Bestuursrecht
Week 1..........................................................................................................2
Bestuursrecht Deel I, 2.3, 2.4, 3.2, 4.1......................................................2
Week 2........................................................................................................12
Bestuursrecht Deel I, 4.1-4.3, 4.5, H5 (m.u.v. §5.5) en 7.4......................12
Week 3........................................................................................................35
Bestuursrecht Deel I, 1.1.4, 1.2.4, 6.4.1-6.4.2, 7.3.1-7.3.2, H8, H9.........35
Bestuursrecht in het Awb-tijdperk, 8.3.5. (Scan op Canvas)....................35
Week 4........................................................................................................66
Bestuursrecht Deel I, 14.1-14.5, H15, H16..............................................66
Week 5........................................................................................................85
Bestuursrecht Deel II, 2.5.1-2.5.2, 4.4.4, 5.2, 5.3, 6.3.7, H8...................85
Week 6........................................................................................................96
Bestuursrecht Deel II, 2.1-2.3, 6.1-6.6, H7..............................................96
Week 7......................................................................................................123
Bestuursrecht Deel I, H11 (op hoofdlijnen), 12.1 en;.............................123
Bestuursrecht Deel II, 6.8, H9................................................................123
Week 8......................................................................................................144
Bestuursrecht Deel I, 13.1-13.6.............................................................144
1
,Week 1
Bestuursrecht Deel I, 2.3, 2.4, 3.2, 4.1
(zie voor 4.1 Week 2)
CBb 2 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG7034 (Greenpeace)
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271 (Mestbassin)
ABRvS 24 april 2014, ECLI:NL:RVS:2013:3379 (Occupy)
ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2013:3379 (Schipholregio)
ABRvS 15 mei 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2050 (Efteling)
CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:655 (Afgeleid belang, vuistregels)
ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4117 (Zwarte piet)
ABRvS 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5933 (VNG)
ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4088 (Concurrenten)
2.3: Het begrip ‘bestuursorgaan’ in de Awb
Het bestuursrecht regelt de rechtsbetrekkingen tussen bestuursorganen en
burgers. De definitie van een bestuursorgaan wordt gegeven in art. 1:1
Awb. Een besluit is een beslissing van een bestuursorgaan.
Art. 1:1: Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is
ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Art. 1:1 maakt onderscheid tussen a-organen en b-organen. A-organen
zijn ‘fulltime bestuursorganen’, die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. B-
organen zijn ‘parttime bestuursorganen’, deze hoeven enkel ‘met openbaar
gezag bekleed te zijn’. Denk bij dit laatste aan een autogarage die ook APK
uitvoert, voor de APK-controle is het een bestuursorgaan, voor het overige
niet.
Uit art. 2:1 BW vloeit voort dat het ontstaan van rechtspersonen, ingesteld
krachtens publiekrecht, uit de wet moet voortvloeien. In art. 2:1 BW worden
al de Staat, provincies, gemeente etc. genoemd. Uit. Art. 2:2 en 2:3 BW volgt
dat ook andere lichamen waaraan een (deel van) een overheidstaak is
opgedragen, een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht kan zijn,
mits daarvoor een basis in een formele wet te vinden is.
Rechtspersonen handelen via hun organen. De Awb bevat geen definitie van
het begrip ‘orgaan’. Voor de organisatiestructuur wordt dus aangesloten bij
Boek 2 BW. Voor rechtspersonen in het privaatrecht geldt dat uit de statuten
en reglementen volgt welke organen namens de rechtspersoon kunnen
handelen. Deze organen zijn met een zodanige taak belast dat ze een
zelfstandige plaats innemen binnen de rechtspersoon. Voor
2
,publiekrechtelijke rechtspersonen geldt ongeveer hetzelfde, alleen moet uit
de organisatiewet (zoals de Gemeentewet) worden afgeleid welke organen
een rechtspersoon bevat, in plaats van dat dit uit statuten en reglementen
moet blijken, deze hebben publiekrechtelijke rechtspersonen namelijk niet.
