Kunst algemeen centraal examenstof
Hofcultuur in de 16e en 17e eeuw
Cultuur van romantiek en realisme in de 19e eeuw
Cultuur van het moderne in de 1e helft van de 20ste eeuw
Massacultuur vanaf 1950
Hofcultuur in de 16e en 17e eeuw
Inleiding
Tegen het eind van de Middeleeuwen komt er verandering in hoe men de kerk en God ziet.
Dit kwam door vier verschillende dingen;
Er was veel corruptie binnen de kerk. Dit is natuurlijk slecht voor het aanzien en de invloed
van de kerk. Ook werd men zelfbewuster, door rijkdom en macht, wat veroorzaakt werd
door een bloeiende handel, kon de mens met behulp van geld onafhankelijker zijn. Hij begint
zelf uit te maken wat mag en wat niet mag. De reformatie is daar een gevolg van.
De wetenschap komt ook tot bloei. Wanneer de steden meer invloed krijgen worden daar
universiteiten gesticht. Men houdt zich daar bezig met natuurkunde, wiskunde en filosofie.
De beoefenaars van de wetenschap krijgen speciale belangstelling voor alles wat zich in de
natuur voordoet en gaan dat onderzoeken.
De belangrijkste staten in Europa zoeken naar nieuwe producten om daar mee handel te
drijven. Zo ontstaan de eerste ontdekkingsreizen. Door deze reizen ontstond er veel
overzeese handel, bepaalde landen profiteerden enorm van deze handel.
Ook ontstond het humanisme, dit is een meer op de mens gericht levensbeschouwing. Dit
betekent niet dat men God aan de kant zet. Men gaat de mens nu meer als het evenbeeld
van God zien. Het humanisme steunt sterk op de klassieke waarden.
Al deze ontwikkelingen, die leiden tot het nieuwe denken, noemen we renaissance. De
letterlijke betekenis van dit woord is, herboren worden. Hier betekent het: vernieuwing van
culturele, economische, technische en politieke waarden en ook de herleving van de
waarden uit de klassieke oudheid.
Het hof
De wereldlijke en geestelijke machthebbers:
De hoven speelden in de ontwikkeling van de cultuur een doorslaggevende rol: om aan
andere vorsthoven te laten zien hoe rijk en dus hoe machtig je was, diende je een heel leger
aan hofkunstenaars in dienst te hebben om je paleis zo mooi mogelijk te maken.
De hoveling:
De ideale hoveling moest van alles kunnen, schermen, zwemmen, dansen. Ook moest hij
kennis hebben van literatuur, geschiedenis, muziek en theater en hij moest goed feesten
kunnen organiseren. Al deze vaardigheden waren erop gericht om belangrijk te worden,
voor een carriere en ook om vrouwen te behagen.
Italiaanse hoven: Florence:
,In Florence heersten van 1434 tot 1737 de Medici. Zij waren in de middeleeuwen rijk
geworden door bankiers en kregen steeds meer politieke invloed. Ook waren ze grote
liefhebbers van kunst, ze bouwden dan ook de Dom van Florence, met de befaamde koepel
van Brunelleschi, waarvoor Guillaume Dufay het motet componeerde.
Kunst
Renaissance schilderkunst:
In de renaissance veranderde de positie van de kunstenaar. Hij stond niet langer op één voet
met handwerkslieden, maar met geleerden, -en kunstenaars waren ook tegelijk geleerden,
zoals Da Vinci. Hij is het toonbeeld van de renaissance. Hij was namelijk uitvinder,
wetenschapper, architect, schilder en beeldhouwer tegelijk. In zijn persoon is het ideaal van
die tijd, de ‘homo universalis’ (de universele, volledige mens) aanwezig.
Anatomie:
Het hoofdkenmerk van de renaissancekunst is haar realisme. De grote belangstelling voor
mens en wereld leidde ertoe dat men deze zo realistisch mogelijk trachtte uit te beelden.
Men bestuurde de anatomie van het menselijk en dierlijk lichaam en oefende net zolang tot
men die op een schilderij of in een beeldhouwwerk precies kon weergeven.
Perspectief:
Het realisme uitte zich ook in de studie van het perspectief. Men begon perspectief serieus
te nemen, wat in de middeleeuwen niet gebeurde. De schilders maakten allerlei
werktekeningen om te bepalen hoe ze de juiste diepte in hun schilderijen konden krijgen.
Alle horizontale lijnen die beneden de horizon liggen lopen naar een of twee verdwijnpunten
in de horizon. De perspectief die op dit meetkundige systeem gebaseerd is, noemen we het
lijnperspectief.
