Onderzoeksverslag genetica P3
genetica
Mehr & Kerem
Biologie hoofdstuk 5
4VB
Genetica
10-02-21
Waarom heeft je hele gezin bruin haar maar jij blond haar? Dit fenotype wordt bepaald
door erfelijke eigenschappen. En hoe deze eigenschappen worden doorgegeven noem je
genetica. Dit verslag zal verklaren hoe dit genetische proces in elkaar zit.
Er worden 3 specifieke eigenschappen van de drosophila melanogaster behandeld:
Oogvorm, vleugelgrootte en lichaamskleur. Deze eigenschappen worden vanuit
verschillende situaties omschreven.
1
,Onderzoeksverslag genetica P3
Inhoudsopgave:
1. Inleiding ...
2. Theorie ...
3. Methode/materiaal ...
4. Opdracht 1
5. Opdracht 2
6. Opdracht 3
7. Opdracht 4 ...
8. Conclusie ...
9. Discussie ...
10. Literatuurlijst ...
2
, Onderzoeksverslag genetica P3
Theorie
monohybride kruisingen
Bij monohybride kruisingen kijken we naar overerving van slechts 1 eigenschap. Zodra je
bij dit kruisingsschema het genotype van de ouders weet kun je die van hun
nakomelingen gemakkelijk bepalen. De man en vrouw vormen gameten met
verschillende samenstellingen van chromosomen. Vooraf is niet te bepalen welke eicel
welke zaadcel zal bevruchten. Maar kansen op bepaalde eigenschappen zijn zeer
gemakkelijk te bepalen. We kijken simpelweg naar alle verschillende combinaties die de
nakomelingen mogelijk kunnen krijgen. Deze worden weergeven als genotype. Aan het
genotype is ook gemakkelijk te zien welk van de eigenschappen tot uiting komen en zo
bepalen we het fenotype. De eerste generatie nakomelingen zijn de F1 generatie, die
daarna F2 enz. De ouders worden met de letter p (parents) aangetoond. Dit geldt voor alle
soorten schema’s.
dihybride kruising
dihybride kruisingsschema’s zijn een stuk groter dan monohybride kruisingsschema’s. Dit
komt omdat we mij dihybride kruisingen kijken naar overerving op 2 eigenschappen.
Deze schema’s werken in principe hetzelfde als de monohybride kruisingen. Alleen zijn
dihybride kruisingen te verdelen in 2 soorten. Gekoppelde en ongekoppelde
overervingen. Bij ongekoppelde kruisingen gaan we ervanuit dat de overerving
onafhankelijk plaatsvindt. Dit houd in dat de eigenschappen op 2 verschillende
chromosomen liggen. Waarvan ongekoppelde kruisingen afhankelijk overerft worden.
Dan bevinden de eigenschappen zich op 1 chromosoom.
autosomale overerving
Als we kijken naar autosomale overerving betekent dit niks meer dan overerving op
‘normale’ chromosomen en niet op geslachtschromosomen. Tegelijkertijd betekent dit
ook dat jongens en meisjes evenveel kans hebben op het erven van een eigenschap.
chromosomale overerving
Tegenovergestelde van autosomale overerving zal dan zijn chromosomale overerving.
Chromosomale overerving vindt alleen plaats op geslachtschromosomen.
Als we op geslachtschromosomen gaan vergelijken kijken we naar de chromosomen 23
(de laatste chromosomen in het karyogram). In het karyogram is te zien dat alle
chromosomen ongeveer dezelfde lengte hebben. Behalve geslachtschromosomen van
de man. De Y chromosoom van de man is kleiner dan zijn X chromosoom. Als gevolg
bevat het Y chromosoom dan ook minder genen dan het X chromosoom. Dat kan
betekenen dat het recessieve allel tot uiting komt zonder dat er een dominant allel
tegenover staat. Dat gebeurt simpelweg omdat er in die situatie gewoon geen dominant
allel bestaat omdat het chromosoom niet lang genoeg is. De
recessieve genen op de X chromosoom die zich niet kunnen
bevinden op de Y chromosoom komen tot uiting. Dit maakt de
verhouding schema's heel anders dan bij andere overervingen. Wat
we vaak ook zien bij chromosomale overervingen zoals
kleurenblindheid. Is dat er bij de mannen 50% meer kans is om die
recessieve eigenschap over te erven dan bij vrouwen. Bij
chromosomale overerving is wel te concluderen welke
eigenschappen een meisje zou krijgen en welke een jongen.
