Studietaak 1.1 - Perspectief
Tinbergen
Nikolaas Tinbergen stelde dat je diergedrag pas echt begrijpt als je het vanuit vier
perspectieven bekijkt:
1. Mechanisme (causatie) = Gaat over de directe oorzaken van gedrag: wat triggert
het gedrag op dat moment en hoe werkt het proces in het hier-en-nu? Welke
onderdelen en systemen zijn erbij betrokken?
2. Ontwikkeling (ontogenese) = richt zich op hoe het gedrag zich ontwikkelt
gedurende het leven van het individu, bijvoorbeeld onder invloed van aanleg en
omgeving.
3. Functie (adaptatie) = hier kijk je naar het nut van gedrag: welk adaptief voordeel
levert het op voor overleving en voortplanting? Dit perspectief gaat over de
evolutionaire functie.
4. Evolutie (fylogenese) = dit perspectief onderzoekt hoe het gedrag is ontstaan en
hoe het zich door de evolutie heen heeft ontwikkeld. Het gaat om de evolutionaire
geschiedenis, niet om het huidige nut.
Samen geven deze 4 vragen een volledig beeld van gedrag: van directe oorzaak tot
evolutionaire oorsprong.
,Studietaak 1.2
Hoofdstuk 1 - inleiding in de evolutionaire psychologie
De oorsprong van de evolutionaire psychologie
Ultieme en proximate vragen:
1. Ultieme vraag: waarom bestaat bepaald gedrag?
→ Ze richten zich op de evolutionaire functie van gedrag: welke invloed heeft
evolutie gehad en hoe heeft dit gedrag bijgedragen aan overleving en
voortplanting?
2. Proximate vragen: hoe ontstaat en ontwikkelt gedrag zich?
→ Deze vragen gaan over de ontwikkeling en directe oorzaken van gedrag.
Een geschiedenis van evolutionair denken
Evolutie voor Darwin:
Lange tijd werd gedacht dat de natuur in 1 keer was geschapen en onveranderlijk was.
● Thales: stelde dat alles voortkomt uit het element water.
● Empedocles: dacht dat losse organen samenkwamen door ‘liefde’: sommige
combinaties overleefden en maakten kopieën van zichzelf → vroege
overeenkomst met natuurlijke selectie.
● Aristoteles: introduceerde de Scala Naturae (The Great Chain of Being), waarin
soorten een vaste hiërarchische plaats hadden. Dit werd overgenomen door de
kerk en maakte een einde aan het debat over evolutionaire verandering.
● Erasmus Darwin: stelde het idee van een levend filament, een
gemeenschappelijke voorouder van alle levende wezens
Jean-Baptiste Lamarck:
● Eerste wet: veranderingen in de omgeving leiden tot veranderingen in gedrag, wat
resulteert in meer of minder gebruik van organen.
● Tweede wet: deze verworven veranderingen worden overgeërfd (overerving van
verworven kenmerken)
→ Dit wordt tegenwoordig grotendeels als onjuist gezien, met als uitzondering van
epigentica
Darwin en natuurlijke selectie (1858)
Charles Darwin introduceerde natuurlijke selectie, bestaande uit twee kerncomponenten:
1. Erfelijke variatie: individuen binnen een populatie verschillen van elkaar, en deze
verschillen kunnen worden doorgegeven aan nakomelingen.
2. Differentieel reproductief succes: door deze verschillen krijgen sommige
individuen meer overlevende nakomelingen dan anderen
Verschil in voortplanting:
● Eencellig maken exacte kopieën van zichzelf
, ● Seksuele voortplanting zorgt voor nakomelingen die verschillen van hun ouders,
wat variatie vergroot.
Mendel en de geboorte van genetica (1858-1875)
Gregor Mendel deed verdeling experimenten met hybride erwtenplanten:
● Eigenschappen kwamen altijd volledig tot uiting (bijv. wit of rood), nooit gemengd
(geen roze).
● Toonde het deeltjesvormige karakter van erfelijkheid aan.
