Samenvatting Recht van de
Europese Unie
Week 1A: Inleiding tot de interne markt
Inleiding tot de interne markt Inleiding: I-1 t/m I-14 (p. 19-27)
Het primaire recht zijn de verdragen en de protocollen en bijlagen daarbij, wat hun positie in
de toplaag bevestigd zie art. 51 VEU. Primaire recht is een verzameling van rechtsregels en
rechterlijke uitspraken. Volgens art. 1 lid 2 VWEU hebben het EU verdrag en het
werkingsverdrag dezelfde status, terwijl de status van de uitlegging van de verdragen door
het Hof minder duidelijk is. In het klassieke intergouvernementele model van internationale
samenwerking vertegenwoordigen de lidstaten ontegenzeggelijk de hoogste autoriteit. Maar
lidstaten delen de facto de hoogste positie met het Hof. Hoewel de lidstaten dus
eindverantwoordelijkheid behouden voor bekrachtiging van verdragswijzigingen, kunnen zij
niet langer de exclusieve aanspraak maken op het hoofste gezag in alle aangelegenheden
die verband houden met de verdragen.
Op het gebied van internationale betrekking zijn landen soeverein maar zij kunnen ervoor
kiezen een deel van hun soevereiniteit over te dragen aan internationale betrokken
organisaties, in beginsel kunnen zij die soevereiniteit die zij hebben overdragen weer
opeisen. Bij de Europese Unie ligt dat anders; men kan zich afvragen of klassieke
soevereiniteit nog wel een nuttige manier is om de rol en invloed van lidstaten in de EU te
begrijpen, wellicht beter om te kijken naar gedeelde soevereiniteit.
Regels die burgers tegen de lidstaten en de Unie kunnen inroepen staan alleen in het
werkingsverdrag.
Attributiebeginsel: II-8 t/m II-16 (p. 37-42)
De bevoegdheden van de Unie. Het systeem van specifieke bevoegdheidstoedeling is
neergelegd in art. 4 lid 1 VEU jo. 5 lid 1 en lid 2 VEU. De Unie kan slechts optreden als zij
daartoe uitdrukkelijk door de verdragen is gemachtigd. Er moet een rechtsgrondslag zijn voor
het optreden van de EU (zie bijv. art. 18 2e ali. VWEU, art. 46 VWEU, art. 114 VWEU, art.
192 VWEU, art. 352 VWEU).
Daarnaast zijn er ook een impliciete bevoegdheden, deze is vooral van belang op het gebied
van de externe betrekkingen van de EU. De EU kan dan optreden op gebieden waar haar
bevoegdheid niet uitdrukkelijk in de verdragen is toegekend, maar waar deze externe
bevoegdheid impliciet voortvloeit uit de bevoegdheid in interne aangelegenheden.
Volgens art. 5 VEU een rechtsgrondslag; dit staat meestal in de eerste overweging van de
preambule van de betrokken maatregel. Dit is om twee redenen belangrijk:
1. Het een middel is om te zorgen dat de Unie haar bevoegdheden niet overschrijdt
door maatregelen te nemen op gebieden waar zij niet gemachtigd over is, waarvoor
de lidstaten dus geen bevoegdheden hebben overdragen (materiele waarborg).
2. Dit weerspiegelt het feit dat het werkingsverdrag verschillende
besluitvormingsprocedures en een andere mate van betrokkenheid van de
, verschillende instellingen voorschrijft voor EU-optreden, afhankelijk van het gebied in
kwestie (procedurele waarborg).
De rechtsgrondslag is van belang voor de mate van invloed van een bepaalde EU-instelling.
Ultra-vires toetsing; het onderzoek of die bevoegdheden in een specifiek geval zijn
overschreden, het gaat ook om intentie die achter rechtsgrondslag ligt.
Attributie als materiele waarborg
Casus: Tabaksreclamerichtlijn
- Richtlijn 98/43 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en
sponsoring voor tabaksproducten.
- Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. "reclame": elke vorm van commerciële mededeling die het aanprijzen van een
tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met
inbegrip van de reclame die, zonder het tabaksproduct rechtstreeks te noemen, het
reclameverbod tracht te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk,
symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct;
2. "sponsoring": iedere openbare of particuliere bijdrage aan evenementen of
activiteiten, die het promoten van een tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of
onrechtstreeks tot gevolg heeft; Artikel 3
- Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 89/552/EEG is iedere vorm van reclame of
sponsoring in de Gemeenschap verboden. Tabaksreclamerichtlijn.
- Rechtsgrondslag: art. 95 EG (= 114 VWEU) = harmonisatie van de interne markt
o Maar gaat deze richtlijn wel over het verbeteren van de interne markt voor
producten waarin of waarop tabaksreclame is afgebeeld?
- Beroep tot nietigverklaring van de Bondsrepubliek Duitsland: deze richtlijn heeft niets
met marktintegratie te maken;
o Totaal reclameverbod maakt de vrijheden van de interne markt t.a.v.
tabaksreclame nagenoeg geheel ongedaan;
o Geen bewijs voor verstoringen van de interne markt voor tabaksproducten
Onbeperkte bevoegdheden voor de EU?
o Eigenlijke doel is bescherming v/d volksgezondheid
o Maar zie het harmonisatieverbod in art. 168 lid 5 VWEU
- R.o. 95: “Derhalve moet worden onderzocht, of de richtlijn werkelijk ertoe bijdraagt
dat de belemmeringen van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van
dienstverrichting worden weggenomen en de mededingingsverstoringen worden
opgeheven”
o Maatregelen moeten nationale regelgeving harmoniseren, d.w.z. verschillen
tussen nationale regels wegnemen
o Het enkele feit dat nationale regels verschillen is niet voldoende om art. 114
VWEU als rechtsgrondslag te rechtvaardigen (r.o. 84)
o Toekomstige belemmeringen moeten waarschijnlijk zijn (r.o. 86)
- Draagt deze richtlijn bij aan het vergemakkelijken van het handelsverkeer? (r.o. 96–
105)
o Van tijdschriften en kranten met tabaksreclame? (r.o. 97-98)
o Maar ook van affiches, parasols, asbakken, reclamespots? (r.o. 99)
, Attributie als procedurele waarborg
Alle wetgevingsprocedures beginnen met een voorstel van de Europese Commissie, dat
vervolgens moet worden goedgekeurd door de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in de
raad. Afhankelijk van de rechtsgrondslag heeft het Europees Parlement een
medebeslissende stem of kan slechts advies uitbrengen en daarnaast bepaalt
rechtsgrondslag of de raad met meerderheid van stemmen of met eenparigheid van
stemmen stemt.
Oplossen van geschillen over de juiste rechtsgrondslag
Bij keuze rechtsgrondslag voor een handeling moet berusten op objectieve elementen die
vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing, zoals het doel en de inhoud van de handeling. Als een
element duidelijk overheerst is de daarmee samenhangende rechtsgrondslag voldoende. De
identificatie van een dergelijke overwegend doel wordt vaak de zwaartepunttoets genoemd.
Indien beide elementen even zwaar moeten worden geacht is de een cumulatie van
rechtsgrondslagen, dit is echter uitgesloten in een situatie waarin de betrokken
besluitvormingsprocedure onverenigbaar zijn met elkaar. P. 41
In gevallen waarin een of meer rechtsgrondslagen voor EU-optreden bestaan heeft de Unie
dus de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen.
Autonomie: II-38 t/m II-46 (p. 57-63)
Grondbeginselen voor de betrekkingen tussen de EU, de lidstaten en particulieren partijen.
Het hof heeft het EU-recht autonoom verklaard, de lidstaten zijn daardoor niet langer vrij om
trilaterale verhoudingen te bepalen.
