1. Bij een “perfectly balanced inflation” (alle prijzen en inkomens nemen met eenzelfde percentage
toe) zal de budgetrechte:
a. Parallel naar binnen verschuiven
b. Parallel naar buiten verschuiven
c. Blijven waar ze is.
d. Parallel naar buiten verschuiven indien de voorkeuren onveranderd blijven.
2. De hypothese van “monotoniciteit van de voorkeuren” houdt in dat:
a. We veronderstellen dat er verzadiging optreedt.
b. We te maken hebben met “bads” in plaats van “goods”.
c. De indifferentiecurven negatief geheld zijn.
d. Geen van vorige zaken.
3. Beschouw een twee-goederen wereld. Stel dat goed 1 een “good” is en goed 2 een “bad”. In een
grafische voorstelling waarbij goed 1 op de verticale as staat en goed 2 op de horizontale as
a. zijn indifferentiecurven convex naar de oorsprong.
b. hebben indifferentiecurve een positieve helling.
c. hebben indifferentiecurve een negatieve helling.
d. Kunnen indifferentiecurven ellipsvormig zijn.
toe) zal de budgetrechte:
a. Parallel naar binnen verschuiven
b. Parallel naar buiten verschuiven
c. Blijven waar ze is.
d. Parallel naar buiten verschuiven indien de voorkeuren onveranderd blijven.
2. De hypothese van “monotoniciteit van de voorkeuren” houdt in dat:
a. We veronderstellen dat er verzadiging optreedt.
b. We te maken hebben met “bads” in plaats van “goods”.
c. De indifferentiecurven negatief geheld zijn.
d. Geen van vorige zaken.
3. Beschouw een twee-goederen wereld. Stel dat goed 1 een “good” is en goed 2 een “bad”. In een
grafische voorstelling waarbij goed 1 op de verticale as staat en goed 2 op de horizontale as
a. zijn indifferentiecurven convex naar de oorsprong.
b. hebben indifferentiecurve een positieve helling.
c. hebben indifferentiecurve een negatieve helling.
d. Kunnen indifferentiecurven ellipsvormig zijn.