-Kennislijn individu
3 basisbegrippen van watzlawick
1. Men kan niet niet communiceren
2. Communicatie vindt plaats op verschillende niveaus
- Inhoud (digitaal)
- Betrekking (analoog) – de manier hoe het wordt gezegd
- Meta-communicatie – praten over situatie zelf
3. Interpunctieproblematiek: er is een verschil tussen de gezonden en de ontvangen
boodschap.
Problemen in de communicatie
1. Incongruentie: iets anders menen dat wat je zegt
2. Paradoxale opdrachten: tegenstrijdige eisen stellen.
Spiegelen
Het overnemen van een lichaamshouding, door spiegelneuronen.
Niet spiegelen
Het niet overnemen van een lichaamshouding, door een verschil bijvoorbeeld.
4 lagen/manieren van communicatie
1. Zakelijk / inhoudelijk : de pure inhoud, aan hand van argumenten
2. Appelerend : invloed die de zender wil uitoefenen.
3. Expressief : geeft informatie over de zender, de wijze waarop de zender
communiceert.
4. Relationeel : zender zegt hoe hij tegenover de ontvanger staat, metaniveau van
communicatie.
4 manieren hoe het oor luistert
1. De inhoud van het bericht
2. Betrekking (relatie)
3. Zelfopenbaring van de zender ( wat zegt de boodschap nou over de ander)
4. naar de app’el dat de zender doet ( dus echt goed luisteren naar de ander)
interpersoonlijke ruimtes
1. persoonlijke ruimte
2. sociale ruimte
3. publieke ruimte
4. intieme ruimte
3 basisbegrippen van watzlawick
1. Men kan niet niet communiceren
2. Communicatie vindt plaats op verschillende niveaus
- Inhoud (digitaal)
- Betrekking (analoog) – de manier hoe het wordt gezegd
- Meta-communicatie – praten over situatie zelf
3. Interpunctieproblematiek: er is een verschil tussen de gezonden en de ontvangen
boodschap.
Problemen in de communicatie
1. Incongruentie: iets anders menen dat wat je zegt
2. Paradoxale opdrachten: tegenstrijdige eisen stellen.
Spiegelen
Het overnemen van een lichaamshouding, door spiegelneuronen.
Niet spiegelen
Het niet overnemen van een lichaamshouding, door een verschil bijvoorbeeld.
4 lagen/manieren van communicatie
1. Zakelijk / inhoudelijk : de pure inhoud, aan hand van argumenten
2. Appelerend : invloed die de zender wil uitoefenen.
3. Expressief : geeft informatie over de zender, de wijze waarop de zender
communiceert.
4. Relationeel : zender zegt hoe hij tegenover de ontvanger staat, metaniveau van
communicatie.
4 manieren hoe het oor luistert
1. De inhoud van het bericht
2. Betrekking (relatie)
3. Zelfopenbaring van de zender ( wat zegt de boodschap nou over de ander)
4. naar de app’el dat de zender doet ( dus echt goed luisteren naar de ander)
interpersoonlijke ruimtes
1. persoonlijke ruimte
2. sociale ruimte
3. publieke ruimte
4. intieme ruimte