Enkel het genoemd worden in de wet is niet voldoende; de persoon of het
college moet een zelfstandige plaats of functie hebben binnen de organisatie
van de rechtspersoon om als ‘orgaan’ te kunnen gelden.
Op grond van de rubricering en wettelijke formulering kan worden
achterhaald of er sprake is van een publiekrechtelijk orgaan. Daarnaast kan
dit blijken uit het feit dat de persoon of het college met enig openbaar gezag
is bekleed. Ook is er een restcategorie; personen of colleges met een
zelfstandige positie binnen de restpersoon.
De vraag of sprake is van een b-orgaan kan pas beantwoord worden wanneer
is uitgesloten dat we spreken over een a-orgaan. In de praktijk zijn b-organen
meestal privaatrechtelijke entiteiten die gedeeltelijk bij het openbaar
gezag zijn betrokken. Openbaar gezag valt samen met het kunnen
uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid waarmee de rechtspositie
van rechtssubjecten wordt bepaald. In feite komt openbaar gezag dus neer
op het kunnen verrichten van publiekrechtelijke rechtshandelingen, ofwel het
nemen van besluiten in de zin van art. 1:3 Awb.
Arrest VNG gaat over de vraag of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
kan worden aangemerkt als bestuursorgaan. Uit het arrest blijkt dat:
1) De VNG is een vereniging van gemeenten (een privaatrechtelijke
organisatie), geen overheidsorgaan. Ze is dus niet “krachtens
publiekrecht ingesteld”.
2) De VNG heeft geen openbaar gezag — ze kan niet zelfstandig besluiten
nemen die de rechtspositie van burgers of gemeenten veranderen. Ze
kan ook gemeenten niet juridisch dwingen iets te doen.
3) Dat de VNG samenwerkt met de overheid (bijvoorbeeld via het
actieplan NOiV of het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening
en e-overheid – NUP) maakt haar nog geen bestuursorgaan. Die
afspraken zijn politiek, niet juridisch bindend.
4) Ook is de VNG niet “onder verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan werkzaam”, want ze werkt niet op aanwijzing of onder
gezag van een minister of gemeente.
Ze bepaalt haar eigen beleid.
Onder omstandigheden merkt de bestuursrechter een privaatrechtelijke
rechtspersoon die niet bij of krachtens de wet een publiekrechtelijke
bevoegdheid uitoefent, echter toch aan als b-bestuursorgaan. Dit kan
wanneer privaatrechtelijke rechtspersonen geldelijke uitkeringen aan derden
verstrekken, zoals schadevergoedingen, waarover de overheid bepaald, en
deze ook (indirect) betaald. De ratio hierachter is dat op deze manier
3
,rechtsbescherming bij de bestuursrechter mogelijk is. Voorkomen wordt dat
de overheid door de uitbesteding van de toekenning van overheidsgeld op
basis van de door de overheid gestelde criteria aan privaatrechtelijke
rechtspersonen de toepasselijkheid van de Awb kan omzeilen. Een
rechtspersoon wordt aangemerkt als buitenwettelijk b-bestuursorgaan
wanneer is voldaan aan, zie arrest Schiphol Regio:
Inhoudelijk vereiste: regels voor het verstrekken van uitkeringen of
voorzieningen worden bepaald door een of meer a-organen.
Financiële vereiste: uitkeringen worden voor ten minste twee derden
gefinancierd door een of meer a-organen.
Let op, dit mogen voor de verschillende vereiseten ook verschillende a-
organen zijn.
Art. 1:1 lid 2 Awb geeft een opsomming van instanties die wel onder de
omschrijving van een bestuursorgaan vallen, maar dit toch niet zijn. Veel
uitzonderingen zijn gemaakt met het oog op de scheiding der machten (trias
politica). Deze instanties voeren veel advies- en controle taken uit, of vallen
onder de rechterlijke macht. Het zou vreemd zijn als burgers tegen besluiten
van deze organen in beroep kunnen gaan.
