OEFENEXAMEN 1 –
COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN I
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. De communicatiewetenschappen worden vaak omschreven als een
multidisciplinaire discipline omdat:
a) ze uitsluitend vertrekken vanuit sociologie
b) ze methodologisch zwak ontwikkeld zijn
c) communicatie bestudeerd wordt vanuit meerdere wetenschappelijke
tradities
d) ze enkel kwalitatieve methoden gebruiken
e) ze pas na WOII erkend werden als wetenschap
2. Welke onderzoeker wordt beschouwd als grondlegger van het eerste
communicatiemodel?
a) Paul Lazarsfeld
b) Wilbur Schramm
c) Harold D. Lasswell
d) Claude Shannon
e) George Gerbner
3. Het communicatiemodel van Lasswell is vooral:
a) circulair en interactief
b) lineair en zendergericht
c) contextueel en cultureel
d) ontvangergeoriënteerd
e) transactioneel
4. Welke kritiek wordt het vaakst geuit op het model van Shannon &
Weaver?
a) Het model is te normatief
b) Het houdt te veel rekening met cultuur
c) Het is technisch, lineair en betekenisarm
d) Het focust te sterk op feedback
e) Het is te kwalitatief
5. Het balansmodel (ABX) van Newcomb vertrekt vanuit het idee dat:
a) communicatie altijd tot conflict leidt
b) mensen streven naar evenwicht in attitudes
c) media almachtige effecten hebben
, d) betekenis vastligt in de boodschap
e) communicatie puur technisch is
6. Welke benadering legt de nadruk op betekenisgeving door sociale
actoren zelf?
a) Structuurgerichte conflictbenadering
b) Administratief onderzoek
c) Actiegerichte (interpretatieve) benadering
d) Massamaatschappijtheorie
e) Functionalisme
7. De Frankfurter Schule (Adorno & Horkheimer) past binnen welke
combinatie?
a) Actiegericht – consensus
b) Actiegericht – conflict
c) Structuurgericht – consensus
d) Structuurgericht – conflict
e) Technologisch determinisme
8. Wat bedoelen Adorno en Horkheimer met de term cultuurindustrie?
a) De creatieve vrijheid van populaire cultuur
b) De emancipatorische kracht van media
c) De industriële productie van cultuur volgens kapitalistische logica
d) De rol van cultuur in groepsvorming
e) De digitalisering van media
9. Wat kenmerkt administrative research het sterkst?
a) Kritiek op macht en ideologie
b) Kwalitatieve en theoretische focus
c) Onderzoek in dienst van beleids- of commerciële vragen
d) Afwijzing van empirische methoden
e) Marxistische analyse
10. De rituele visie op communicatie (Carey) beklemtoont vooral:
a) informatieoverdracht
b) effectiviteit van boodschappen
c) gedeelde betekenis en cultuur
d) persuasieve intenties
e) technologische efficiëntie
COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN I
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. De communicatiewetenschappen worden vaak omschreven als een
multidisciplinaire discipline omdat:
a) ze uitsluitend vertrekken vanuit sociologie
b) ze methodologisch zwak ontwikkeld zijn
c) communicatie bestudeerd wordt vanuit meerdere wetenschappelijke
tradities
d) ze enkel kwalitatieve methoden gebruiken
e) ze pas na WOII erkend werden als wetenschap
2. Welke onderzoeker wordt beschouwd als grondlegger van het eerste
communicatiemodel?
a) Paul Lazarsfeld
b) Wilbur Schramm
c) Harold D. Lasswell
d) Claude Shannon
e) George Gerbner
3. Het communicatiemodel van Lasswell is vooral:
a) circulair en interactief
b) lineair en zendergericht
c) contextueel en cultureel
d) ontvangergeoriënteerd
e) transactioneel
4. Welke kritiek wordt het vaakst geuit op het model van Shannon &
Weaver?
a) Het model is te normatief
b) Het houdt te veel rekening met cultuur
c) Het is technisch, lineair en betekenisarm
d) Het focust te sterk op feedback
e) Het is te kwalitatief
5. Het balansmodel (ABX) van Newcomb vertrekt vanuit het idee dat:
a) communicatie altijd tot conflict leidt
b) mensen streven naar evenwicht in attitudes
c) media almachtige effecten hebben
, d) betekenis vastligt in de boodschap
e) communicatie puur technisch is
6. Welke benadering legt de nadruk op betekenisgeving door sociale
actoren zelf?
a) Structuurgerichte conflictbenadering
b) Administratief onderzoek
c) Actiegerichte (interpretatieve) benadering
d) Massamaatschappijtheorie
e) Functionalisme
7. De Frankfurter Schule (Adorno & Horkheimer) past binnen welke
combinatie?
a) Actiegericht – consensus
b) Actiegericht – conflict
c) Structuurgericht – consensus
d) Structuurgericht – conflict
e) Technologisch determinisme
8. Wat bedoelen Adorno en Horkheimer met de term cultuurindustrie?
a) De creatieve vrijheid van populaire cultuur
b) De emancipatorische kracht van media
c) De industriële productie van cultuur volgens kapitalistische logica
d) De rol van cultuur in groepsvorming
e) De digitalisering van media
9. Wat kenmerkt administrative research het sterkst?
a) Kritiek op macht en ideologie
b) Kwalitatieve en theoretische focus
c) Onderzoek in dienst van beleids- of commerciële vragen
d) Afwijzing van empirische methoden
e) Marxistische analyse
10. De rituele visie op communicatie (Carey) beklemtoont vooral:
a) informatieoverdracht
b) effectiviteit van boodschappen
c) gedeelde betekenis en cultuur
d) persuasieve intenties
e) technologische efficiëntie