Men ontdekte ook dat de kleuren van voorwerpen op de voorgrond sterker en feller zijn,
dan de kleuren op de achtergrond, deze vorm van dieptewerking noemen we het
atmosferisch perspectief.
Schoonheidsideaal:
Het tweede hoofdkenmerk van de renaissancekunst is haar estheticisme
(= schoonheidsleer), de opvatting dat kunst in de eerste plaats iets moois dienst te zijn. In de
middeleeuwen draaide het om de inhoud, om wat ze te zeggen hadden. In de Renaissance
gaat men zich meer om de vorm bekommeren. Een mooi kunstwerk was een ordelijk
kunstwerk, een werk gebaseerd op bepaalde ordeningsprincipes.
Humanist Alberti had hier bepaalde uitganspunten voor bedacht, een hiervan was dat
zuivere schoonheid en het streven naar evenwichtige verhoudingen belangrijker zijn dan het
praktisch nut.
,Compositie:
In de Renaissancekunst wordt er gezocht naar een evenwichtige, harmonische plaatsing van
alle afgebeelde figuren en objecten op het vlak van de schildering. Allerlei soorten
opstellingen komen voor, maar men heeft in de renaissance een duidelijke voorkeur voor
een symmetrische compositie.
Onderwerpen:
In de renaissance ontdekt de mens zijn eigen kunnen en zijn eigen plaats en taak in de
wereld. De natuur en alles wat zich daarin bevindt kom tin het centrum van de belangstelling
te staan. Gaandeweg worden landschappen zelf belangrijker dan de personen in het
landschap.
Verhalen uit de Griekse en Romeinse godenwereld zijn in de Renaissance ook geliefde
onderwerpen. Het naakt speelt hier een grote rol. In die tijd was een nogal volumineus
lichaam het ideaalbeeld, dit figuur wilde zeggen dat je genoeg eten hebt en dus tot de
gegoede stand behoort.
Het lerende uit de middeleeuwen blijft in de Renaissance enigszins bestaan. Men laat
mensen en dieren rollen spelen. Het gebruik van mensen, dieren en voorwerpen als symbool
voor dergelijke begrippen noemen we een allegorie.
Ook liet de zelfbewuste koopman, vorst of bisschop in deze tijd een portret van zichzelf
maken.
Rol van de kunstenaar:
In de Renaissance wordt het mode dat rijke mensen schilderijen gaan verzamelen, ze
hebben er namelijk het geld voor. De rol van de kunstenaar in de samenleving wordt
daardoor belangrijker. Hij is niet meer de ambachtsman uit de middeleeuwen, maar hij is
een hooggewaardeerd mens en graag geziene gast bij machthebbers.
, Renaissance architectuur:
Alle vormen van renaissance hebben hun beginpunt gemeen: het breken met het feodale,
middeleeuwse verleden en een hernieuwde belangstelling voor het oude Rome.
Van handwerksman tot professional:
Er ontstond een nieuwe benadering van kunst toen de kerk op cultureel vlak een belangrijke
positie begon in te nemen. Het ontwerp van een bouwwerk stond los van de daadwerkelijke
bouw. Architecten kregen een nieuwe, creatieve status.
Vroeg Renaissance:
In de vroege renaissance doet de logica, de rede, haar intrede. De muur krijgt bijvoorbeeld
weer een zichtbare functie van drager van de daken en gewelf. De bouwwerken zien er wat
gesloten en massief uit. Aan verhoudingen wordt veel aandacht besteed. Het uiterlijk van
een gebouw is sober, gaandeweg worden klassieke elementen als zuilen, koepels, pilasters
en frontons in vele variaties toegepast.
Palazzo’s en villa’s:
Rijke aderlijke families laten in steden statige huizen (palazzo’s) bouwen. Buiten de steden
worden voor hen villa’s gebouwd. De bouwmeester die daar grote roem mee verwerft en
nog eeuwenlang wordt nagevolgd is Andrea Palladio. De meeste villa’s van hem hebben een
centraal vierkant grondplan, een rechthoekige salone en portalen die aan een tempel doen
denken. Verder is het een erg symmetrisch gebouw.
Theatro Olimpico:
Door de hernieuwde belangstelling voor de klassieken worden aan de rijke vorstenhoven
kleine theaters gebouwd; aanvankelijk vooral in Noord-Italië. De voornaamste hoven willen
met theatervoorstellingen laten zien hoeveel pracht en praal zij wel niet bezitten. De
voorstellingen zelf hebben minder invloed gehad dan de Italiaanse theaterarchitectuur van
Palladio.
Zijn eerste openbare schouwburg werd in 1580 in Vicenza gebouwd, theatro Olimpico. De
vormgeving sluit aan bij het klassieke Romeinse theater, met een rijk versierde klassieke
gevel als achterwand van het toneel.
