INTERNATIONALE DRUGSHANDEL
Liza Bruinsma, Tiffany van Hal, Lotte Spierenburg & Nick Weerdenburg
- V4B -
1
, Inhoud
Algemene analysevragen .......................................................................... 3
Wie vinden het een probleem en waarom? ................................................ 3
Welke groepen zijn bij het probleem betrokken? ........................................ 3
Welke waarden spelen hierbij een rol? ...................................................... 3
Hoe is het probleem ontstaan? ................................................................ 4
Wat is de omvang van het probleem? ....................................................... 4
Politiek-juridische invalhoek ...................................................................... 4
Welk beleid voert de overheid in deze kwestie? .......................................... 4
Welke middelen gebruikt de overheid om het beleid uit te voeren? ............... 5
Welke visie en standpunten herken in je in het beleid van de overheid? ......... 5
Wat vinden de politieke partijen van deze kwestie? .................................... 6
Welke mogelijkheden hebben betrokken groepen om het overheidsbeleid te
beïnvloeden en zijn deze middelen in strijd met de wet? ............................. 6
Sociaaleconomische invalshoek .................................................................. 6
Welke belangen hebben de verschillende groepen? ..................................... 6
Welke belangen vallen samen en welke zijn tegenstrijdig aan elkaar? ............ 7
Wat is het verband tussen de belangen en de sociaaleconomische positie van
verschillende groepen? .......................................................................... 7
Sociaal-culturele invalshoek ...................................................................... 7
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over de aard van het
probleem? ........................................................................................... 7
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over de oorzaak van het
probleem? ........................................................................................... 8
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over het beleid van de
overheid over dit probleem? ................................................................... 8
Welke oplossingen hebben de betrokken groepen voor dit probleem? ............ 8
Welke waarden en normen liggen ten grondslag aan deze opvattingen? ......... 9
Welke rol spelen geloof, levensovertuiging en traditie bij deze waarden en
normen?.............................................................................................. 9
Is er een verband tussen geloof en levensovertuiging aan de ene kant en
maatschappelijke positie aan de andere kant? ........................................... 9
Vergelijkende invalshoek ........................................................................ 10
Wat is de omvang van het probleem? ..................................................... 10
Hoe is het ontstaan?............................................................................ 10
Bestond dit probleem vroeger ook al? .................................................... 10
Komt het vraagstuk ook in andere landen voor?....................................... 10
Bronnenlijst .......................................................................................... 12
2
Liza Bruinsma, Tiffany van Hal, Lotte Spierenburg & Nick Weerdenburg
- V4B -
1
, Inhoud
Algemene analysevragen .......................................................................... 3
Wie vinden het een probleem en waarom? ................................................ 3
Welke groepen zijn bij het probleem betrokken? ........................................ 3
Welke waarden spelen hierbij een rol? ...................................................... 3
Hoe is het probleem ontstaan? ................................................................ 4
Wat is de omvang van het probleem? ....................................................... 4
Politiek-juridische invalhoek ...................................................................... 4
Welk beleid voert de overheid in deze kwestie? .......................................... 4
Welke middelen gebruikt de overheid om het beleid uit te voeren? ............... 5
Welke visie en standpunten herken in je in het beleid van de overheid? ......... 5
Wat vinden de politieke partijen van deze kwestie? .................................... 6
Welke mogelijkheden hebben betrokken groepen om het overheidsbeleid te
beïnvloeden en zijn deze middelen in strijd met de wet? ............................. 6
Sociaaleconomische invalshoek .................................................................. 6
Welke belangen hebben de verschillende groepen? ..................................... 6
Welke belangen vallen samen en welke zijn tegenstrijdig aan elkaar? ............ 7
Wat is het verband tussen de belangen en de sociaaleconomische positie van
verschillende groepen? .......................................................................... 7
Sociaal-culturele invalshoek ...................................................................... 7
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over de aard van het
probleem? ........................................................................................... 7
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over de oorzaak van het
probleem? ........................................................................................... 8
Welke opvattingen hebben de betrokken groepen over het beleid van de
overheid over dit probleem? ................................................................... 8
Welke oplossingen hebben de betrokken groepen voor dit probleem? ............ 8
Welke waarden en normen liggen ten grondslag aan deze opvattingen? ......... 9
Welke rol spelen geloof, levensovertuiging en traditie bij deze waarden en
normen?.............................................................................................. 9
Is er een verband tussen geloof en levensovertuiging aan de ene kant en
maatschappelijke positie aan de andere kant? ........................................... 9
Vergelijkende invalshoek ........................................................................ 10
Wat is de omvang van het probleem? ..................................................... 10
Hoe is het ontstaan?............................................................................ 10
Bestond dit probleem vroeger ook al? .................................................... 10
Komt het vraagstuk ook in andere landen voor?....................................... 10
Bronnenlijst .......................................................................................... 12
2