Hoofdstuk 4
Paragraaf 1
Produceren = het maken van goederen (diensten) door bedrijven voor
anderen. De producent maakt producten geschikt voor consumptie en de
consumenten leveren diensten aan producenten door bijvoorbeeld te
werken voor het bedrijf = arbeid. Voor arbeid krijg je loon.
Zelfvoorziening = consumenten maken producten voor zichzelf.
Bedrijfskolom = model dat de stappen van grondstof tot eindproduct
weergeeft. Ieder bedrijf in de bedrijfskolom voegt iets toe aan een
product. Hierdoor neemt de waarde toe = toegevoegde waarde.
Productiefactoren = middelen die nodig zijn om waarde toe te voegen
aan een product. Kan tastbaar of niet tastbaar.
Voorbeelden:
Kapitaal: machines, gebouwen, gereedschappen, hulpmiddelen en
geld om producten te kunnen maken en verkopen =
kapitaalgoederen.
Arbeid: werknemers
Natuur: alles zonder bewerking uit de natuur. (Hout,
vestigingsplaats en energie).
Ondernemerschap: ondernemer combineert alle productiefactoren
zo efficiënt mogelijk.
Handelsonderneming = onderneming die producten inkoopt en
doorverkoopt. Geen verandering van product, maar wel toegevoegde
waarde.
Productieonderneming = onderneming die grondstoffen inkoopt, daar
producten van maakt en verkoopt aan klanten (bedrijven of
consumenten).
Dienstverlenend bedrijf = onderneming die diensten verleent.
Platformeconomie = bedrijven die hun producten en diensten online
aanbieden.
Arbeidsproductiviteit = de hoeveelheid producten of diensten die een
arbeidskracht in een bepaalde tijd kan maken. Dit kan stijgen door
mechanisatie, automatisering en robotisering.
Mechanisatie: vervangen van arbeidskrachten door machines en
technische hulpmiddelen.
Automatisering: computers zorgen voor sneller werken.
Robotisering: vervangen van werknemers door robots.
Arbeidsproductiviteit kan ook stijgen door:
Paragraaf 1
Produceren = het maken van goederen (diensten) door bedrijven voor
anderen. De producent maakt producten geschikt voor consumptie en de
consumenten leveren diensten aan producenten door bijvoorbeeld te
werken voor het bedrijf = arbeid. Voor arbeid krijg je loon.
Zelfvoorziening = consumenten maken producten voor zichzelf.
Bedrijfskolom = model dat de stappen van grondstof tot eindproduct
weergeeft. Ieder bedrijf in de bedrijfskolom voegt iets toe aan een
product. Hierdoor neemt de waarde toe = toegevoegde waarde.
Productiefactoren = middelen die nodig zijn om waarde toe te voegen
aan een product. Kan tastbaar of niet tastbaar.
Voorbeelden:
Kapitaal: machines, gebouwen, gereedschappen, hulpmiddelen en
geld om producten te kunnen maken en verkopen =
kapitaalgoederen.
Arbeid: werknemers
Natuur: alles zonder bewerking uit de natuur. (Hout,
vestigingsplaats en energie).
Ondernemerschap: ondernemer combineert alle productiefactoren
zo efficiënt mogelijk.
Handelsonderneming = onderneming die producten inkoopt en
doorverkoopt. Geen verandering van product, maar wel toegevoegde
waarde.
Productieonderneming = onderneming die grondstoffen inkoopt, daar
producten van maakt en verkoopt aan klanten (bedrijven of
consumenten).
Dienstverlenend bedrijf = onderneming die diensten verleent.
Platformeconomie = bedrijven die hun producten en diensten online
aanbieden.
Arbeidsproductiviteit = de hoeveelheid producten of diensten die een
arbeidskracht in een bepaalde tijd kan maken. Dit kan stijgen door
mechanisatie, automatisering en robotisering.
Mechanisatie: vervangen van arbeidskrachten door machines en
technische hulpmiddelen.
Automatisering: computers zorgen voor sneller werken.
Robotisering: vervangen van werknemers door robots.
Arbeidsproductiviteit kan ook stijgen door: