BIOLOGIE HAVO 2026 -
UITGEBREIDE
EXAMENSTUDIEVERSLAG
Examenprogramma Centraal Examen
(CE)
⚠ DISCLAIMER
Dit document is AI-gegenereerd studiemateriaal gebaseerd op de officiële Syllabus Centraal Examen Biologie HAVO
2026 (Versie 2, juli 2024) van het College voor Toetsen en Examens (CvTE).
Belangrijke opmerkingen:
Dit verslag garandeert niet het behalen van een voldoende op het examen.
De maker draagt geen verantwoordelijkheid voor onjuistheden of onvolledigheid.
Controleer alle informatie tegen je lesmateriaal, leerboek en docent-uitleg voordat je dit als enige bron gebruikt.
Dit is aanvullend studiemateriaal, niet vervanging van officiële bron.
Gebruik de officiële syllabus (Examenblad.nl) als primaire referentie.
Geschikt voor: Zelfstandige voorbereiding HAVO 5 Biologie CE 2026.
INHOUDSOPGAVE
1. Introductie: Biologie als Systeemdenken
2. Domein A: Vaardigheden (Kernvaardigheden voor CE)
3. M2: Stofwisseling van de Cel
4. M3: Zelforganisatie van Cellen
5. M7: Erfelijke Eigenschap
6. M8: Selectie en Genetische Variatie
7. O1: Stofwisseling van het Organisme
8. O2: Zelfregulatie van het Organisme
9. O3: Afweer van het Organisme
10. P1: Regulatie van Ecosystemen
11. P3: Interactie in Ecosystemen
,12. P4: Soortvorming en Evolutie
13. Samenvattingtabellen per Onderdeel
14. Oefenvragen & Antwoorden
1. INTRODUCTIE: BIOLOGIE ALS
SYSTEEMDENKEN
Wat is Biologie?
Biologie is de wetenschap van het leven. In de HAVO 2026-examensyllabus wordt biologie gestructureerd rond
systeemdenken: het begrijpen van biologische processen als complexe systemen op verschillende niveaus.
De Vijf Systeemconcepten
Het HAVO 2026-programma hanteert vijf kernconcepten die biologische verschijnselen op alle niveaus verklaren:
1. Zelfregulatie (ook: Instandhouding) Biologische eenheden houden zichzelf in stand door:
Opname van stoffen en energie uit de omgeving
Herstellen van opgelopen schade
Verdediging tegen belagers en schadelijke stoffen
Aanpassing aan de omgeving
Voorbeeld: Een cel reguleert zijn osmotische balans; een organisme handhaaft zijn lichaamstemperatuur op 37°C.
2. Zelforganisatie (ook: Groei en Ontwikkeling) Biologische eenheden organiseren zichzelf en creëren nieuwe
structuren:
Dit leidt tot emergente eigenschappen op hoger organisatieniveaus
Het geheel is meer dan de som der delen
Cellen differentiëren tot specialistische organen
Voorbeeld: Een bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een volwassen organisme met miljoenen verschillende cellen.
3. Interactie Biologische eenheden worden beïnvloed door hun omgeving (biotisch en abiotisch):
Biotische factoren: andere organismen
Abiotische factoren: temperatuur, licht, water, pH
Organismen reageren door aanpassing, migratie of gedragsverandering
Voorbeeld: Een plant groeit naar licht toe (fototropisme); een dierenpopulatie daalt bij voedselschaarste.
4. Reproductie Biologische eenheden repliceren zich met variatie:
DNA-replicatie op moleculair niveau
, Voortplanting op organismeniveau
Mutatie en recombinatie creëren variatie
Dit is niet identiek kopiëren
Voorbeeld: Bij seksuele voortplanting ontstaan nakomelingen met nieuwe gencombinaties.
5. Evolutie Toeval, mutatie, recombinatie en selectiedruk leiden tot aanpassing en soortvorming:
Natuurlijke selectie: gunstige varianten overleving beter
Over generaties ontstaat biodiversiteit
Aanpassing van soorten aan hun omgeving
Voorbeeld: Bacteriën ontwikkelen antibioticaresistentie onder selectiedruk van antibiotica.
Organisatieniveaus
Biologie werkt op zes organisatieniveaus, elk met eigen eigenschappen:
Niveau Voorbeelden Systeemconcepten
Molecuul Atomen, moleculen, DNA Chemische reacties
Cel Prokaryoot, eukaryoot Homeostase, stofwisseling
Orgaan Hart, long, darm Vorm-functie relatie
Organisme Plant, dier, fungus Zelfregulatie, voortplanting
Populatie Alle konijnen in een bos Groei, selectie
Ecosysteem Bos, meer, savanne Energiestroom, kringlopen
2. DOMEIN A: VAARDIGHEDEN
(KERNVAARDIGHEDEN VOOR CE)
Het HAVO 2026-examen toetst niet alleen kennis, maar vooral vaardigheden. Deze vaardigheden gelden voor alle
biologie-onderdelen.