Ontworpen door Alberti
Hofcultuur in de 16e en 17e eeuw
Cultuur van romantiek en realisme in de 19e eeuw
Cultuur van het moderne in de 1e helft van de 20ste eeuw
Massacultuur vanaf 1950
Hofcultuur in de 16e en 17e eeuw
Inleiding
Tegen het eind van de Middeleeuwen komt er verandering in hoe men de kerk en God ziet.
Dit kwam door vier verschillende dingen;
Er was veel corruptie binnen de kerk. Dit is natuurlijk slecht voor het aanzien en de invloed
van de kerk. Ook werd men zelfbewuster, door rijkdom en macht, wat veroorzaakt werd
door een bloeiende handel, kon de mens met behulp van geld onafhankelijker zijn. Hij begint
zelf uit te maken wat mag en wat niet mag. De reformatie is daar een gevolg van.
De wetenschap komt ook tot bloei. Wanneer de steden meer invloed krijgen worden daar
universiteiten gesticht. Men houdt zich daar bezig met natuurkunde, wiskunde en filosofie.
De beoefenaars van de wetenschap krijgen speciale belangstelling voor alles wat zich in de
natuur voordoet en gaan dat onderzoeken.
De belangrijkste staten in Europa zoeken naar nieuwe producten om daar mee handel te
drijven. Zo ontstaan de eerste ontdekkingsreizen. Door deze reizen ontstond er veel
overzeese handel, bepaalde landen profiteerden enorm van deze handel.
Ook ontstond het humanisme, dit is een meer op de mens gericht levensbeschouwing. Dit
betekent niet dat men God aan de kant zet. Men gaat de mens nu meer als het evenbeeld
van God zien. Het humanisme steunt sterk op de klassieke waarden.
Al deze ontwikkelingen, die leiden tot het nieuwe denken, noemen we renaissance. De
letterlijke betekenis van dit woord is, herboren worden. Hier betekent het: vernieuwing van
culturele, economische, technische en politieke waarden en ook de herleving van de
waarden uit de klassieke oudheid.
Het hof
De wereldlijke en geestelijke machthebbers:
De hoven speelden in de ontwikkeling van de cultuur een doorslaggevende rol: om aan
andere vorsthoven te laten zien hoe rijk en dus hoe machtig je was, diende je een heel leger
aan hofkunstenaars in dienst te hebben om je paleis zo mooi mogelijk te maken.
De hoveling:
De ideale hoveling moest van alles kunnen, schermen, zwemmen, dansen. Ook moest hij
kennis hebben van literatuur, geschiedenis, muziek en theater en hij moest goed feesten
kunnen organiseren. Al deze vaardigheden waren erop gericht om belangrijk te worden,
voor een carriere en ook om vrouwen te behagen.
Italiaanse hoven: Florence:
,In Florence heersten van 1434 tot 1737 de Medici. Zij waren in de middeleeuwen rijk
geworden door bankiers en kregen steeds meer politieke invloed. Ook waren ze grote
liefhebbers van kunst, ze bouwden dan ook de Dom van Florence, met de befaamde koepel
van Brunelleschi, waarvoor Guillaume Dufay het motet componeerde.
Kunst
Renaissance schilderkunst:
In de renaissance veranderde de positie van de kunstenaar. Hij stond niet langer op één voet
met handwerkslieden, maar met geleerden, -en kunstenaars waren ook tegelijk geleerden,
zoals Da Vinci. Hij is het toonbeeld van de renaissance. Hij was namelijk uitvinder,
wetenschapper, architect, schilder en beeldhouwer tegelijk. In zijn persoon is het ideaal van
die tijd, de ‘homo universalis’ (de universele, volledige mens) aanwezig.
Anatomie:
Het hoofdkenmerk van de renaissancekunst is haar realisme. De grote belangstelling voor
mens en wereld leidde ertoe dat men deze zo realistisch mogelijk trachtte uit te beelden.
Men bestuurde de anatomie van het menselijk en dierlijk lichaam en oefende net zolang tot
men die op een schilderij of in een beeldhouwwerk precies kon weergeven.
Perspectief:
Het realisme uitte zich ook in de studie van het perspectief. Men begon perspectief serieus
te nemen, wat in de middeleeuwen niet gebeurde. De schilders maakten allerlei
werktekeningen om te bepalen hoe ze de juiste diepte in hun schilderijen konden krijgen.
Alle horizontale lijnen die beneden de horizon liggen lopen naar een of twee verdwijnpunten
in de horizon. De perspectief die op dit meetkundige systeem gebaseerd is, noemen we het
lijnperspectief.
Men ontdekte ook dat de kleuren van voorwerpen op de voorgrond sterker en feller zijn,
dan de kleuren op de achtergrond, deze vorm van dieptewerking noemen we het
atmosferisch perspectief.
