levator → primaire elevator
o M. tarsalis superior (Müller) → secundaire elevator
o M. frontalis → secundaire elevator
o M. orbicularis oculus → sluiten van oogleden
➢ Altijd de m. frontalis neutraliseren door met de vlakke hand stevig op het voorhoofd te
drukken.
➢ Vergelijk OD met OS.
Ooglidfuncties meten:
➢ Lid aperture = lidspleethoogte (LA)
o Laat de patiënt recht vooruit kijken.
o Meet de lidspleethoogte op het punt waar de opening het grootst is.
➢ Lidcrease = lidplooi (LC)
o Laat de patiënt naar beneden kijken.
o Meet de afstand van bovenste ooglidrand tot lidplooi.
➢ Levator function (LF)
o Laat de patiënt naar beneden kijken.
o Plaats het nulpunt van de meetlat ter hoogte van de rand van het bovenste
ooglid.
o Laat de patiënt naar boven kijken en lees de positie van de bovenste
ooglidrand af.
➢ Marginale reflex distantie (MRD)
o Laat de patiënt recht vooruit kijken (niet accommodatie punt).
o Meet de afstand tussen de bovenste ooglidrand en de licht-reflex op de
cornea.
HC1 Oogheelkunde Disfunctionerende oogleden
Anatomie:
Welke zijn belangrijk:
➢ Spier van Müller
➢ M. levator
➢ M. frontalis
➢ Tarsale plaat
➢ Meibom klieren
Ptosis:
➢ Aanpak
o Probeer het moment van ontstaan te achterhalen → congenitaal of verworven.
▪ Oude foto’s
▪ Navragen bij familieleden
➢ Anamnese
o Trauma aan ooglid of orbita?
o Speelt vermoeidheid een rol?
o Auto-immuunziektes?
➢ Pupilreacties
➢ Differentiaal diagnose
o Myogeen (van de spieren afkomstig)
▪ Zwakke m. levator
▪ Myasthenia gravis
o Neurogeen (van de zenuwen afkomstig)
▪ Horner syndroom
▪ N. III parese
▪ Marcus Gunn (jaw winking syndrome)
o Mechanisch (kunstmatig)
, ▪ Contactlenzen
o Aponeurose (witte vlies om een pees)
▪ Contactlenzen
▪ Leeftijd
o Trauma
o Pseudoptosis
Ooglidfunctie:
➢ Welke oogspieren beïnvloeden de ooglidpositie en ooglidfuncties?
o M. levator → primaire elevator
o M. tarsalis superior (Müller) → secundaire elevator
o M. frontalis → secundaire elevator
o M. orbicularis oculus → sluiten van oogleden
➢ Altijd de m. frontalis neutraliseren door met de vlakke hand stevig op het voorhoofd te
drukken.
➢ Vergelijk OD met OS.
Ooglidfuncties meten:
➢ Lid aperture = lidspleethoogte (LA)
o Laat de patiënt recht vooruit kijken.
o Meet de lidspleethoogte op het punt waar de opening het grootst is.
➢ Lidcrease = lidplooi (LC)
o Laat de patiënt naar beneden kijken.
o Meet de afstand van bovenste ooglidrand tot lidplooi.
➢ Levator function (LF)
o Laat de patiënt naar beneden kijken.
o Plaats het nulpunt van de meetlat ter hoogte van de rand van het bovenste
ooglid.
o Laat de patiënt naar boven kijken en lees de positie van de bovenste
ooglidrand af.
➢ Marginale reflex distantie (MRD)
o Laat de patiënt recht vooruit kijken (niet accommodatie punt).
o Meet de afstand tussen de bovenste ooglidrand en de licht-reflex op de
cornea.