Lid 3 maakt hier weer een uitzondering op, door aan te merken dat deze
instanties wel bestuursorganen zijn voor zover ze besluiten nemen of
handelingen verrichten jegens bij hen in dienst zijnde personen genoemd in
art. 3 Ambtenarenwet 2017.
4
,2.4: De belanghebbende
Het bestuursrecht regelt de betrekkingen tussen bestuursorganen en
burgers. De vraag daarbij is welke burgers rechten en bevoegdheden hebben
tegenover bestuursorganen. De wetgever kan bijvoorbeeld bepalen dat
‘eenieder’ de bevoegdheid heeft bezwaar te maken en beroep in te stellen
tegen besluiten (wanneer de burger bedenkingen of een zienswijze naar
voren heeft gebracht). Dit heet dan een ‘(getrapte) actio popularis’. Deze
actio popularis komt tegenwoordig trouwens nauwelijks nog voor.
Het andere uiterste is om alleen de geadresseerden (normaddressaten) van
een besluit rechten en bevoegdheden te geven. Maar, deze afbakening is
vaak te beperkt. Over het algemeen wordt daarom gesproken over
belanghebbenden, personen met een rechtstreeks belang bij een
besluit.
In het algemeen geldt dat de aard van het besluit een belangrijke invloed
heeft op de omvang van de kring van personen die het recht hebben hun
stem te laten horen.
5
, In alle bepalingen over de ‘belanghebbende’, ook buiten de Awb, wordt
dezelfde definitie gebruikt. Dit heet de monochrome toepassing van het
belanghebbende-begrip. De definitie van belanghebbende wordt gegeven in
art. 1:2 Awb: ‘Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit is betrokken.’
De drie elementen zijn:
- Belang: ondervindt iemand een feitelijk effect door het besluit?
- Degene/aan iemand toekomen: verschillende entiteiten (natuurlijke
personen, rechtspersonen, bestuursorganen) kunnen belang hebben.*
- Rechtstreeks betrokken: door het besluit moet er een verandering in
iemands belangenpositie komen.
Hoewel het vaak duidelijk is wie belanghebbende is, bestaat over de precieze
invulling van dit begrip veel jurisprudentie. De criteria voor het zijn van
belanghebbende verschillen namelijk per soort entiteit.
*Zie arrest Occupy:
- De hoedanigheid van belanghebbende is niet voorbehouden aan
natuurlijke- en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten
zijn. Aan deze andere entiteiten wordt de eis gesteld dat zij herkenbaar
zijn in het rechtsverkeer. Het arrest geeft als voorbeelden; een
samenwerkingsverband van personen die eenzelfde doel nastreven,
zich naar buiten presenteren als eenheid met een website en
geschriften, en beslissingen worden genomen op basis van consensus
tijdens een vaste vergadering.
De normadressaat van een persoonsgerichte beschikking:
Dagelijks worden besluiten genomen waarbij voor een bepaalde persoon of
groep personen bevoegdheden, rechten of plichten in het leven worden
geroepen dan wel tenietgedaan: de persoonsgerichte beschikkingen.
Diegene wiens rechtspositie door zo’n individueel besluit (beschikking)
wordt bepaald, is belanghebbende. Hij is de geadresseerde van de norm die
door de beschikking wordt gesteld. Meestal zal de normadressaat dezelfde
zijn als de geadresseerde van de brief waarin de beschikking is verwoord.