A5: Onderzoeken
Kandidaten moeten kunnen:
1. Natuurwetenschappelijk probleem herkennen: "Waarom groeien planten niet goed in dit water?"
2. Herleiden tot onderzoeksvraag: "Wat is het effect van zoutgehalte op plantengroei?"
3. Hypothese opstellen: "Als het zoutgehalte stijgt, zal de groei afnemen"
4. Werkplan maken: Stappen, variabelen, controles
5. Metingen verrichten: Nauwkeurig data verzamelen
6. Data verwerken: Tabellen, grafieken maken
7. Conclusies trekken: Aansluiten bij onderzoeksvraag
8. Onderzoek evalueren: Wat ging goed/fout?
, A8: Natuurwetenschappelijk Instrumentarium
Belangrijke grootheden en eenheden:
Concentratie: mol/L, g/L (molaire concentratie)
pH: schaal 0-14 (zuurtegraad)
Temperatuur: °C of K (Kelvin)
Energie: J (joule), kcal
Druk: Pa (pascal), mmHg
Diffusiesnelheid: mol/(m²·s)
Osmotische waarde: bepaald door gelost stof
A11: Vorm-Functie Denken
Een kernvaardigheid in HAVO Biologie: relatie tussen vorm en functie.
Vragen die je moet kunnen beantwoorden:
"Waarom heeft een rode bloedcel een schijfvorm?" → Groot oppervlak voor zuurstoftransport
"Waarom heeft een vogelbot hollow structuur?" → Licht maar sterk, geschikt voor vliegen
"Waarom hebben wortelcellen veel mitochondriën?" → Actief transport vergt energie (ATP)
A12: Ecologisch Denken
Het begrijpen van duurzaamheid en gevolgen van veranderingen:
Ecosystemen zijn complexe samenhangen
Verandering op laag niveau → grote gevolgen hoger niveau
Menselijke activiteiten hebben ecologische consequenties
Voorbeeld: Het gebruik van pesticiden doodt ongewenste insecten, maar ook bestuivers → minder plantenzaad →
hongernood herbivoren.
A13: Evolutionair Denken
Biologische verschijnselen verklaren met evolutiemechanismen:
Genetische variatie → Selectiedruk → Adaptatie → Soortvorming
Begrip van natuurlijke selectie als verklaring voor biodiversiteit
3. M2: STOFWISSELING VAN DE CEL
Alle leven verloopt op celniveau. Stofwisseling is het proces waardoor cellen stoffen opnemen, omzetten en energie
vrijmaken.
UITGEBREIDE
EXAMENSTUDIEVERSLAG
Examenprogramma Centraal Examen
(CE)
⚠ DISCLAIMER
Dit document is AI-gegenereerd studiemateriaal gebaseerd op de officiële Syllabus Centraal Examen Biologie HAVO
2026 (Versie 2, juli 2024) van het College voor Toetsen en Examens (CvTE).
Belangrijke opmerkingen:
Dit verslag garandeert niet het behalen van een voldoende op het examen.
De maker draagt geen verantwoordelijkheid voor onjuistheden of onvolledigheid.
Controleer alle informatie tegen je lesmateriaal, leerboek en docent-uitleg voordat je dit als enige bron gebruikt.
Dit is aanvullend studiemateriaal, niet vervanging van officiële bron.
Gebruik de officiële syllabus (Examenblad.nl) als primaire referentie.
Geschikt voor: Zelfstandige voorbereiding HAVO 5 Biologie CE 2026.
INHOUDSOPGAVE
1. Introductie: Biologie als Systeemdenken
2. Domein A: Vaardigheden (Kernvaardigheden voor CE)
3. M2: Stofwisseling van de Cel
4. M3: Zelforganisatie van Cellen
5. M7: Erfelijke Eigenschap
6. M8: Selectie en Genetische Variatie
7. O1: Stofwisseling van het Organisme
8. O2: Zelfregulatie van het Organisme
9. O3: Afweer van het Organisme
10. P1: Regulatie van Ecosystemen
11. P3: Interactie in Ecosystemen
,12. P4: Soortvorming en Evolutie
13. Samenvattingtabellen per Onderdeel
14. Oefenvragen & Antwoorden
1. INTRODUCTIE: BIOLOGIE ALS
SYSTEEMDENKEN
Wat is Biologie?
Biologie is de wetenschap van het leven. In de HAVO 2026-examensyllabus wordt biologie gestructureerd rond
systeemdenken: het begrijpen van biologische processen als complexe systemen op verschillende niveaus.
De Vijf Systeemconcepten
Het HAVO 2026-programma hanteert vijf kernconcepten die biologische verschijnselen op alle niveaus verklaren:
1. Zelfregulatie (ook: Instandhouding) Biologische eenheden houden zichzelf in stand door:
Opname van stoffen en energie uit de omgeving
Herstellen van opgelopen schade
Verdediging tegen belagers en schadelijke stoffen
Aanpassing aan de omgeving
Voorbeeld: Een cel reguleert zijn osmotische balans; een organisme handhaaft zijn lichaamstemperatuur op 37°C.