3
genetica
Mehr & Kerem
Biologie hoofdstuk 5
4VB
Genetica
10-02-21
Waarom heeft je hele gezin bruin haar maar jij blond haar? Dit fenotype wordt bepaald
door erfelijke eigenschappen. En hoe deze eigenschappen worden doorgegeven noem je
genetica. Dit verslag zal verklaren hoe dit genetische proces in elkaar zit.
Er worden 3 specifieke eigenschappen van de drosophila melanogaster behandeld:
Oogvorm, vleugelgrootte en lichaamskleur. Deze eigenschappen worden vanuit
verschillende situaties omschreven.
1
,Onderzoeksverslag genetica P3
Inhoudsopgave:
1. Inleiding ...
2. Theorie ...
3. Methode/materiaal ...
4. Opdracht 1
5. Opdracht 2
6. Opdracht 3
7. Opdracht 4 ...
8. Conclusie ...
9. Discussie ...
10. Literatuurlijst ...
2
, Onderzoeksverslag genetica P3
Theorie
monohybride kruisingen
Bij monohybride kruisingen kijken we naar overerving van slechts 1 eigenschap. Zodra je
bij dit kruisingsschema het genotype van de ouders weet kun je die van hun
nakomelingen gemakkelijk bepalen. De man en vrouw vormen gameten met
verschillende samenstellingen van chromosomen. Vooraf is niet te bepalen welke eicel
welke zaadcel zal bevruchten. Maar kansen op bepaalde eigenschappen zijn zeer
gemakkelijk te bepalen. We kijken simpelweg naar alle verschillende combinaties die de
nakomelingen mogelijk kunnen krijgen. Deze worden weergeven als genotype. Aan het
genotype is ook gemakkelijk te zien welk van de eigenschappen tot uiting komen en zo
bepalen we het fenotype. De eerste generatie nakomelingen zijn de F1 generatie, die
daarna F2 enz. De ouders worden met de letter p (parents) aangetoond. Dit geldt voor alle
soorten schema’s.
dihybride kruising
dihybride kruisingsschema’s zijn een stuk groter dan monohybride kruisingsschema’s. Dit
komt omdat we mij dihybride kruisingen kijken naar overerving op 2 eigenschappen.
Deze schema’s werken in principe hetzelfde als de monohybride kruisingen. Alleen zijn
dihybride kruisingen te verdelen in 2 soorten. Gekoppelde en ongekoppelde
overervingen. Bij ongekoppelde kruisingen gaan we ervanuit dat de overerving
onafhankelijk plaatsvindt. Dit houd in dat de eigenschappen op 2 verschillende
chromosomen liggen. Waarvan ongekoppelde kruisingen afhankelijk overerft worden.
Dan bevinden de eigenschappen zich op 1 chromosoom.
autosomale overerving
Als we kijken naar autosomale overerving betekent dit niks meer dan overerving op
‘normale’ chromosomen en niet op geslachtschromosomen. Tegelijkertijd betekent dit
ook dat jongens en meisjes evenveel kans hebben op het erven van een eigenschap.
chromosomale overerving
Tegenovergestelde van autosomale overerving zal dan zijn chromosomale overerving.
Chromosomale overerving vindt alleen plaats op geslachtschromosomen.
Als we op geslachtschromosomen gaan vergelijken kijken we naar de chromosomen 23
(de laatste chromosomen in het karyogram). In het karyogram is te zien dat alle
chromosomen ongeveer dezelfde lengte hebben. Behalve geslachtschromosomen van
de man. De Y chromosoom van de man is kleiner dan zijn X chromosoom. Als gevolg
bevat het Y chromosoom dan ook minder genen dan het X chromosoom. Dat kan
betekenen dat het recessieve allel tot uiting komt zonder dat er een dominant allel
tegenover staat. Dat gebeurt simpelweg omdat er in die situatie gewoon geen dominant
allel bestaat omdat het chromosoom niet lang genoeg is. De
recessieve genen op de X chromosoom die zich niet kunnen
bevinden op de Y chromosoom komen tot uiting. Dit maakt de
verhouding schema's heel anders dan bij andere overervingen. Wat
we vaak ook zien bij chromosomale overervingen zoals
kleurenblindheid. Is dat er bij de mannen 50% meer kans is om die
recessieve eigenschap over te erven dan bij vrouwen. Bij
chromosomale overerving is wel te concluderen welke
eigenschappen een meisje zou krijgen en welke een jongen.
3