Les 1: Inleiding: Verstedelijking, migratie en de vele dimensies van diversiteit
Migratie als oorzaak van verstedelijking en stedelijke diversiteit
Positief verband tussen verstedelijking (= groei van steden) en migratie.
• Verstedelijking in Europa neemt stelselmatig toe vanaf circa jaar 1000.
• Relatief weinig mensen in steden voor circa 1800, maar wel zeer divers!
o 1/3de tot 1/2de van de inwoners waren elders geboren.
▪ Ze kwamen niet perse van heel ver.
o Plaats afhankelijk! Bv. in EU meer mensen dan in Afrika of Azië.
o Afhankelijk van de definitie van ‘stad’ die gehanteerd wordt.
o Sinds 2007 woont meer dan de helft van de populatie in steden.
• Urbanisering is enkel mogelijk dankzij permanente migratie van platteland naar stad (in
pre-moderne steden door het ‘urban graveyard effect’).
o Urband graveyard effect = er sterven meer mensen dan er geboren worden in de
steden, waardoor de stedelijke centra enkel kunnen overleven dankzij instroom van
migranten.
▪ Door ongezonde levensomstandigheden; infectieziekten, meer
alleenstaanden (= minder kinderen), later huwen,…
o Groter onderscheid tussen stad en platteland in die periode.
• ‘Netto immigratie’ = Het verschil tussen vestiging (immigratie) en vertrek (emigratie). Het
saldo kan zijn positief, negatief en zelfs ook precies 0.
o Is slechts een fractie van de reële mobiliteit. (belang van permanente uitstroom)
Verstedelijking tussen de 16e en 18e eeuw in Noord-Europa:
, Elk jaar een netto geboortetekort in de stad!
Onderscheid netto-migratie en netto-aangroei!
o Netto-immigratie is systematisch hoger!
o Er gaan meer migranten naar de stad dan dat de stad aangroeit.
= Er gaan meer mensen naar de stad dan dat de stad aangroeit, en dit is te verklaren door het
geboortetekort.
Stedelijke promotie: geeft de aangroei in stedelijke bevolking weer door aangroei in steden in een
periode die in een vorige periode nog als dorp geclassificeerd werden.
Waarom verhuizen mensen naar de stad?
Push vs. pull factoren
• Push = factoren die mensen weg ‘duwen’ van het platteland.
o Oorlogen
o Gebrek aan grond en kansen
▪ Zanderige, slechte grond in de Kempen.
▪ Boerderijen ‘verkruimelden’ doordat ze verdeeld werden over kinderen.
o Proletarisering = opkomst van de arbeiders.
▪ Kunnen enkel nog overleven door het verkopen van eigen arbeid.
timmerman, schoenmaker, boer, … (hebben eigen productiemiddelen)
• Pull = factoren die mensen naar de stad ‘trekken’.
o Vraag naar arbeid, kennis en kapitaal in de stad
▪ Ongeschoolde arbeid, dienstpersoneel, …
▪ Handelaars, geschoolde ambachtslui, …
o Specifieke instellingen en diensten in de stad
▪ Universiteiten, academies, …
▪ Armenhuizen, godshuizen, …
Verklaart waarom mensen migreren!
Verklaart op zijn beurt sociale dynamieken in de stad.
Kenmerken van migratie in de pre-industriële periode
• Verband tussen aantal mensen van een bepaalde streek in een stad en de afstand die ze
hebben afgelegd.
o Te wijten aan gebrek aan moderne transportinfrastructuur.
o Vb. in Antwerpen vooral mensen van de Kempen = lokaal ‘demografisch bassin’.
o Treinen en stroomschepen ontstonden in de helft van de 19de eeuw pas.
o Verplaatsingen werden vaak nog te voet gemaakt in die periode. 1 à 2 reisdagen
ongeveer.
o Belang van netwerken en informatie.
, o Enkel een beperkte elite kon het zich dus veroorloven van verre afstanden af te leggen.
▪ Mensen die van ver kwamen waren doorgaans geen arme mensen!
▪ Deze kapitaalkrachtige/geschoolde mensen zijn natuurlijk zeer welkom in de
steden!
• Omgekeerd verband tussen afgelegde afstand en sociale status: als je van ver komt is de kans
groter dat je kapitaal en kennis hebt.
o Migratie van platteland naar stad: vaak ongeschoolde arbeiders of dienstmeiden =
horizontale migratie
o Lange afstandsmigratie van handelaars en hooggeschoolden (ook vaklui): vaak tussen
steden = verticale migratie
▪ Deze mensen zijn heel erg welkom in de steden! (en vandaag de dag heerst
die perceptie vaak nog steeds)
• Veel migratie is niet permanent maar circulair/seizoensgebonden.
o De indruk dat de immigratie naar een stad te groot is, is dus vaak fout!
o Vaak is de emigratie bijna even groot als de immigratie.
o Immigratie en emigratie zijn vaak een veelvoud van de netto-migratie!
o Landlopers en ‘vagebonden’
Seizoenmigratie vindt vooral plaats in de seizoenen dat er te weinig te verdienen is op het platteland.
Ander voorbeeld: een dienstmeid die van haar 18 – 24 jaar een rijk stadsgezin gaat helpen.
• In deze tijd deden grenzen er nauwelijks toe. De enige grens die van belang was, was de
stadsgrens.
Er stond nog een omwalling met
stadspoorten rond Antwerpen.
In deze tijd waren er stedelijke vormen
van burgerschap (nu nationaal).
Burgers van de stad konden dan
genieten van bepaalde privileges binnen
hun stad. Anderen mochten wel in de
stad zijn, maar genoten niet van deze
privileges.
, Vandaag de dag zijn de meeste mensen geproletariseerd: ze verkopen hun kennis en kunnen op de
arbeidsmarkt.
Nu is het vanzelfsprekend, maar in die tijden waren er op het platteland weinig opties voor
proletariërs ➔ Push-factor om naar de stad te trekken!
Omgekeerd kan ook: vb.: de Haven van Antwerpen trekt (= pull) arbeid naar de stad.
Industrialisering en urbanisering in de 19de eeuw
• Trek naar de steden (ondanks verdwijnen ‘urban graveyard effect’)
• Nieuwe steden (voor het eerst sinds de Middeleeuwen)
o Vb. Verviers, Charleroi, Manchester, Ruhrgebied, … worden belangrijk o.w.v. nieuwe
industrieën.
• Meer nood aan permanente migratie door industrialisering.
• ‘Democratisering’ lange afstandsmigratie
o Meer mensen gaan langere afstanden afleggen doordat migratie meer permanent
wordt.
o Snellere (betaalbaardere) transportmogelijkheden.