IMMUNOLOGIE
2025-2026
UCLL
1
, 2
H1 INTRODUCTIE
→ immuundeficiëntie, auto-immuunziekten, allergieën, reactie op lichaamsvreemde stoffen
FUNCTIES
- Vaccineren: stimulatie immuunsysteem
- Regeneratie van beschadigd weefsel/ cel schade
- Defensie tegen infecties en tumoren
- Ontstekingen
- Herkenning en beschadiging aan weefseltransplantaten en nieuw geïnduceerde eiwitten
KLASSEN
Aangeboren >< Adaptief
= vanaf geboorte = verworven
• Meteen beschikbaar • Na enkele dagen beschikbaar
• Fysische barrière huid, slijmen, haar • Lymfocyten
• Fagocyterende, dendritische (beenmerg (B-cel), Thymus (T-cel)
& natural killer (NK) cellen 1. plasmacellen (=actieve B-cellen):
• Complementsysteem - CD19 (CD20)
- secreteren antistoffen (As)
- = antistof gemedieerde immuniteit = humorale
immuniteit
Adaptief (vervolg)
- Fc receptoren MHC II
• Voordelen
- Oppervlak Ig
+ specificiteit
2. T-cellen:
+ diversiteit
>> celgemedieerde immuniteit
+ geheugen
a) Cytotoxische T-cellen:
+ zelf tolerantie
- CD8+ (CD3+, CD4-)CD= cluster of differentiation
• ACTIEF >< PASSIEF
- Vernietigen ingedrongen cel volledig
Infectie Pasgeborene
- Cellen doden
Vaccinatie Behandeling immuun-
- α,β- heterodimeren
deficiëntie
- MHC I complex
Bepaalde virale infecties
b) T-helper cellen:
- CD4+ (CD3+, CD8-)
- Aanmaak cytokines
Myeloïde cellen → B-cel en macrofaag activatie
1. Neutrofielen: fagocyteren → stimulatie inflammatie
2. Monocyten: fagocyteren - α,β- heterodimeren
3. Dendritische: Ag presenterende cellen - MHC II complex specifiek
a) Transport antigenen via lymfevaten c) Regulatoire T-cellen:
b) Nemen ag op - CD4+ (CD3+, CD25+, CD4+, FoxP3+)
c) Co-stimulatie moleculen - Suppressor functie van Andere T-cellen
d) Activatie naïeve cellen - α,β- heterodimeren
4. Mastcellen - eigen en vreemde antigenen
,3
1ste immuunrespons >< 2de immuunrespons
1. Naïeve cellen (nog nooit in contact 1. Naïeve B-cel:
geweest met antigenen) 2. Plasmacel:actieve naïeve B-cel
2. Plasmacel: geactiveerde naïeve B-cel → veel sneller en sterker dan bij
(tussen 1-2 weken) 1ste respons
3. Memory-cel: tussen 2-4 weken 3. Memory cellen
Opmerking geheugencellen:
- Aantal stijgt met de leeftijd (5% pasgeborenen, 50% volwassenen)
- thymus verdwijnt na pubertijd
- overleven lang
LYMFOÏDE ORGANEN
1° lymfoïde organen >< 2° lymfoïde organen
- Aanmaak B- en T-cellen - Milt
- Vorming naïeve B-cellen - GALT = gut associated lymfoid tissue
- Generatief - MALT = mucosa associated lymfoid tissue
- lymfenoden
FASEN
1. Antigen herkenning door naïeve B- en T- cellen (IgM, IgD)
→ activeert adaptieve immuunreactie
→ prolifereren
2. Eliminatie antigenen door effector cellen (IgG, IgA en IgE)
a) B-cellen: Antistof producerend
b) CD4+ T-cellen: aanmaak cytokines → differentiëren
c) CD8+ T-cellen: cytotoxisch
3. Geheugencellen (andere nakomelingen)
LYMFEKNOPEN
Morfologie
- Afferente vaten: antigenen komen toe - platen van Peyer: [immuuncellen]
- Efferente vaten: vertrekken - mesenterische knopen (darm)
- HEV = high endothelial venule: naïeve cellen binnen - Rode pulpa
- Germinaal centrum: sterke activiteit van lymfocyten - M-cellen
- PALS = per arteriolair lymfoid seath
- Marginale zone: witte pulpa (veel lymfocyten)
Migratie
*Ductus Thoracicus → bloedcirculatie → perifeer weefsel
*Naïeve T-cellen: chemokinereceptor CCR7 → HEV bindt en migreert naar T-cel zone in lymfeknoop
