De student:
Kan beschrijven wat een vitaal bedreigde patiënt is. Een vitaal bedreigde
patiënt is een patiënt bij wie één of meer vitale orgaanfuncties zodanig
verstoord zijn dat ze dreigen te falen.
Kan beschrijven wanneer de vitale parameters afwijkend zijn. De
ademhalingsfrequentie is afwijkend indien deze lager dan acht of hoger
dan twintig is. De saturatie is afwijkend als deze lager dan 95% is. De
hartfrequentie is afwijkend wanneer deze lager dan 60 of hoger dan 100 is.
De bloeddruk is afwijkend wanneer de systolische druk hoger dan 135 is en
de diastolische druk hoger dan 95 is. De lichaamstemperatuur is afwijkend
wanneer deze lager dan 36,5 graden celsius of hoger dan 37,5 graden
celsius is.
Kan beschrijven wat de MEWS is. Een beoordeling van de
gezondheidssituatie aan de hand van de ademhaling, saturatie, bloeddruk,
temperatuur, hartfrequentie en bewustzijn. Ook is soms urineproductie,
pijn en het ‘niet-pluis’ gevoel toegevoegd. Hier komt een bepaalde score
uit die bepaalt wat je gaat doen, hoe vaak je vitale waarden gaat
controleren, met wie je gaat overleggen en hoe snel dit moet gebeuren.
Kan de parameters en bijbehorende normale waarden van de vitale
functies beschrijven. Een normale ademhalingsfrequentie is tussen de acht
en twintig keer per minuut. Een normale saturatie ligt tussen de 95 en
100%. Een normale hartfrequentie ligt tussen de 60 en 100 slagen per
minuut. Een normale bloeddruk is voor de systolische druk tussen de 120
en 135 mmHg en voor de diastolische druk een druk tussen de 80 en 95
mmHg. Een normale lichaamstemperatuur ligt tussen de 36,5 en 37,5
graden celsius.
Kan globaal de te nemen stappen beschrijven van de (c)ABCDE-methodiek.
(c) is kijken of er catatstrofaal uitwendig bloedverlies waar te nemen is. A
is airway, waarbij wordt gekeken of de luchtweg vrij, gedeeltelijk of
volledig geblokkeerd is of dat deze dreigt geblokkeerd te raken. B is
breathing waarbij wordt gekeken of de patiënt ademhaalt en of dit wel
voldoende en efficiënt is. C is circulatie en hierbij wordt gekeken of de
bloedsomloop van de patiënt naar behoren functioneert. D is disability en
hierbij wordt gekeken naar hoe het bewustzijn van de patiënt is en of er
sprake is van neurologische problematiek. E is exposure en environment
en hierbij wordt gekeken naar of er nog ander letsel is, waarbij naar
omgevingsfactoren wordt gekeken.
Week 6
De student:
Kan vaststellen welke factoren een invloed kunnen hebben op ziekte-
inzicht en ziektebeleving. Genetisch, sociaal-economische status,
persoonlijkheid, doktershoppen, werktevredenheid, sociale steun,
vermijding, catastroferen, stress, coping en depressie.
Kan aan de hand van een voorbeeld het bio psychosociaal model
uitleggen. Het biopsychosociaal model is het model waarbij er naar alle
factoren die bovengenoemd werden wordt gekeken voor de invloed op
ziekte, ziektegevoel en ziekterol.