Sa
1. m
Je
eien 1.1. Het schrijfproces
ge va = een aaneenschakeling van beslissingen die je neemt tijdens het schrijven
Schrijven
n
sctti
Om je boodschap via een tekst aan een ander over te dragen
hri
Verschillende deelvaardigheden om een boodschap via een tekst te kunnen overdragen:
jfvng
Communicatieve vaardigheden
aa N Schrijfstrategische vaardigheden
rdi Schrijftechnische vaardigheden
ghed Taalvaardigheden en taalbeschouwelijke vaardigheden
ei Spellingsvaardigheden
dIner
deze cursus => focus op schrijfstrategische vaardigheden (verzamelen,
la
selecteren, ordenen, uitschrijven, verzorgen, nalezen, herschrijven)
nd
=> deze vaardigheden worden gekoppeld aan de stappen van het schrijfproces
Het schrijfproces volgens Flower en Hayes
s
3 deeltaken => Plannen, schrijven en revisren
B => Schrijven is hierbij geen lineair proces, maar cyclisch. De fasen lopen dus
kriskras door elkaar, ze onderbreken elkaar en wisselen af
Een tekst moet stapsgewijs opgebouwd worden en groeien. Hiervoor hanteer je een
bepaalde werkwijze
,2
ORIËNTEREN
9 vragen van het communicatiemodel:
1. Wie schrijft? (je relatie tot de lezer)
2. Waarover? (onderwerp)
3. Wat? (wil je zeggen, is de boodschap)
4. Voor wie?
5. Waarom?
6. Hoe? (formulatie van je boodschap)
7. Langs welke weg? (Papier, mail,...)
8. In welke omstandigheden? (is er een aanleiding / reden)
9. Met welk effect? (Wat wil je bereiken?)
PLANNE
N
Verzamel informatie:
o Je eigen voorkennis oproepen
o Personen bevragen over het onderwerp
o Observeren
o Schriftelijke bronnen raadplegen (boeken, artikels, websites)
Selecteer informatie
o Welke info is relevant?
o Welke info heeft de lezer nodig?
o Wat vindt de lezer belangrijk
Orden informatie
o Welke logische opbouw?
o Soort tekst? Welke kenmerken komen hierin voor?
o Tekststructuur?
Mogelijke structuren:
Probleemstructuur:
o Wat is het probleem? Waarom is het een probleem?
Voor wie?
o Wat zijn de gevolgen?
o Hoe is het probleem ontstaan? Wat is de oorzaak?
o Wat zijn mogelijke oplossingen?
o Wat is je conclusie?
Evaluatiestructuur:
o Waarover wil je tot een evaluatie of beoordeling
komen?
o Wat zijn de positieve punten?
o Wat zijn de negatieve punten?
o Hoe luidt jouw eindoordeel?
,3
Vergelijkende structuur:
o Welke zaken ga je precies met elkaar vergelijken? Met
welke bedoeling?
o Wat zijn de verschillen en de gelijkenissen per
criterium?
o Wat is je conclusie?
Evolutiestructuur:
o Waarvan ga je de evolutie weergeven en waarom?
o Wat was de situatie daarvan eerst?
o Hoe is die geëvolueerd en waardoor?
o Wat is je conclusie?
Onderzoeksstructuur:
o Wat wil je precies onderzoeken? Wat is je
onderzoeksvraag?
o Op welke manier is dat onderzocht? Door wie?
o Wat zijn de bevindingen of resultaten uit het
onderzoek?
o Conclusie?
Schrijfplan maken op basis van je gekozen structuur
FORMULERE
N
Schrijf
je tekst uit
o Titel
o Klad versie in het schrijfplan
o Inleiding
Wat mag de lezer verwachten, het maakt de lezer nieuwsgierig
o Kern
Noodzakelijke info opgedeeld in alinea’s
Alinea = minstens 2 zinnen waarvan één kernzin
Subtitels
o Slot
Eén krachtige slotzin is voldoende
Bronvermelding
Enkele aandachtspunten:
o Gepaste terminologie
o Vermijd herhaling
o Gebruik verwijswoorden
o Samenhang a.d.h.v. verbindingswoorden of -zinnen (signaalwoorden)
o Stijl = formeel
o Varieer in lengte van zinnen
o Afwisselende zinsbouw
o Formuleer actieve zinnen
o Vermijd ‘men’ als onderwerp
o Bijzin niet als aparte zin noteren
o Consequent in hoe je de lezer aanspreekt (u / je)
, 4
o Standaardnederlands
REVISEREN
Reviseren wil zeggen: nalezen en zo nodig herschrijven
Lees je tekst door vanuit het standpunt van de lezer
o Vlot leesbaar, maar toch formeel?
o Voldoende correcte uitleg?
o Verwoordingen zijn helder en to the point
Controleer je taalgebruik
1.2. Hoe schrijf je een goede recensie?
Zie cursus p12-15
=> op examen gaan we een recensie moeten schrijven over een gelezen boek.
1.3. Doeltreffend schrijven: zinsbouw onder de loep
Typische valkuilen
Passiefconstructies en men-zinnen
o Passieve zinnen: ‘worden’ of ‘zijn’ in combinatie met een voltooid
deelwoord
Te veel= de handelende persoon valt weg => tekst wordt
afstandelijk
=> gebruik zoveel mogelijk actieve zinnen!
o Vermijd het onpersoonlijke ‘men’
Tekst wordt dan vager & lagere betrokkenheid bij de lezer
Tangconstructies
o Te lange zinnen => moeilijker te begrijpen
Nominalisering
o Samengestelde zinnen bestaan uit deelzinnen
Deelzinnen moeten herkenbaar zijn
Variatie in zinsbouw
o Afwisselen in lengte
o Afwisselen in volgorde
Mededelende zinnen, vragen, directe rede,…
Andere zinsdelen voorop plaatsen
Werkwoordelijke eindgroep
o Alle werkwoorden behalve de PV komt aan het einde van de zin
o Tussen werkwoorden in de eindgroep mogen nooit niet-werkwoordelijke
elementen komen
Fout: De directeur vindt dat daar verandering moet in komen.