Van Gend en Loos; het Hof moest bepalen of art. 30 VWEU onmiddellijke werking als intern
recht heeft. Het Hof situeert het Europees recht wel binnen het internationaal recht, maar
onderscheid het onmiddellijk van alle andere soorten recht o.g.v. het feit dat de lidstaten hun
soevereiniteit hebben beperkt ten gunste van de Unie, daarmee zijn de lidstaten niet alleen
Herren der Vertrage (meesters van de verdragen) maar ook onderdanen waardoor zij
verplicht zijn zelf het recht van de Unie na te leven. Toepassing van het EU-recht in de
nationale rechtsorde, de rechtstreekse werking, in feite een zaak van het EU-recht is.
Hiermee is irrelevant of de lidstaten een monistisch of dualistisch systeem hebben.
Conclusie Costa / Enel; het nationale recht kan niet in strijd zijn met het Europees recht, het
recht van de Unie heeft dus voorrang boven het nationale recht van de lidstaten. Het is dus
aan de EU of haar wetten rechtstreekse werking hebben.
Autonomie berust op doorwerking en voorrang. Doorwerking wordt door het EU-recht
bepaald en niet door de lidstaten. Voorrang wordt eveneens door het Unierecht bepaald.
Voorrang en rechtstreekse werking: II-57 t/m II-70 (p. 69-76)
De volle werking van het EU-recht in de nationale rechtsordes van de lidstaten.
Voorrang van het EU-recht; klassieke methoden om conflicten tussen onverenigbare regels
op te lossen, zoals de lex posterior doctrine zijn dus niet van toepassing op conflicten tussen
nationaal en EU-recht, net zoals dat monisme en dualisme niet relevant zijn om de hiërarchie
tussen nationaal en EU-recht vorm te geven. Waardoor grondwettelijke bepalingen en
nationale wetten door het EU-recht worden voorgedrongen. De gevolgen van het beginsel
Europese Unie
Week 1A: Inleiding tot de interne markt
Inleiding tot de interne markt Inleiding: I-1 t/m I-14 (p. 19-27)
Het primaire recht zijn de verdragen en de protocollen en bijlagen daarbij, wat hun positie in
de toplaag bevestigd zie art. 51 VEU. Primaire recht is een verzameling van rechtsregels en
rechterlijke uitspraken. Volgens art. 1 lid 2 VWEU hebben het EU verdrag en het
werkingsverdrag dezelfde status, terwijl de status van de uitlegging van de verdragen door
het Hof minder duidelijk is. In het klassieke intergouvernementele model van internationale
samenwerking vertegenwoordigen de lidstaten ontegenzeggelijk de hoogste autoriteit. Maar
lidstaten delen de facto de hoogste positie met het Hof. Hoewel de lidstaten dus
eindverantwoordelijkheid behouden voor bekrachtiging van verdragswijzigingen, kunnen zij
niet langer de exclusieve aanspraak maken op het hoofste gezag in alle aangelegenheden
die verband houden met de verdragen.
Op het gebied van internationale betrekking zijn landen soeverein maar zij kunnen ervoor
kiezen een deel van hun soevereiniteit over te dragen aan internationale betrokken
organisaties, in beginsel kunnen zij die soevereiniteit die zij hebben overdragen weer
opeisen. Bij de Europese Unie ligt dat anders; men kan zich afvragen of klassieke
soevereiniteit nog wel een nuttige manier is om de rol en invloed van lidstaten in de EU te
begrijpen, wellicht beter om te kijken naar gedeelde soevereiniteit.
Regels die burgers tegen de lidstaten en de Unie kunnen inroepen staan alleen in het
werkingsverdrag.