Soms is dat echter niet zo; bij de persoonsgerichte beschikking kunnen er
ook nog andere belanghebbenden zijn. Deze belanghebbenden heten derde-
belanghebbenden, en zij moeten aan een aantal criteria voldoen:
- Eigen belang: je mag niet opkomen voor het belang van een ander,
behalve met een machtiging (art. 2:1 lid 2 Awb)
- Persoonlijk belang: je bent alleen belanghebbende wanneer je
positie zich voldoende onderscheidt van de positie waarin een grote
groep mensen zich bevindt. Het eigen belang moet bijzonder,
individueel en persoonlijk zijn en er moeten ‘gevolgen van
betekenis’ zijn. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval
6
Week 1..........................................................................................................2
Bestuursrecht Deel I, 2.3, 2.4, 3.2, 4.1......................................................2
Week 2........................................................................................................12
Bestuursrecht Deel I, 4.1-4.3, 4.5, H5 (m.u.v. §5.5) en 7.4......................12
Week 3........................................................................................................35
Bestuursrecht Deel I, 1.1.4, 1.2.4, 6.4.1-6.4.2, 7.3.1-7.3.2, H8, H9.........35
Bestuursrecht in het Awb-tijdperk, 8.3.5. (Scan op Canvas)....................35
Week 4........................................................................................................66
Bestuursrecht Deel I, 14.1-14.5, H15, H16..............................................66
Week 5........................................................................................................85
Bestuursrecht Deel II, 2.5.1-2.5.2, 4.4.4, 5.2, 5.3, 6.3.7, H8...................85
Week 6........................................................................................................96
Bestuursrecht Deel II, 2.1-2.3, 6.1-6.6, H7..............................................96
Week 7......................................................................................................123
Bestuursrecht Deel I, H11 (op hoofdlijnen), 12.1 en;.............................123
Bestuursrecht Deel II, 6.8, H9................................................................123
Week 8......................................................................................................144
Bestuursrecht Deel I, 13.1-13.6.............................................................144
1
,Week 1
Bestuursrecht Deel I, 2.3, 2.4, 3.2, 4.1
(zie voor 4.1 Week 2)
CBb 2 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG7034 (Greenpeace)
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271 (Mestbassin)
ABRvS 24 april 2014, ECLI:NL:RVS:2013:3379 (Occupy)
ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2013:3379 (Schipholregio)
ABRvS 15 mei 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2050 (Efteling)
CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:655 (Afgeleid belang, vuistregels)
ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4117 (Zwarte piet)
ABRvS 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5933 (VNG)
ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4088 (Concurrenten)
2.3: Het begrip ‘bestuursorgaan’ in de Awb
Het bestuursrecht regelt de rechtsbetrekkingen tussen bestuursorganen en
burgers. De definitie van een bestuursorgaan wordt gegeven in art. 1:1
Awb. Een besluit is een beslissing van een bestuursorgaan.
Art. 1:1: Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is
ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Art. 1:1 maakt onderscheid tussen a-organen en b-organen. A-organen
zijn ‘fulltime bestuursorganen’, die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. B-
organen zijn ‘parttime bestuursorganen’, deze hoeven enkel ‘met openbaar
gezag bekleed te zijn’. Denk bij dit laatste aan een autogarage die ook APK
uitvoert, voor de APK-controle is het een bestuursorgaan, voor het overige
niet.
Uit art. 2:1 BW vloeit voort dat het ontstaan van rechtspersonen, ingesteld
krachtens publiekrecht, uit de wet moet voortvloeien. In art. 2:1 BW worden
al de Staat, provincies, gemeente etc. genoemd. Uit. Art. 2:2 en 2:3 BW volgt
dat ook andere lichamen waaraan een (deel van) een overheidstaak is
opgedragen, een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht kan zijn,
mits daarvoor een basis in een formele wet te vinden is.
Rechtspersonen handelen via hun organen. De Awb bevat geen definitie van
het begrip ‘orgaan’. Voor de organisatiestructuur wordt dus aangesloten bij
Boek 2 BW. Voor rechtspersonen in het privaatrecht geldt dat uit de statuten
en reglementen volgt welke organen namens de rechtspersoon kunnen
handelen. Deze organen zijn met een zodanige taak belast dat ze een
zelfstandige plaats innemen binnen de rechtspersoon. Voor
2
,publiekrechtelijke rechtspersonen geldt ongeveer hetzelfde, alleen moet uit
de organisatiewet (zoals de Gemeentewet) worden afgeleid welke organen
een rechtspersoon bevat, in plaats van dat dit uit statuten en reglementen
moet blijken, deze hebben publiekrechtelijke rechtspersonen namelijk niet.