● Zijn werk werd pas in de twintigste eeuw breed erkend en vormde een basis voor
de moderne synthese (combinatie van evolutietheorie en genetica)
Van evolutie naar evolutionaire psychologie
Materialisme
= de benadering binnen de moderne cognitieve psychologie die stelt dat de geest volledig
herleidbaar is tot hersenactiviteit
→ De geest = activiteit van de hersenen → en is dus een product van evolutie door
natuurlijke selectie, in lijn met Charles Darwin
Vroege pogingen tot een evolutionaire psychologie
Francis Galton (1822-1911)
● Sterk beïnvloed door Darwin's theorie van natuurlijke selectie.
● Stelde dat karakter en intelligentie erfelijke eigenschappen zijn.
● Ontwikkelde enkele van de eerste intelligentietests → voorloper van de
psychometrie
● Argument dat nog steeds voorkomt in de moderne evolutionaire psychologie:
eigenschappen die adaptief waarin in het jager-verzamelaar tijdperk zijn niet
altijd optimaal in de huidige samenleving.
● Pleitte voor selectief fokken om de samenleving te verbeteren → eugenetica (zeer
controversieel).
● Begin 20e eeuw leidde dit tot onvrijwillige sterilisaties, later ook in Nazi-Duitsland.
Sigmund Freud (1914)
● Benadrukte cultureel relativisme: grote rol voor ouders en gezin in
persoonlijkheidsontwikkeling
● Was sterk geïnteresseerd in ultieme vragen: waarom gedragen mensen zich
zoals ze doen?
● Ging uit van aangeboren verlangens en een seksueel imperatief, wat
parallellen vertoont met de evolutietheorie.
● Idee dat het bewuste zelf geen inzicht heeft in de echte motieven komt overeen
met de theorie van zelfbedrog van Robert Trivers.
, William James (1842-1910) en instinct
● Maakte onderscheid tussen kortetermijn- en langetermijngeheugen.
● Bestudeerde aandacht en perceptie
● Werd sterk geïnspireerd door Darwin.
● Zag instincten (zoals angst, liefde en nieuwsgierigheid) als drijvende krachten als
menselijk gedrag.
● Later raakte het instinct begrip uit de gratie en werd cultuur gezien als de
belangrijkste verklarende factor.
● James stelde dat menselijk gedrag door meer instincten wordt gestuurd dan dat
van andere dieren.
Box 1.1 - Eugenetica
Eugenetica komt van het Griekse eugenes, wat ‘goed geboren’ betekent. Het is het idee
dat de overheid de voortplanting moet regelen om zo een betere samenleving te creëren,
een gedachte die al terug te vinden is bij Plato.
Vormen van eugenetica:
1. Positieve eugenetica: het aanmoedigen van voortplanting tussen mensen die als
‘geschikt’ of in goede conditie worden gezien.
2. Negatieve eugenetica: het beperken of verbieden van voortplanting van mensen
die als ‘ongeschikt; worden beschouwd.
Historische ontwikkeling:
● Francis Galton richtte in 1907 de Eugenics Education Society op, aanvankelijk
gericht op positieve eugenetica.
● Later nam Leonard Darwin het leiderschap over en verschoof de focus van
positieve naar negatieve eugenetica.
● Begin 20ste eeuw werden wereldwijd honderdduizend mensen gesteriliseerd
wegens vermeende psychologische ongeschiktheid.
● Nazi-Duitsland geldt als het meest exterme voorbeeld van negatieve eugenetica.
Moderne context:
Ook vandaag blijft eugenetica controversieel, mede door moderne technieken zoals:
● Gentherapie
● Genetische manipulatie
● Genetische screening op afwijkingen
De opkomst van cultuur als causale kracht in menselijk gedrag
John Tooby & Leda Cosmides
Zij beschreven en bekritiseren het Standard Social Sciences Model (SSSM), dat sterk
geworteld is in cultureel relativisme binnen de sociale wetenschappen.
Kernideeën van het SSSM:
● Mensen worden geboren met een schone lei (tabula rasa).
● Menselijk gedrag is oneindig kneedbaar.
● Cultuur is autonoom en bestaat onafhankelijk van individuen.
● Gedrag wordt bepaald door leren, socialisatie en indoctrinatie.
● Leerprocessen zijn algemeen en toepasbaar op allerlei gedragingen en domeinen.