Green sentences
Nederlands
Ik stuurde hem een e-mail
Gisteren stuurde ik hem een sms
Tijdens een recessie zakken de aandelen
we hebben het contract gisteren ondertekend
Gisteren hebben we het contract ondertekend
we krijgen zelden klachten
ik zou dit nooit gedaan hebben
hij is vaak in het buitenland
ga je vaak uit?
Ik zie je op de luchthaven.
Ik zie je morgen op het vliegveld.
realiseren
organiseren
moderniseren
herkennen
zich verontschuldigen
bezuinigen
subsidiëren
standaardiseren
machtigen
synchroniseren
specialiseren
adverteren
adviseren
improviseren
groter dan
toen vertrok hij
honderd euro
duizend mensen
tweehonderd vijftig
tweeduizend tien
10 000 banen
3,5 procent
tientallen keren
een keer/twee keer
drie keer, vier keer
een derde
twee derde
drie vierde
ik ben
wij zijn
jullie zijn
zij zijn
ik was
,wij waren
jullie waren
zij waren
ik zal zijn
wij zullen zijn
ik zou zijn
wij zouden zijn
ik ben geweest
wij zijn geweest
ik was geweest
wij waren geweest
het zou beter geweest zijn
er zouden minder klachten geweest zijn
waar liggen de enveloppen?
waar staat het kopieerapparaat?
er zat een flinke deuk in mijn auto.
ontstaan
zijn
dragen (kosten/pijn)
slaan/verslaan
worden
beginnen
wedden
bieden (van geld)
binden
bijten
bloeden
blazen/zwaaien
breken
brengen
uitzenden (tv/radio)
bouwen
branden
barsten
kopen
vangen
kiezen
komen
kosten
snijden/knippen
handelen
behandelen
doen
trekken/(geld) opnemen
drinken
rijden
eten
,vallen
voeden
voelen
vechten
vinden
vluchten
vliegen
vergeten
vergeven
(be)vriezen
krijgen
geven
gaan
groeien
hangen
hebben
horen
verbergen
raken/treffen
houden
bezeren/pijn doen
houden
kennen/weten
leggen
leiden
leren
verlaten/vertrekken
lenen (aan)
laten/verhuren
liggen
aansteken
verliezen
maken
betekenen/bedoelen
ontmoeten
betalen
leggen/zetten
lezen
rijden
bellen
stijgen
rennen
zeggen
zien
verkopen
zenden
opzetten (zaak)
, schudden
schijnen (zon)
schieten
laten zien
sluiten
zingen
zinken
slapen
spreken
uitgeven/doorbrengen
spreiden
staan
stelen
steken/plakken
steken (wesp)
slaan/staken
zweren/vloeken
zwemmen
nemen
onderwijzen
scheuren
vertellen
denken
gooien
begrijpen/verstaan
wekken/wakker worden
dragen (kleding/bril)
winnen
terugtrekken, (geld) opnemen
schrijven
Wat doe je? Wat ben je aan het doen?
ik controleer de lading/ik ben de lading aan het controleren
ze zit altijd te klagen
ze maakten veel winst
ze hebben vorig jaar veel winst gemaakt
ze hebben veel winst gemaakt
ik bel je morgen/ik zal je morgen bellen
zal ik je een sms sturen?
wanneer zullen we vertrekken?
ik dacht dat hij zou bellen
ze zeiden dat ze zouden helpen
als ik geld genoeg had, kocht ik een motor/zou ik een motor kopen
als ik jou was, had ik geweigerd/zou ik geweigerd hebben
ik ga morgen uit
de train vertrekt om drie uur
de uitverkoop begint 7 januari
Morgen om deze tijd ben ik aan het tenissen
Nederlands
Ik stuurde hem een e-mail
Gisteren stuurde ik hem een sms
Tijdens een recessie zakken de aandelen
we hebben het contract gisteren ondertekend
Gisteren hebben we het contract ondertekend
we krijgen zelden klachten
ik zou dit nooit gedaan hebben
hij is vaak in het buitenland
ga je vaak uit?
Ik zie je op de luchthaven.
Ik zie je morgen op het vliegveld.
realiseren
organiseren
moderniseren
herkennen
zich verontschuldigen
bezuinigen
subsidiëren
standaardiseren
machtigen
synchroniseren
specialiseren
adverteren
adviseren
improviseren
groter dan
toen vertrok hij
honderd euro
duizend mensen
tweehonderd vijftig
tweeduizend tien
10 000 banen
3,5 procent
tientallen keren
een keer/twee keer
drie keer, vier keer
een derde
twee derde
drie vierde
ik ben
wij zijn
jullie zijn
zij zijn
ik was
,wij waren
jullie waren
zij waren
ik zal zijn
wij zullen zijn
ik zou zijn
wij zouden zijn
ik ben geweest
wij zijn geweest
ik was geweest
wij waren geweest
het zou beter geweest zijn
er zouden minder klachten geweest zijn
waar liggen de enveloppen?
waar staat het kopieerapparaat?
er zat een flinke deuk in mijn auto.
ontstaan
zijn
dragen (kosten/pijn)
slaan/verslaan
worden
beginnen
wedden
bieden (van geld)
binden
bijten
bloeden
blazen/zwaaien
breken
brengen
uitzenden (tv/radio)
bouwen
branden
barsten
kopen
vangen
kiezen
komen
kosten
snijden/knippen
handelen
behandelen
doen
trekken/(geld) opnemen
drinken
rijden
eten
,vallen
voeden
voelen
vechten
vinden
vluchten
vliegen
vergeten
vergeven
(be)vriezen
krijgen
geven
gaan
groeien
hangen
hebben
horen
verbergen
raken/treffen
houden
bezeren/pijn doen
houden
kennen/weten
leggen
leiden
leren
verlaten/vertrekken
lenen (aan)
laten/verhuren
liggen
aansteken
verliezen
maken
betekenen/bedoelen
ontmoeten
betalen
leggen/zetten
lezen
rijden
bellen
stijgen
rennen
zeggen
zien
verkopen
zenden
opzetten (zaak)
, schudden
schijnen (zon)
schieten
laten zien
sluiten
zingen
zinken
slapen
spreken
uitgeven/doorbrengen
spreiden
staan
stelen
steken/plakken
steken (wesp)
slaan/staken
zweren/vloeken
zwemmen
nemen
onderwijzen
scheuren
vertellen
denken
gooien
begrijpen/verstaan
wekken/wakker worden
dragen (kleding/bril)
winnen
terugtrekken, (geld) opnemen
schrijven
Wat doe je? Wat ben je aan het doen?
ik controleer de lading/ik ben de lading aan het controleren
ze zit altijd te klagen
ze maakten veel winst
ze hebben vorig jaar veel winst gemaakt
ze hebben veel winst gemaakt
ik bel je morgen/ik zal je morgen bellen
zal ik je een sms sturen?
wanneer zullen we vertrekken?
ik dacht dat hij zou bellen
ze zeiden dat ze zouden helpen
als ik geld genoeg had, kocht ik een motor/zou ik een motor kopen
als ik jou was, had ik geweigerd/zou ik geweigerd hebben
ik ga morgen uit
de train vertrekt om drie uur
de uitverkoop begint 7 januari
Morgen om deze tijd ben ik aan het tenissen