Attributiebeginsel: II-8 t/m II-16 (p. 37-42)
De bevoegdheden van de Unie. Het systeem van specifieke bevoegdheidstoedeling is
neergelegd in art. 4 lid 1 VEU jo. 5 lid 1 en lid 2 VEU. De Unie kan slechts optreden als zij
daartoe uitdrukkelijk door de verdragen is gemachtigd. Er moet een rechtsgrondslag zijn voor
het optreden van de EU (zie bijv. art. 18 2e ali. VWEU, art. 46 VWEU, art. 114 VWEU, art.
192 VWEU, art. 352 VWEU).
Daarnaast zijn er ook een impliciete bevoegdheden, deze is vooral van belang op het gebied
van de externe betrekkingen van de EU. De EU kan dan optreden op gebieden waar haar
bevoegdheid niet uitdrukkelijk in de verdragen is toegekend, maar waar deze externe
bevoegdheid impliciet voortvloeit uit de bevoegdheid in interne aangelegenheden.
Volgens art. 5 VEU een rechtsgrondslag; dit staat meestal in de eerste overweging van de
preambule van de betrokken maatregel. Dit is om twee redenen belangrijk:
1. Het een middel is om te zorgen dat de Unie haar bevoegdheden niet overschrijdt
door maatregelen te nemen op gebieden waar zij niet gemachtigd over is, waarvoor
de lidstaten dus geen bevoegdheden hebben overdragen (materiele waarborg).
2. Dit weerspiegelt het feit dat het werkingsverdrag verschillende
besluitvormingsprocedures en een andere mate van betrokkenheid van de
, verschillende instellingen voorschrijft voor EU-optreden, afhankelijk van het gebied in
kwestie (procedurele waarborg).
De rechtsgrondslag is van belang voor de mate van invloed van een bepaalde EU-instelling.
Ultra-vires toetsing; het onderzoek of die bevoegdheden in een specifiek geval zijn
overschreden, het gaat ook om intentie die achter rechtsgrondslag ligt.
Attributie als materiele waarborg
Casus: Tabaksreclamerichtlijn
- Richtlijn 98/43 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en
sponsoring voor tabaksproducten.
- Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. "reclame": elke vorm van commerciële mededeling die het aanprijzen van een
tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met
inbegrip van de reclame die, zonder het tabaksproduct rechtstreeks te noemen, het
reclameverbod tracht te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk,
symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct;
2. "sponsoring": iedere openbare of particuliere bijdrage aan evenementen of
activiteiten, die het promoten van een tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of
onrechtstreeks tot gevolg heeft; Artikel 3
- Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 89/552/EEG is iedere vorm van reclame of
sponsoring in de Gemeenschap verboden. Tabaksreclamerichtlijn.
- Rechtsgrondslag: art. 95 EG (= 114 VWEU) = harmonisatie van de interne markt
o Maar gaat deze richtlijn wel over het verbeteren van de interne markt voor
producten waarin of waarop tabaksreclame is afgebeeld?
- Beroep tot nietigverklaring van de Bondsrepubliek Duitsland: deze richtlijn heeft niets
met marktintegratie te maken;
o Totaal reclameverbod maakt de vrijheden van de interne markt t.a.v.
tabaksreclame nagenoeg geheel ongedaan;
o Geen bewijs voor verstoringen van de interne markt voor tabaksproducten
Onbeperkte bevoegdheden voor de EU?