Enkel het genoemd worden in de wet is niet voldoende; de persoon of het
college moet een zelfstandige plaats of functie hebben binnen de organisatie
van de rechtspersoon om als ‘orgaan’ te kunnen gelden.
Op grond van de rubricering en wettelijke formulering kan worden
achterhaald of er sprake is van een publiekrechtelijk orgaan. Daarnaast kan
dit blijken uit het feit dat de persoon of het college met enig openbaar gezag
is bekleed. Ook is er een restcategorie; personen of colleges met een
zelfstandige positie binnen de restpersoon.
De vraag of sprake is van een b-orgaan kan pas beantwoord worden wanneer
is uitgesloten dat we spreken over een a-orgaan. In de praktijk zijn b-organen
meestal privaatrechtelijke entiteiten die gedeeltelijk bij het openbaar
gezag zijn betrokken. Openbaar gezag valt samen met het kunnen
uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid waarmee de rechtspositie
van rechtssubjecten wordt bepaald. In feite komt openbaar gezag dus neer
op het kunnen verrichten van publiekrechtelijke rechtshandelingen, ofwel het
nemen van besluiten in de zin van art. 1:3 Awb.
Arrest VNG gaat over de vraag of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
kan worden aangemerkt als bestuursorgaan. Uit het arrest blijkt dat:
1) De VNG is een vereniging van gemeenten (een privaatrechtelijke
organisatie), geen overheidsorgaan. Ze is dus niet “krachtens
publiekrecht ingesteld”.
2) De VNG heeft geen openbaar gezag — ze kan niet zelfstandig besluiten
nemen die de rechtspositie van burgers of gemeenten veranderen. Ze
kan ook gemeenten niet juridisch dwingen iets te doen.
3) Dat de VNG samenwerkt met de overheid (bijvoorbeeld via het
actieplan NOiV of het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening
en e-overheid – NUP) maakt haar nog geen bestuursorgaan. Die
afspraken zijn politiek, niet juridisch bindend.
4) Ook is de VNG niet “onder verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan werkzaam”, want ze werkt niet op aanwijzing of onder
gezag van een minister of gemeente.
Ze bepaalt haar eigen beleid.
Onder omstandigheden merkt de bestuursrechter een privaatrechtelijke
rechtspersoon die niet bij of krachtens de wet een publiekrechtelijke
bevoegdheid uitoefent, echter toch aan als b-bestuursorgaan. Dit kan
wanneer privaatrechtelijke rechtspersonen geldelijke uitkeringen aan derden
verstrekken, zoals schadevergoedingen, waarover de overheid bepaald, en
deze ook (indirect) betaald. De ratio hierachter is dat op deze manier
3
,rechtsbescherming bij de bestuursrechter mogelijk is. Voorkomen wordt dat
de overheid door de uitbesteding van de toekenning van overheidsgeld op
basis van de door de overheid gestelde criteria aan privaatrechtelijke
rechtspersonen de toepasselijkheid van de Awb kan omzeilen. Een
rechtspersoon wordt aangemerkt als buitenwettelijk b-bestuursorgaan
wanneer is voldaan aan, zie arrest Schiphol Regio:
Inhoudelijk vereiste: regels voor het verstrekken van uitkeringen of
voorzieningen worden bepaald door een of meer a-organen.
Financiële vereiste: uitkeringen worden voor ten minste twee derden
gefinancierd door een of meer a-organen.
Let op, dit mogen voor de verschillende vereiseten ook verschillende a-
organen zijn.
Art. 1:1 lid 2 Awb geeft een opsomming van instanties die wel onder de
omschrijving van een bestuursorgaan vallen, maar dit toch niet zijn. Veel
uitzonderingen zijn gemaakt met het oog op de scheiding der machten (trias
politica). Deze instanties voeren veel advies- en controle taken uit, of vallen
onder de rechterlijke macht. Het zou vreemd zijn als burgers tegen besluiten
van deze organen in beroep kunnen gaan.