*Naïeve B-cellen: chemokinereceptor CXRS → zorgt voor het migreren → follikels binnen lymfeknoop
(als reactie op een chemokine dat aan CXRS bindt)
*plasmacellen: secreteren antistoffen en bevinden zich voornamelijk in beenmerg
, 4
H2 AANGEBOREN IMMUUNSYSTEEM
AANGEBOREN VERWORVEN
Specificiteit Pathogeen geassocieerde Gedetailleerde structuren
molecule patterns
Receptoren Plasmamembraan Alleen plasmamembraan
Endosomaal membraan 2 types: Ig en TCR
Cytosol → miljoenen variaties
100 ≠ invariante receptoren
Distributie Non-clonaal Clonaal
Gen coderende receptoren Kiemcellijn gecodeerd in alle Gevormd door somatische
cellen recombinantie van gen-
segmenten
Alleen B- en T-cellen
BARRIÈRE
- Huid
- Slijmen
- Haren
CELLULAIRE COMPONENTEN
Fagocyten
Macrofagen >< Neutrofielen
- Plaats: - Plaats
>> HSC’s: uit beenmerg >> HSC’s: beenmerg
>> stamcellen: yolk sac/ fetal liver - Duur:
- Duur: >> 1-2 dagen
>> inflammatorisch: dagen/weken - Snel, kortlevend, enzymatische
>> weefselgebonden: jaren activiteit
- Langdurig, traag, nieuw, gen - snel geïnduceerd
transcriptie - [NO] daalt
- Minder belangrijk - Niet prominente degranulatie
- Geïnduceerde activatie [NOS] - [cytokine] hoog
- Grote reactie
- [cytokine] daalt
Dendritische cellen: “schildwachten” (H3)
Mastcellen
NK-cellen
→ cytotxiciteit: doden vreemd materiaal d.m.v. perforine en granzymen
→ cytokine productie: secretie interferon ϒ (IFN- Ƴ) → activeert macrofagen
- Regulatie:
>> Activerende/ inhiberende receptoren → herkennen MHC II → “niet doden” signaal
- CD16
>> Bindt aan cellen met IgG- antistoffen = AACD = antilichaam afhankelijke cellulaire
cytotoxiciteit
- Stimulatie:
>> Door IL-12, IL-15, Type I interferonen (IL= interleukine)
2025-2026
UCLL
1
, 2
H1 INTRODUCTIE
→ immuundeficiëntie, auto-immuunziekten, allergieën, reactie op lichaamsvreemde stoffen
FUNCTIES
- Vaccineren: stimulatie immuunsysteem
- Regeneratie van beschadigd weefsel/ cel schade
- Defensie tegen infecties en tumoren
- Ontstekingen
- Herkenning en beschadiging aan weefseltransplantaten en nieuw geïnduceerde eiwitten
KLASSEN
Aangeboren >< Adaptief
= vanaf geboorte = verworven
• Meteen beschikbaar • Na enkele dagen beschikbaar
• Fysische barrière huid, slijmen, haar • Lymfocyten
• Fagocyterende, dendritische (beenmerg (B-cel), Thymus (T-cel)
& natural killer (NK) cellen 1. plasmacellen (=actieve B-cellen):
• Complementsysteem - CD19 (CD20)
- secreteren antistoffen (As)
- = antistof gemedieerde immuniteit = humorale
immuniteit
Adaptief (vervolg)
- Fc receptoren MHC II
• Voordelen
- Oppervlak Ig
+ specificiteit
2. T-cellen:
+ diversiteit
>> celgemedieerde immuniteit
+ geheugen
a) Cytotoxische T-cellen:
+ zelf tolerantie
- CD8+ (CD3+, CD4-)CD= cluster of differentiation
• ACTIEF >< PASSIEF
- Vernietigen ingedrongen cel volledig
Infectie Pasgeborene
- Cellen doden
Vaccinatie Behandeling immuun-
- α,β- heterodimeren
deficiëntie
- MHC I complex
Bepaalde virale infecties
b) T-helper cellen:
- CD4+ (CD3+, CD8-)
- Aanmaak cytokines
Myeloïde cellen → B-cel en macrofaag activatie
1. Neutrofielen: fagocyteren → stimulatie inflammatie
2. Monocyten: fagocyteren - α,β- heterodimeren
3. Dendritische: Ag presenterende cellen - MHC II complex specifiek
a) Transport antigenen via lymfevaten c) Regulatoire T-cellen:
b) Nemen ag op - CD4+ (CD3+, CD25+, CD4+, FoxP3+)
c) Co-stimulatie moleculen - Suppressor functie van Andere T-cellen
