Kredietcrisis
De kredietcrisis begon in de Verenigde Staten. Banken namen grote risico’s bij het
verstrekken van hypotheken.
De FED (centrale bank van de VS) had de rente verlaagd, waardoor veel mensen zomaar
een hypotheek konden afsluiten, waarvan de waarde hoger kon zijn dan die van het
onroerend goed.
Veel leningen hadden ook een variabele rente. Deze subprime-hypotheken waren erg
risicovol. Ze werden verstrekt aan mensen waarbij het erg risicovol was.
Door stijgende rente konden huiseigenaren hun huis niet meer aflossen en moesten het huis
doorverkopen. Dit leverde veel minder op dan ze ervoor betaald hadden. Banken kregen
grote problemen, doordat hypotheken niet afgelost konden worden.
Veel subprime-hypotheken waren doorverkocht aan Amerikaanse zakenbanken. Zij kwamen
in de problemen, omdat ze slechte hypotheken hadden gekocht. Pakketten werden vak
doorverkocht en als onderpand gebruikt. De Amerikaanse overheid moest zelfs banken
nationaliseren.
Bij een zeepbeleconomie staan huizenprijzen niet in verhouding tot de werkelijke waarde,
bijvoorbeeld door renteverlaging. Als de prijzen te hoog worden, stort de economie in.
Oorzaken hiervoor:
- De FED ging uit van een ingebouwd veiligheidsmechanisme. Ze dachten dat banken
geen onverantwoorde risico’s zouden nemen om het vertrouwen van de inwoners niet
de schaden. Dit bleek onvoldoende.
- Er werden extra leningen verstrekt aan mensen met schulden. Hierdoor werden de
schulden nog hoger.
- De Amerikaanse autoriteiten hadden moeite om de ernst in te schatten.
Toen er in Nederland problemen kwamen door de kredietcrisis greep de Nederlandse
overheid in. Ze kochten twee banken op en nationaliseerden ze. Ook werd er geld
vrijgemaakt om banken te helpen. Dit noemen we kapitaalinjecties.
Banken waren het vertrouwen in elkaar kwijt. Ook waren ze bang om failliet te gaan. Toen
konden ze goedkoop geld van de ECB (Europese centrale bank) lenen. Hierdoor verbeterde
hun liquiditeitspositie. Dit is de hoeveelheid geld die ze in de kas/op de bankrekening
hebben. De DNB (Nederlandse bank) verhoogde de bedragen die werden gegarandeerd
door het depositogarantiestelsel. Als een bank failliet gaat, krijgen rekeninghouders door
het depositogarantiestelsel geld.
Banken waren bang om kredieten te verstrekken en het vertrouwen in de banken lag laag.
De consumpties en investeringen liepen terug. Er kwam een recessie. Daarom kwam er een
renteverlaging.
Door de recessie steeg de staatsschuld. Vooral Griekenland kreeg grote problemen. Het
land bevond zich in een dept-trap. Ze moest hoge rente betalen als ze geld wilde lenen,
maar hierdoor steeg de staatsschuld alleen maar meer. Daarom moest ze flink bezuinigen.
Ze kreeg hulp van de EU, maar moest wel de uitgaven anders organiseren.
De kredietcrisis begon in de Verenigde Staten. Banken namen grote risico’s bij het
verstrekken van hypotheken.
De FED (centrale bank van de VS) had de rente verlaagd, waardoor veel mensen zomaar
een hypotheek konden afsluiten, waarvan de waarde hoger kon zijn dan die van het
onroerend goed.
Veel leningen hadden ook een variabele rente. Deze subprime-hypotheken waren erg
risicovol. Ze werden verstrekt aan mensen waarbij het erg risicovol was.
Door stijgende rente konden huiseigenaren hun huis niet meer aflossen en moesten het huis
doorverkopen. Dit leverde veel minder op dan ze ervoor betaald hadden. Banken kregen
grote problemen, doordat hypotheken niet afgelost konden worden.
Veel subprime-hypotheken waren doorverkocht aan Amerikaanse zakenbanken. Zij kwamen
in de problemen, omdat ze slechte hypotheken hadden gekocht. Pakketten werden vak
doorverkocht en als onderpand gebruikt. De Amerikaanse overheid moest zelfs banken
nationaliseren.
Bij een zeepbeleconomie staan huizenprijzen niet in verhouding tot de werkelijke waarde,
bijvoorbeeld door renteverlaging. Als de prijzen te hoog worden, stort de economie in.
Oorzaken hiervoor:
- De FED ging uit van een ingebouwd veiligheidsmechanisme. Ze dachten dat banken
geen onverantwoorde risico’s zouden nemen om het vertrouwen van de inwoners niet
de schaden. Dit bleek onvoldoende.
- Er werden extra leningen verstrekt aan mensen met schulden. Hierdoor werden de
schulden nog hoger.
- De Amerikaanse autoriteiten hadden moeite om de ernst in te schatten.
Toen er in Nederland problemen kwamen door de kredietcrisis greep de Nederlandse
overheid in. Ze kochten twee banken op en nationaliseerden ze. Ook werd er geld
vrijgemaakt om banken te helpen. Dit noemen we kapitaalinjecties.
Banken waren het vertrouwen in elkaar kwijt. Ook waren ze bang om failliet te gaan. Toen
konden ze goedkoop geld van de ECB (Europese centrale bank) lenen. Hierdoor verbeterde
hun liquiditeitspositie. Dit is de hoeveelheid geld die ze in de kas/op de bankrekening
hebben. De DNB (Nederlandse bank) verhoogde de bedragen die werden gegarandeerd
door het depositogarantiestelsel. Als een bank failliet gaat, krijgen rekeninghouders door
het depositogarantiestelsel geld.
Banken waren bang om kredieten te verstrekken en het vertrouwen in de banken lag laag.
De consumpties en investeringen liepen terug. Er kwam een recessie. Daarom kwam er een
renteverlaging.
Door de recessie steeg de staatsschuld. Vooral Griekenland kreeg grote problemen. Het
land bevond zich in een dept-trap. Ze moest hoge rente betalen als ze geld wilde lenen,
maar hierdoor steeg de staatsschuld alleen maar meer. Daarom moest ze flink bezuinigen.
Ze kreeg hulp van de EU, maar moest wel de uitgaven anders organiseren.