biologie samenvatting hoofdstuk 20
20.1 Chemosynthese
behalve planten zijn ook een paar bacteriesoorten in staat tot koolstofassimilatie. deze
bacteriën bevatten geen chlorofyl. de bacteriën krijgen deze energie niet door het opnemen
van zonne energie maar door oxideren van bepaalde anorganische verbindingen.
het verkrijgen van energie door anorganische omzettingen wordt chemosynthese genoemd.
de bacteriën die deze methode gebruiken worden chemo-autotroof genoemd.
drie voorbeelden van chemo-autotrofe bacteriën zijn: nitrietbacteriën, nitraatbacteriën en
zwavelbacteriën.
bij de oxidatie van ammoniak tot nitriet zijn nitrietbacteriën betrokken. de formule bij dit is:
ammoniak + zuurstof → nitriet + water + energie
de ontstane nitriet wordt vervolgens door nitraatbacteriën geoxideerd tot nitraat. door de
formule:
nitriet + zuurstof → nitraat + energie
de omzettingen van ammoniak naar nitriet en van nitriet naar nitraat is ook bij belang voor
planten. voor hun stikstofbehoefte zijn de planten aangewezen op de nitraten. in
tegenstelling tot andere stikstofverbindingen kan de in water opgeloste nitraten worden
opgenomen in de wortels.
zwavelbacteriën komen voor in stilstaand water. waardoor door rotting van dode organismen
zwavel waterstof ontstaat. dit oxideert weer tot zwavel, de formule die hierbij hoort is:
zwavelwaterstof + zuurstof → water + zwavel + energie
de ontstane zwavel wordt verder geoxideerd tot sulfaat, met de formule:
zwavel + zuurstof + water → sulfaat + energie
ook de zwavelbacteriën zijn een groot belang bij planten, de sulfaten worden als
voedingszouten opgenomen.
20.2 Voortgezette assimilatie
de energie die bij chemosynthese vrijkomt, wordt vastgelegd in ATP, het gevormde ATP
wordt vervolgens gebruikt voor de assimilatie van glucose. deze gevormde glucose dient als
grondstof voor dissimilatie en als verdere assimilatie van andere stoffen.
bij planten wordt de glucose gebruikt voor:
- vorming van koolhydraten
- gebruikt voor vorming van vetten, waarvan de moleculen, evenals bij glucose bestaan uit
koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen.
- gebruikt bij eiwitsynthese
20.1 Chemosynthese
behalve planten zijn ook een paar bacteriesoorten in staat tot koolstofassimilatie. deze
bacteriën bevatten geen chlorofyl. de bacteriën krijgen deze energie niet door het opnemen
van zonne energie maar door oxideren van bepaalde anorganische verbindingen.
het verkrijgen van energie door anorganische omzettingen wordt chemosynthese genoemd.
de bacteriën die deze methode gebruiken worden chemo-autotroof genoemd.
drie voorbeelden van chemo-autotrofe bacteriën zijn: nitrietbacteriën, nitraatbacteriën en
zwavelbacteriën.
bij de oxidatie van ammoniak tot nitriet zijn nitrietbacteriën betrokken. de formule bij dit is:
ammoniak + zuurstof → nitriet + water + energie
de ontstane nitriet wordt vervolgens door nitraatbacteriën geoxideerd tot nitraat. door de
formule:
nitriet + zuurstof → nitraat + energie
de omzettingen van ammoniak naar nitriet en van nitriet naar nitraat is ook bij belang voor
planten. voor hun stikstofbehoefte zijn de planten aangewezen op de nitraten. in
tegenstelling tot andere stikstofverbindingen kan de in water opgeloste nitraten worden
opgenomen in de wortels.
zwavelbacteriën komen voor in stilstaand water. waardoor door rotting van dode organismen
zwavel waterstof ontstaat. dit oxideert weer tot zwavel, de formule die hierbij hoort is:
zwavelwaterstof + zuurstof → water + zwavel + energie
de ontstane zwavel wordt verder geoxideerd tot sulfaat, met de formule:
zwavel + zuurstof + water → sulfaat + energie
ook de zwavelbacteriën zijn een groot belang bij planten, de sulfaten worden als
voedingszouten opgenomen.
20.2 Voortgezette assimilatie
de energie die bij chemosynthese vrijkomt, wordt vastgelegd in ATP, het gevormde ATP
wordt vervolgens gebruikt voor de assimilatie van glucose. deze gevormde glucose dient als
grondstof voor dissimilatie en als verdere assimilatie van andere stoffen.
bij planten wordt de glucose gebruikt voor:
- vorming van koolhydraten
- gebruikt voor vorming van vetten, waarvan de moleculen, evenals bij glucose bestaan uit
koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen.
- gebruikt bij eiwitsynthese