Neurochirurgie: samenvatting
Fysiologie 1
Intracraniële tumoren 3
Craniocerebraal trauma 4
Functionele neurochirurgie 6
Hydrocefalie 7
Congenitale pathologie 8
Spontane craniële bloeding 9
Aandoeningen wervelkolom 12
Perifere zenuwpathologie 16
Complicaties 17
Fysiologie
- Bloed-hersenbarrière (BBB)
- Door endotheel cerebrale capillairen: geen fenestraties, meer mitochondria,
specifiek transportmechanismen, hogere elektrische weerstand
- Functie: diffusie schadelijke stoffen verhinderen
- Bloed-CVS barrière: door epitheel plexus choroideus
- Hersenoedeem = toename waterinhoud van hersenweefsel
- Vasogeen hersenoedeem door verhoogde capillaire permeabiliteit (lekkende
capillairen), vooral uitbreiding in witte stof
Kriekemans Kristiaan 1
, - Cytotoxisch hersenoedeem = opzwellen van cellen door toxines, trauma,
ischemie, … (herseninfarct, uremie, leverfalen)
- Osmotisch hersenoedeem = watershift naar intracellulair door osmotisch
onevenwicht (vb. SIADH) (vaak samen met cytotoxisch oedeem)
- Hydrocefaal oedeem = secundair aan obstructieve hydrocefalie door
obstructie CVS route
- Obstructief oedeem door obstructie interstitiële flux naar veneus systeem (vb.
sinustrombose)
Corticoïden verminderen permeabiliteit BBB, NIET werkzaam bij cytotoxisch
oedeem → hyperosmolaire moleculen (mannitol)
- Cerebrospinaal vocht/ liquor
- Actief proces in plexus choroideus: 0,3-0,4 ml/min = 500 ml/d (op elk moment
150 ml CSV)
- Klein gedeelte: bulk flow van interstitieel vocht
- Absorptie in arachnoïdale villi (door dynamische drukgradiënt, vooral tijdens
systole)
- Subarachnoïdale druk: 135-150 mmH2O/ 10-11 mmHg
- Normale liquor: 5 WBC/mm3, 60% serumglucose, 0,4% serumeiwit
- Cerebrospinale bloedflow
- Cerebraal bloedvolume (CBV) = normaal 75 ml/ 5% intracranieel volume
- Cerebrale bloedflow (CBF) = debiet per tijdseenheid door de hersenen
(verschil in grijs vs. wit)
- Kenmerken circulatie
- CBF ongeveer constant (autoregulatie door spiertonus) → verstoord
bij trauma/ ischemie
- Verandering arteriolaire diameter op CO2 concentratie: hyperventilatie
→ hypocapnie → vasoconstrictie
- Koppeling tussen CBF en metabolisme (CMRO2): toegenomen
activiteit in een hersengebied → vasodilatatie naar dat gebied (via
NO)
- Intracraniële druk (ICP)
- ICP = 10-11 mmHg
- Lange tijd constant bij traag toenemen volume: shoft CSV naar intraspinale
compartiment + aanpassing CBV
- Symptomen overdruk: hoofdpijn, misselijk, braken, bewustzijnsvermindering,
opwaartse blikparese, papiloedeem
- Bij een neonaat: FTT, irritabiliteit, niet willen eten, projectiel braken,
sunsetting eyes, bomberende fontanel
- Herniatie (4 vormen)
- Transtentorieel: herniatie temporale uncus →
- Compressie oculomotorius → mydriase (unilateraal, lichtstijf)
- Compressie cerebri posterior → ischemie
- Compressie hersenstam → bradycardie, later tachycardie,
hypertensie, onregelmatige ademhaling1
- Tonsillair (druk over foramen magnum) → compressie medulla
oblongata → tachycardie, hypertensie, onregelmatige ademhaling