2. Zelforganisatie (ook: Groei en Ontwikkeling) Biologische eenheden organiseren zichzelf en creëren nieuwe
structuren:
Dit leidt tot emergente eigenschappen op hoger organisatieniveaus
Het geheel is meer dan de som der delen
Cellen differentiëren tot specialistische organen
Voorbeeld: Een bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een volwassen organisme met miljoenen verschillende cellen.
3. Interactie Biologische eenheden worden beïnvloed door hun omgeving (biotisch en abiotisch):
Biotische factoren: andere organismen
Abiotische factoren: temperatuur, licht, water, pH
Organismen reageren door aanpassing, migratie of gedragsverandering
Voorbeeld: Een plant groeit naar licht toe (fototropisme); een dierenpopulatie daalt bij voedselschaarste.
4. Reproductie Biologische eenheden repliceren zich met variatie:
DNA-replicatie op moleculair niveau
, Voortplanting op organismeniveau
Mutatie en recombinatie creëren variatie
Dit is niet identiek kopiëren
Voorbeeld: Bij seksuele voortplanting ontstaan nakomelingen met nieuwe gencombinaties.
5. Evolutie Toeval, mutatie, recombinatie en selectiedruk leiden tot aanpassing en soortvorming:
Natuurlijke selectie: gunstige varianten overleving beter
Over generaties ontstaat biodiversiteit
Aanpassing van soorten aan hun omgeving
Voorbeeld: Bacteriën ontwikkelen antibioticaresistentie onder selectiedruk van antibiotica.
Organisatieniveaus
Biologie werkt op zes organisatieniveaus, elk met eigen eigenschappen:
Niveau Voorbeelden Systeemconcepten
Molecuul Atomen, moleculen, DNA Chemische reacties
Cel Prokaryoot, eukaryoot Homeostase, stofwisseling
Orgaan Hart, long, darm Vorm-functie relatie
Organisme Plant, dier, fungus Zelfregulatie, voortplanting
Populatie Alle konijnen in een bos Groei, selectie
Ecosysteem Bos, meer, savanne Energiestroom, kringlopen
2. DOMEIN A: VAARDIGHEDEN
(KERNVAARDIGHEDEN VOOR CE)
Het HAVO 2026-examen toetst niet alleen kennis, maar vooral vaardigheden. Deze vaardigheden gelden voor alle
biologie-onderdelen.
A5: Onderzoeken
Kandidaten moeten kunnen:
1. Natuurwetenschappelijk probleem herkennen: "Waarom groeien planten niet goed in dit water?"
2. Herleiden tot onderzoeksvraag: "Wat is het effect van zoutgehalte op plantengroei?"
3. Hypothese opstellen: "Als het zoutgehalte stijgt, zal de groei afnemen"
4. Werkplan maken: Stappen, variabelen, controles
5. Metingen verrichten: Nauwkeurig data verzamelen
6. Data verwerken: Tabellen, grafieken maken
7. Conclusies trekken: Aansluiten bij onderzoeksvraag
8. Onderzoek evalueren: Wat ging goed/fout?
, A8: Natuurwetenschappelijk Instrumentarium
Belangrijke grootheden en eenheden:
Concentratie: mol/L, g/L (molaire concentratie)
pH: schaal 0-14 (zuurtegraad)
Temperatuur: °C of K (Kelvin)
Energie: J (joule), kcal
Druk: Pa (pascal), mmHg
Diffusiesnelheid: mol/(m²·s)
Osmotische waarde: bepaald door gelost stof
A11: Vorm-Functie Denken
Een kernvaardigheid in HAVO Biologie: relatie tussen vorm en functie.
Vragen die je moet kunnen beantwoorden:
"Waarom heeft een rode bloedcel een schijfvorm?" → Groot oppervlak voor zuurstoftransport
"Waarom heeft een vogelbot hollow structuur?" → Licht maar sterk, geschikt voor vliegen
"Waarom hebben wortelcellen veel mitochondriën?" → Actief transport vergt energie (ATP)
A12: Ecologisch Denken
Het begrijpen van duurzaamheid en gevolgen van veranderingen:
Ecosystemen zijn complexe samenhangen
Verandering op laag niveau → grote gevolgen hoger niveau
Menselijke activiteiten hebben ecologische consequenties
Voorbeeld: Het gebruik van pesticiden doodt ongewenste insecten, maar ook bestuivers → minder plantenzaad →
hongernood herbivoren.
A13: Evolutionair Denken
Biologische verschijnselen verklaren met evolutiemechanismen:
Genetische variatie → Selectiedruk → Adaptatie → Soortvorming
Begrip van natuurlijke selectie als verklaring voor biodiversiteit
3. M2: STOFWISSELING VAN DE CEL
Alle leven verloopt op celniveau. Stofwisseling is het proces waardoor cellen stoffen opnemen, omzetten en energie
vrijmaken.