d) Activatie naïeve cellen - α,β- heterodimeren
4. Mastcellen - eigen en vreemde antigenen
,3
1ste immuunrespons >< 2de immuunrespons
1. Naïeve cellen (nog nooit in contact 1. Naïeve B-cel:
geweest met antigenen) 2. Plasmacel:actieve naïeve B-cel
2. Plasmacel: geactiveerde naïeve B-cel → veel sneller en sterker dan bij
(tussen 1-2 weken) 1ste respons
3. Memory-cel: tussen 2-4 weken 3. Memory cellen
Opmerking geheugencellen:
- Aantal stijgt met de leeftijd (5% pasgeborenen, 50% volwassenen)
- thymus verdwijnt na pubertijd
- overleven lang
LYMFOÏDE ORGANEN
1° lymfoïde organen >< 2° lymfoïde organen
- Aanmaak B- en T-cellen - Milt
- Vorming naïeve B-cellen - GALT = gut associated lymfoid tissue
- Generatief - MALT = mucosa associated lymfoid tissue
- lymfenoden
FASEN
1. Antigen herkenning door naïeve B- en T- cellen (IgM, IgD)
→ activeert adaptieve immuunreactie
→ prolifereren
2. Eliminatie antigenen door effector cellen (IgG, IgA en IgE)
a) B-cellen: Antistof producerend
b) CD4+ T-cellen: aanmaak cytokines → differentiëren
c) CD8+ T-cellen: cytotoxisch
3. Geheugencellen (andere nakomelingen)
LYMFEKNOPEN
Morfologie
- Afferente vaten: antigenen komen toe - platen van Peyer: [immuuncellen]
- Efferente vaten: vertrekken - mesenterische knopen (darm)
- HEV = high endothelial venule: naïeve cellen binnen - Rode pulpa
- Germinaal centrum: sterke activiteit van lymfocyten - M-cellen
- PALS = per arteriolair lymfoid seath
- Marginale zone: witte pulpa (veel lymfocyten)
Migratie
*Ductus Thoracicus → bloedcirculatie → perifeer weefsel
*Naïeve T-cellen: chemokinereceptor CCR7 → HEV bindt en migreert naar T-cel zone in lymfeknoop
*Naïeve B-cellen: chemokinereceptor CXRS → zorgt voor het migreren → follikels binnen lymfeknoop
(als reactie op een chemokine dat aan CXRS bindt)
*plasmacellen: secreteren antistoffen en bevinden zich voornamelijk in beenmerg
, 4
H2 AANGEBOREN IMMUUNSYSTEEM
AANGEBOREN VERWORVEN
Specificiteit Pathogeen geassocieerde Gedetailleerde structuren
molecule patterns
Receptoren Plasmamembraan Alleen plasmamembraan
Endosomaal membraan 2 types: Ig en TCR
Cytosol → miljoenen variaties
100 ≠ invariante receptoren
Distributie Non-clonaal Clonaal
Gen coderende receptoren Kiemcellijn gecodeerd in alle Gevormd door somatische
cellen recombinantie van gen-
segmenten
Alleen B- en T-cellen
BARRIÈRE
- Huid
- Slijmen
- Haren
CELLULAIRE COMPONENTEN
Fagocyten
Macrofagen >< Neutrofielen
- Plaats: - Plaats
>> HSC’s: uit beenmerg >> HSC’s: beenmerg
>> stamcellen: yolk sac/ fetal liver - Duur:
- Duur: >> 1-2 dagen
>> inflammatorisch: dagen/weken - Snel, kortlevend, enzymatische
>> weefselgebonden: jaren activiteit
- Langdurig, traag, nieuw, gen - snel geïnduceerd
transcriptie - [NO] daalt
- Minder belangrijk - Niet prominente degranulatie
- Geïnduceerde activatie [NOS] - [cytokine] hoog
- Grote reactie
- [cytokine] daalt
Dendritische cellen: “schildwachten” (H3)
Mastcellen
NK-cellen
→ cytotxiciteit: doden vreemd materiaal d.m.v. perforine en granzymen
→ cytokine productie: secretie interferon ϒ (IFN- Ƴ) → activeert macrofagen
- Regulatie:
>> Activerende/ inhiberende receptoren → herkennen MHC II → “niet doden” signaal
- CD16
>> Bindt aan cellen met IgG- antistoffen = AACD = antilichaam afhankelijke cellulaire
cytotoxiciteit
- Stimulatie:
>> Door IL-12, IL-15, Type I interferonen (IL= interleukine)