1
Tachycardie + arteriële hypertensie + onregelmatige ademhaling = Cushing reflex
Kriekemans Kristiaan 2
, - Subfalcien (supratentoriële drukstijging) → deviatie hemisfeer over
middellijn → anterior ischemie
- Doorheen craniëctomie defect → kneuzingen
- Druk meten
- Ventrikel meting: silicone katheter
- Parenchym meting
- Lumbaalpunctie: indien GEEN risico herniatie
- Cerebrale perfusiedruk (CPP) = MAP - ICP
- Overdruk: etiologisch behandelen
Intracraniële tumoren
- Epidemiologie
- Incidentie: 6/100.000/j (primair, metastase = hoger)
- Kinderen: 60% infratentorieel
- Symptomen
- Symptomen door intracraniële druk
- Lange tijd compensatie-capaciteit → wanneer te veel → plotse
symptomen
- Hoofdpijn, misselijkheid, bewustzijnsvermindering, …
- DD: abces, aneurysma, cyste, chronisch subduraal hematoom, …
- Pseudotumor cerebri = benigne intracraniële hypertensie, door
onverklaarde aandoening en vaak zelf limiterend
- Focale deficits
- Eloquente vs. niet-eloquente zone
- Gyrus precentralis → contralaterale verlamming
- Frontaal → depressie
- Sella turcica → bilaterale hemianopsie
- Endocriene stoornissen
- DD: stutering stroke
- Epileptische insulten (indien nabij cortex) 30%
- Diagnostiek
- MRI (gouden standaard)
- PET
- Metastase? → CT thorax-abdomen, echo schildklier, …
- GEEN LP bij ruimte-innemend proces
- Behandeling
- Corticoïden: effect op hersenoedeem en geeft symptoomverlichting
- Lymfoom? → eerst biopsie, dan pas corticoïden
- Chirurgische resectie (niet altijd mogelijk) → reductie tumorload +
weefseldiagnose
- Radio-/ chemotherapie
- Radiochirurgie: stralendosis in één keer (kleine metastase/ schwannoom)
- Protonenbestraling (hadrontherapie)
- Moleculaire therapie, immuuntherapie, …
- Chirurgische hulpmiddelen
- Frequente tumoren bij volwassenen
Kriekemans Kristiaan 3
Fysiologie 1
Intracraniële tumoren 3
Craniocerebraal trauma 4
Functionele neurochirurgie 6
Hydrocefalie 7
Congenitale pathologie 8
Spontane craniële bloeding 9
Aandoeningen wervelkolom 12
Perifere zenuwpathologie 16
Complicaties 17
Fysiologie
- Bloed-hersenbarrière (BBB)
- Door endotheel cerebrale capillairen: geen fenestraties, meer mitochondria,
specifiek transportmechanismen, hogere elektrische weerstand
- Functie: diffusie schadelijke stoffen verhinderen
- Bloed-CVS barrière: door epitheel plexus choroideus
- Hersenoedeem = toename waterinhoud van hersenweefsel
- Vasogeen hersenoedeem door verhoogde capillaire permeabiliteit (lekkende
capillairen), vooral uitbreiding in witte stof
Kriekemans Kristiaan 1
, - Cytotoxisch hersenoedeem = opzwellen van cellen door toxines, trauma,
ischemie, … (herseninfarct, uremie, leverfalen)
- Osmotisch hersenoedeem = watershift naar intracellulair door osmotisch
onevenwicht (vb. SIADH) (vaak samen met cytotoxisch oedeem)
- Hydrocefaal oedeem = secundair aan obstructieve hydrocefalie door
obstructie CVS route
- Obstructief oedeem door obstructie interstitiële flux naar veneus systeem (vb.