Schoonheidsideaal:
Het tweede hoofdkenmerk van de renaissancekunst is haar estheticisme
(= schoonheidsleer), de opvatting dat kunst in de eerste plaats iets moois dienst te zijn. In de
middeleeuwen draaide het om de inhoud, om wat ze te zeggen hadden. In de Renaissance
gaat men zich meer om de vorm bekommeren. Een mooi kunstwerk was een ordelijk
kunstwerk, een werk gebaseerd op bepaalde ordeningsprincipes.
Humanist Alberti had hier bepaalde uitganspunten voor bedacht, een hiervan was dat
zuivere schoonheid en het streven naar evenwichtige verhoudingen belangrijker zijn dan het
praktisch nut.
,Compositie:
In de Renaissancekunst wordt er gezocht naar een evenwichtige, harmonische plaatsing van
alle afgebeelde figuren en objecten op het vlak van de schildering. Allerlei soorten
opstellingen komen voor, maar men heeft in de renaissance een duidelijke voorkeur voor
een symmetrische compositie.
Onderwerpen:
In de renaissance ontdekt de mens zijn eigen kunnen en zijn eigen plaats en taak in de
wereld. De natuur en alles wat zich daarin bevindt kom tin het centrum van de belangstelling
te staan. Gaandeweg worden landschappen zelf belangrijker dan de personen in het
landschap.
Verhalen uit de Griekse en Romeinse godenwereld zijn in de Renaissance ook geliefde
onderwerpen. Het naakt speelt hier een grote rol. In die tijd was een nogal volumineus
lichaam het ideaalbeeld, dit figuur wilde zeggen dat je genoeg eten hebt en dus tot de
gegoede stand behoort.
Het lerende uit de middeleeuwen blijft in de Renaissance enigszins bestaan. Men laat
mensen en dieren rollen spelen. Het gebruik van mensen, dieren en voorwerpen als symbool
voor dergelijke begrippen noemen we een allegorie.
Ook liet de zelfbewuste koopman, vorst of bisschop in deze tijd een portret van zichzelf
maken.
Rol van de kunstenaar:
In de Renaissance wordt het mode dat rijke mensen schilderijen gaan verzamelen, ze
hebben er namelijk het geld voor. De rol van de kunstenaar in de samenleving wordt
daardoor belangrijker. Hij is niet meer de ambachtsman uit de middeleeuwen, maar hij is
een hooggewaardeerd mens en graag geziene gast bij machthebbers.
, Renaissance architectuur:
Alle vormen van renaissance hebben hun beginpunt gemeen: het breken met het feodale,
middeleeuwse verleden en een hernieuwde belangstelling voor het oude Rome.
Van handwerksman tot professional:
Er ontstond een nieuwe benadering van kunst toen de kerk op cultureel vlak een belangrijke
positie begon in te nemen. Het ontwerp van een bouwwerk stond los van de daadwerkelijke
bouw. Architecten kregen een nieuwe, creatieve status.
Vroeg Renaissance:
In de vroege renaissance doet de logica, de rede, haar intrede. De muur krijgt bijvoorbeeld
weer een zichtbare functie van drager van de daken en gewelf. De bouwwerken zien er wat
gesloten en massief uit. Aan verhoudingen wordt veel aandacht besteed. Het uiterlijk van
een gebouw is sober, gaandeweg worden klassieke elementen als zuilen, koepels, pilasters
en frontons in vele variaties toegepast.
Palazzo’s en villa’s:
Rijke aderlijke families laten in steden statige huizen (palazzo’s) bouwen. Buiten de steden
worden voor hen villa’s gebouwd. De bouwmeester die daar grote roem mee verwerft en
nog eeuwenlang wordt nagevolgd is Andrea Palladio. De meeste villa’s van hem hebben een
centraal vierkant grondplan, een rechthoekige salone en portalen die aan een tempel doen
denken. Verder is het een erg symmetrisch gebouw.
Theatro Olimpico:
Door de hernieuwde belangstelling voor de klassieken worden aan de rijke vorstenhoven
kleine theaters gebouwd; aanvankelijk vooral in Noord-Italië. De voornaamste hoven willen
met theatervoorstellingen laten zien hoeveel pracht en praal zij wel niet bezitten. De
voorstellingen zelf hebben minder invloed gehad dan de Italiaanse theaterarchitectuur van
Palladio.
Zijn eerste openbare schouwburg werd in 1580 in Vicenza gebouwd, theatro Olimpico. De
vormgeving sluit aan bij het klassieke Romeinse theater, met een rijk versierde klassieke
gevel als achterwand van het toneel.
Ontworpen door Alberti