o Eigenlijke doel is bescherming v/d volksgezondheid
o Maar zie het harmonisatieverbod in art. 168 lid 5 VWEU
- R.o. 95: “Derhalve moet worden onderzocht, of de richtlijn werkelijk ertoe bijdraagt
dat de belemmeringen van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van
dienstverrichting worden weggenomen en de mededingingsverstoringen worden
opgeheven”
o Maatregelen moeten nationale regelgeving harmoniseren, d.w.z. verschillen
tussen nationale regels wegnemen
o Het enkele feit dat nationale regels verschillen is niet voldoende om art. 114
VWEU als rechtsgrondslag te rechtvaardigen (r.o. 84)
o Toekomstige belemmeringen moeten waarschijnlijk zijn (r.o. 86)
- Draagt deze richtlijn bij aan het vergemakkelijken van het handelsverkeer? (r.o. 96–
105)
o Van tijdschriften en kranten met tabaksreclame? (r.o. 97-98)
o Maar ook van affiches, parasols, asbakken, reclamespots? (r.o. 99)
, Attributie als procedurele waarborg
Alle wetgevingsprocedures beginnen met een voorstel van de Europese Commissie, dat
vervolgens moet worden goedgekeurd door de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in de
raad. Afhankelijk van de rechtsgrondslag heeft het Europees Parlement een
medebeslissende stem of kan slechts advies uitbrengen en daarnaast bepaalt
rechtsgrondslag of de raad met meerderheid van stemmen of met eenparigheid van
stemmen stemt.
Oplossen van geschillen over de juiste rechtsgrondslag
Bij keuze rechtsgrondslag voor een handeling moet berusten op objectieve elementen die
vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing, zoals het doel en de inhoud van de handeling. Als een
element duidelijk overheerst is de daarmee samenhangende rechtsgrondslag voldoende. De
identificatie van een dergelijke overwegend doel wordt vaak de zwaartepunttoets genoemd.
Indien beide elementen even zwaar moeten worden geacht is de een cumulatie van
rechtsgrondslagen, dit is echter uitgesloten in een situatie waarin de betrokken
besluitvormingsprocedure onverenigbaar zijn met elkaar. P. 41
In gevallen waarin een of meer rechtsgrondslagen voor EU-optreden bestaan heeft de Unie
dus de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen.
Autonomie: II-38 t/m II-46 (p. 57-63)
Grondbeginselen voor de betrekkingen tussen de EU, de lidstaten en particulieren partijen.
Het hof heeft het EU-recht autonoom verklaard, de lidstaten zijn daardoor niet langer vrij om
trilaterale verhoudingen te bepalen.
Van Gend en Loos; het Hof moest bepalen of art. 30 VWEU onmiddellijke werking als intern
recht heeft. Het Hof situeert het Europees recht wel binnen het internationaal recht, maar
onderscheid het onmiddellijk van alle andere soorten recht o.g.v. het feit dat de lidstaten hun
soevereiniteit hebben beperkt ten gunste van de Unie, daarmee zijn de lidstaten niet alleen
Herren der Vertrage (meesters van de verdragen) maar ook onderdanen waardoor zij
verplicht zijn zelf het recht van de Unie na te leven. Toepassing van het EU-recht in de
nationale rechtsorde, de rechtstreekse werking, in feite een zaak van het EU-recht is.
Hiermee is irrelevant of de lidstaten een monistisch of dualistisch systeem hebben.
Conclusie Costa / Enel; het nationale recht kan niet in strijd zijn met het Europees recht, het
recht van de Unie heeft dus voorrang boven het nationale recht van de lidstaten. Het is dus
aan de EU of haar wetten rechtstreekse werking hebben.
Autonomie berust op doorwerking en voorrang. Doorwerking wordt door het EU-recht
bepaald en niet door de lidstaten. Voorrang wordt eveneens door het Unierecht bepaald.
Voorrang en rechtstreekse werking: II-57 t/m II-70 (p. 69-76)
De volle werking van het EU-recht in de nationale rechtsordes van de lidstaten.
Voorrang van het EU-recht; klassieke methoden om conflicten tussen onverenigbare regels
op te lossen, zoals de lex posterior doctrine zijn dus niet van toepassing op conflicten tussen
nationaal en EU-recht, net zoals dat monisme en dualisme niet relevant zijn om de hiërarchie
tussen nationaal en EU-recht vorm te geven. Waardoor grondwettelijke bepalingen en
nationale wetten door het EU-recht worden voorgedrongen. De gevolgen van het beginsel