sinustrombose)
Corticoïden verminderen permeabiliteit BBB, NIET werkzaam bij cytotoxisch
oedeem → hyperosmolaire moleculen (mannitol)
- Cerebrospinaal vocht/ liquor
- Actief proces in plexus choroideus: 0,3-0,4 ml/min = 500 ml/d (op elk moment
150 ml CSV)
- Klein gedeelte: bulk flow van interstitieel vocht
- Absorptie in arachnoïdale villi (door dynamische drukgradiënt, vooral tijdens
systole)
- Subarachnoïdale druk: 135-150 mmH2O/ 10-11 mmHg
- Normale liquor: 5 WBC/mm3, 60% serumglucose, 0,4% serumeiwit
- Cerebrospinale bloedflow
- Cerebraal bloedvolume (CBV) = normaal 75 ml/ 5% intracranieel volume
- Cerebrale bloedflow (CBF) = debiet per tijdseenheid door de hersenen
(verschil in grijs vs. wit)
- Kenmerken circulatie
- CBF ongeveer constant (autoregulatie door spiertonus) → verstoord
bij trauma/ ischemie
- Verandering arteriolaire diameter op CO2 concentratie: hyperventilatie
→ hypocapnie → vasoconstrictie
- Koppeling tussen CBF en metabolisme (CMRO2): toegenomen
activiteit in een hersengebied → vasodilatatie naar dat gebied (via
NO)
- Intracraniële druk (ICP)
- ICP = 10-11 mmHg
- Lange tijd constant bij traag toenemen volume: shoft CSV naar intraspinale
compartiment + aanpassing CBV
- Symptomen overdruk: hoofdpijn, misselijk, braken, bewustzijnsvermindering,
opwaartse blikparese, papiloedeem
- Bij een neonaat: FTT, irritabiliteit, niet willen eten, projectiel braken,
sunsetting eyes, bomberende fontanel
- Herniatie (4 vormen)
- Transtentorieel: herniatie temporale uncus →
- Compressie oculomotorius → mydriase (unilateraal, lichtstijf)
- Compressie cerebri posterior → ischemie
- Compressie hersenstam → bradycardie, later tachycardie,
hypertensie, onregelmatige ademhaling1
- Tonsillair (druk over foramen magnum) → compressie medulla
oblongata → tachycardie, hypertensie, onregelmatige ademhaling
1
Tachycardie + arteriële hypertensie + onregelmatige ademhaling = Cushing reflex
Kriekemans Kristiaan 2
, - Subfalcien (supratentoriële drukstijging) → deviatie hemisfeer over
middellijn → anterior ischemie
- Doorheen craniëctomie defect → kneuzingen
- Druk meten
- Ventrikel meting: silicone katheter
- Parenchym meting
- Lumbaalpunctie: indien GEEN risico herniatie
- Cerebrale perfusiedruk (CPP) = MAP - ICP
- Overdruk: etiologisch behandelen
Intracraniële tumoren
- Epidemiologie
- Incidentie: 6/100.000/j (primair, metastase = hoger)
- Kinderen: 60% infratentorieel
- Symptomen
- Symptomen door intracraniële druk
- Lange tijd compensatie-capaciteit → wanneer te veel → plotse
symptomen
- Hoofdpijn, misselijkheid, bewustzijnsvermindering, …
- DD: abces, aneurysma, cyste, chronisch subduraal hematoom, …
- Pseudotumor cerebri = benigne intracraniële hypertensie, door
onverklaarde aandoening en vaak zelf limiterend
- Focale deficits
- Eloquente vs. niet-eloquente zone
- Gyrus precentralis → contralaterale verlamming
- Frontaal → depressie
- Sella turcica → bilaterale hemianopsie
- Endocriene stoornissen
- DD: stutering stroke
- Epileptische insulten (indien nabij cortex) 30%
- Diagnostiek
- MRI (gouden standaard)
- PET
- Metastase? → CT thorax-abdomen, echo schildklier, …
- GEEN LP bij ruimte-innemend proces
- Behandeling
- Corticoïden: effect op hersenoedeem en geeft symptoomverlichting
- Lymfoom? → eerst biopsie, dan pas corticoïden
- Chirurgische resectie (niet altijd mogelijk) → reductie tumorload +
weefseldiagnose
- Radio-/ chemotherapie
- Radiochirurgie: stralendosis in één keer (kleine metastase/ schwannoom)
- Protonenbestraling (hadrontherapie)
- Moleculaire therapie, immuuntherapie, …
- Chirurgische hulpmiddelen
- Frequente tumoren bij volwassenen
Kriekemans Kristiaan 3