Lid 3 maakt hier weer een uitzondering op, door aan te merken dat deze
instanties wel bestuursorganen zijn voor zover ze besluiten nemen of
handelingen verrichten jegens bij hen in dienst zijnde personen genoemd in
art. 3 Ambtenarenwet 2017.
4
,2.4: De belanghebbende
Het bestuursrecht regelt de betrekkingen tussen bestuursorganen en
burgers. De vraag daarbij is welke burgers rechten en bevoegdheden hebben
tegenover bestuursorganen. De wetgever kan bijvoorbeeld bepalen dat
‘eenieder’ de bevoegdheid heeft bezwaar te maken en beroep in te stellen
tegen besluiten (wanneer de burger bedenkingen of een zienswijze naar
voren heeft gebracht). Dit heet dan een ‘(getrapte) actio popularis’. Deze
actio popularis komt tegenwoordig trouwens nauwelijks nog voor.
Het andere uiterste is om alleen de geadresseerden (normaddressaten) van
een besluit rechten en bevoegdheden te geven. Maar, deze afbakening is
vaak te beperkt. Over het algemeen wordt daarom gesproken over
belanghebbenden, personen met een rechtstreeks belang bij een
besluit.
In het algemeen geldt dat de aard van het besluit een belangrijke invloed
heeft op de omvang van de kring van personen die het recht hebben hun
stem te laten horen.
5
, In alle bepalingen over de ‘belanghebbende’, ook buiten de Awb, wordt
dezelfde definitie gebruikt. Dit heet de monochrome toepassing van het
belanghebbende-begrip. De definitie van belanghebbende wordt gegeven in
art. 1:2 Awb: ‘Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit is betrokken.’
De drie elementen zijn:
- Belang: ondervindt iemand een feitelijk effect door het besluit?
- Degene/aan iemand toekomen: verschillende entiteiten (natuurlijke
personen, rechtspersonen, bestuursorganen) kunnen belang hebben.*
- Rechtstreeks betrokken: door het besluit moet er een verandering in
iemands belangenpositie komen.
Hoewel het vaak duidelijk is wie belanghebbende is, bestaat over de precieze
invulling van dit begrip veel jurisprudentie. De criteria voor het zijn van
belanghebbende verschillen namelijk per soort entiteit.
*Zie arrest Occupy:
- De hoedanigheid van belanghebbende is niet voorbehouden aan
natuurlijke- en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten
zijn. Aan deze andere entiteiten wordt de eis gesteld dat zij herkenbaar
zijn in het rechtsverkeer. Het arrest geeft als voorbeelden; een
samenwerkingsverband van personen die eenzelfde doel nastreven,
zich naar buiten presenteren als eenheid met een website en
geschriften, en beslissingen worden genomen op basis van consensus
tijdens een vaste vergadering.
De normadressaat van een persoonsgerichte beschikking:
Dagelijks worden besluiten genomen waarbij voor een bepaalde persoon of
groep personen bevoegdheden, rechten of plichten in het leven worden
geroepen dan wel tenietgedaan: de persoonsgerichte beschikkingen.
Diegene wiens rechtspositie door zo’n individueel besluit (beschikking)
wordt bepaald, is belanghebbende. Hij is de geadresseerde van de norm die
door de beschikking wordt gesteld. Meestal zal de normadressaat dezelfde
zijn als de geadresseerde van de brief waarin de beschikking is verwoord.
Soms is dat echter niet zo; bij de persoonsgerichte beschikking kunnen er
ook nog andere belanghebbenden zijn. Deze belanghebbenden heten derde-
belanghebbenden, en zij moeten aan een aantal criteria voldoen:
- Eigen belang: je mag niet opkomen voor het belang van een ander,
behalve met een machtiging (art. 2:1 lid 2 Awb)
- Persoonlijk belang: je bent alleen belanghebbende wanneer je
positie zich voldoende onderscheidt van de positie waarin een grote
groep mensen zich bevindt. Het eigen belang moet bijzonder,
individueel en persoonlijk zijn en er moeten ‘gevolgen van
betekenis’ zijn. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval
6